Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22424
2026-07-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.30722 en NL26.30724
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiseres komt uit Eritrea. Zij heeft om asiel gevraagd. Zij stelt dat zij in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat vanwege de illegale uitreis van haar kinderen. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiseres problemen heeft met de Eritrese autoriteiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarvoor argumenten gegeven. Dat zijn de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De rechtbank volgt verweerder. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17972 Rechtbank Den Haag 02-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.045 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.30722 (beroep) en NL26.30724 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Samenvatting
1. Eiseres komt uit Eritrea. Zij heeft om asiel gevraagd. Zij stelt dat zij in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat vanwege de illegale uitreis van haar kinderen.
1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiseres problemen heeft met de Eritrese autoriteiten.
1.2.
Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarvoor argumenten gegeven. Dat zijn de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.3.
De rechtbank volgt verweerder. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
1.4.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 9 september 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
2.2.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1966. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij staat in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten vanwege het illegale vertrek van haar kinderen uit Eritrea. Na het vertrek van haar eerste drie kinderen is haar man gearresteerd en na zes maanden weer vrijgelaten. Nadat haar twee jongste kinderen Eritrea illegaal hadden verlaten, werden eiseres en haar man gezien als medeplichtig. Hun huis werd verzegeld en haar man werd gearresteerd. Eiseres weet niet waar haar man is. Daarom heeft eiseres Eritrea verlaten.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat het relaas van eiseres uit de volgende asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres
De problemen van eiseres met de Eritrese nationaliteiten vanwege de illegale uitreis van haar kinderen.
4.1.
Verweerder gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres. De problemen van eiseres vanwege de illegale uitreis van haar kinderen gelooft verweerder echter niet. Eiseres heeft geen objectieve documenten overgelegd die haar relaas volledig ondersteunen en acht het relaas niet op basis van haar verklaringen alsnog geloofwaardig. Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat de verklaringen van eiseres niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiseres heeft immers legaal en zonder problemen Eritrea verlaten. Ook verklaart zij wisselend over de aanvraagprocedure van haar paspoort. Tevens heeft zij een uitreisvisum ontvangen. Dit is moeilijk verkrijgbaar en geeft geen blijk van problemen met de autoriteiten. Daarnaast verklaart eiseres oppervlakkig over de keren dat de Eritrese autoriteiten haar kwamen bezoeken. Om deze redenen voldoet eiseres niet aan artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten tweede stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiseres voldoet daarom ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
4.2.
Verweerder wijst de asielaanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw. Eiseres krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft weliswaar een dochter die in Nederland woont, maar volgens verweerder heeft eiseres geen familie-of gezinsleven met deze dochter. Verweerder vaardigt daarbij een terugkeerbesluit aan eiseres uit. Eiseres moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook vaardigt verweerder een inreisverbod van twee jaar uit aan eiseres.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten?
5. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten. Bij haar uitreis zijn er immers meerdere vragen aan eiseres gesteld over haar paspoort en uitreisvisum. Verweerder heeft zijn standpunt, dat deze vragen behoren tot de standaard procedure in Eritrea, niet onderbouwd met objectieve bronnen. Daarnaast stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiseres vóór het moment van haar uitreis ook al moet zijn gecontroleerd door de Eritrese autoriteiten in verband met haar aanvraag voor een uitreisvisum. Volgens eiseres is deze veronderstelling speculatief van aard en niet onderbouwd met concrete bronnen. Bovendien merkt eiseres op dat zij met de hulp van een derde haar paspoort dan wel haar uitreisvisum heeft bemachtigd. Daaruit blijkt dat zij haar paspoort dan wel haar uitreisvisum niet op een legale wijze heeft verkregen. Eiseres is dus op illegale wijze Eritrea uitgereisd. Dit heeft verweerder ten onrechte niet erkend. Wanneer eiseres terugkeert naar Eritrea, zal zij risico lopen op detentie, mishandeling en een hoge geldboete.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. Op geen enkele manier blijkt dat eiseres illegaal en zonder toestemming van de Eritrese autoriteiten is uitgereisd. Er zijn weliswaar op het vliegveld vragen aan eiseres gesteld en haar paspoort is even ingenomen, maar eiseres kreeg haar paspoort na korte tijd weer terug en mocht uitreizen. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over de aanvraagprocedure van haar paspoort. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres immers eerst verklaard dat zij met behulp van een man het paspoort heeft ontvangen, terwijl zij later weer heeft verklaard dat zij het paspoort zelf heeft aangevraagd en dat deze man haar alleen heeft geholpen met het uitreisvisum. Ook heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard dat zij het paspoort heeft aangevraagd nadat haar zoon was vertrokken en dat zij het paspoort al in bezit had toen haar huis werd verzegeld. In de correcties en aanvullingen heeft eiseres deze verklaring gecorrigeerd, door te stellen dat zij haar paspoort heeft ontvangen na de tweede arrestatie van haar man, toen haar huis dus al verzegeld was. Met verweerder ziet de rechtbank niet in waarom eiseres niet eenduidig over de aanvraagprocedure van haar paspoort kan verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Concludeert verweerder terecht dat eiseres niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat?
6. Eiseres voert aan dat het verkrijgen van een paspoort en uitreisvisum niet betekent dat zij niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Eiseres beroept zich op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) over Eritrea van 2025, waarin staat dat het moeilijk is om een concreet en eenduidig beeld te krijgen over de afgifte, het bezit en het gebruik van formele documenten, zoals een paspoort en uitreisvisum. Eritrea kent immers een hoge mate van corruptie en willekeur. In het bestreden besluit heeft verweerder dit zelfs erkend. Verweerder betrekt deze informatie echter niet bij zijn beoordeling. Dat had wel gemoeten. Waarom verweerder zich op het standpunt stelt dat het verkrijgen van een paspoort en een uitreisvisum in het geval van eiseres een privilege is, is volgens eiseres onduidelijk.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. Al gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Daarbij overweegt de rechtbank dat, hoewel uit het AAB blijkt dat paspoorten en uitreisvisa af en toe willekeurig worden verstrekt, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het krijgen van een paspoort en een uitreisvisum in beginsel een privilege is. Dit volgt immers ook uit het AAB. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij een paspoort en een uitreisvisum heeft gekregen toen haar man al werd vermist en haar huis al was verzegeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat als eiseres daadwerkelijk problemen had met de Eritrese autoriteiten, het in de lijn der verwachtingen lag dat eiseres geen paspoort en uitreisvisum kon krijgen.
6.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de kans groot is dat eiseres bij terugkeer door de Eritrese autoriteiten wordt ondervraagd vanwege haar lange verblijf in Nederland en vanwege haar illegaal verkregen paspoort en uitreisvisum. Bovendien staat er een vervaldatum op het uitreisvisum van eiseres, namelijk 26 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiseres betekent dit dat eiseres vóór 26 juni 2024 weer terug moest zijn in Eritrea. Nu eiseres deze termijn heeft overschreden, loopt zij ook hierdoor bij terugkeer een risico op ondervraging en detentie. De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting dat de datum op het uitreisvisum niet inhoudt dat eiseres voor die datum weer terug moest zijn in Eritrea, maar dat die inhoudt dat eiseres voor die datum Eritrea moet hebben verlaten. Dit blijkt immers uit pagina 26 van het AAB. Na vertrek kan de houder op elk willekeurig moment naar Eritrea terugkeren. Zoals de rechtbank bovendien heeft overwogen onder 5.1, blijkt nergens uit dat eiseres Eritrea illegaal heeft verlaten. Verder overweegt de rechtbank dat hoewel uit het AAB blijkt dat een terugkeerder die in het buitenland asiel heeft aangevraagd, risico loopt op ondervraging en detentie, van eiseres mag worden verwacht dat zij bij terugkeer ontkent asiel te hebben aangevraagd. Gesteld noch gebleken is dat dit niet van eiseres mag worden verwacht. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 2 juli 2026, waar de gemachtigde van eiseres zich in dit kader ter zitting op heeft beroepen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die uitspraak is immers ook overwogen dat van een Eritrese asielzoeker mag worden verwacht dat hij zijn gedane asielverzoek niet deelt met de Eritrese autoriteiten.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over de bezoeken van de Eritrese autoriteiten?
7. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over de bezoeken van de Eritrese autoriteiten. Onduidelijk is in welke mate eiseres hierover had moeten verklaren. In het voornemen geeft verweerder immers aan dat niet van haar verwacht wordt dat zij een gedetailleerde omschrijving geeft van de bezoeken, waarna verweerder toch de verwachting wekt dat zij dat wel had moeten doen. Het standpunt van verweerder dat het opmerkelijk is dat eiseres niet kon aangeven hoe de soldaten eruit zagen, maar wel kon zien wat voor wapens zij droegen, betwist eiseres. Eiseres heeft immers slechts verteld dat het ene wapen vouwbaar was en het andere wapen een langer wapen was. Lettend op het referentiekader van eiseres en lettend op het feit dat het donker was, heeft eiseres wel degelijk gedetailleerde verklaringen kunnen geven.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende uiterlijke kenmerken van de soldaten beschreven. Zij heeft immers verteld dat de soldaten een militair uniform droegen, dat het uniform tweekleurig was en een camouflagekleur had. Ook heeft eiseres de vorm van de wapens beschreven. Op de vraag welke kleur de uniformen precies waren, kon eiseres geen antwoord geven omdat het tijdens de bezoeken donker was. Naar het oordeel van de rechtbank is het onduidelijk wat eiseres meer had moeten kunnen verklaren.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er hiermee echter geen grond om aan te nemen dat eiseres voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 en 6 oordeelt de rechtbank dat verweerder nog voldoende kan tegenwerpen om te concluderen dat de verklaringen van eiseres onsamenhangend en onaannemelijk zijn. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het zwaartepunt ligt op de tegenwerpingen over de legale uitreis en het verkrijgen van het paspoort en uitreisvisum.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het laat indienen van haar asielaanvraag?
8. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het feit dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Daarom mocht verweerder de asielaanvraag van eiseres ook niet afwijzen als kennelijk ongegrond op basis van de h-grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van eiseres en vanwege haar referentiekader heeft zij de asielprocedure in Nederland niet goed begrepen. Verweerder heeft het referentiekader van eiseres niet meegewogen.
8.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. In het bestreden besluit heeft verweerder zich immers terecht op het standpunt gesteld dat het feit alleen dat eiseres ongeschoold en analfabeet is geen verschoonbare reden is om zich niet tijdig te melden voor asiel. Verder heeft verweerder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiseres zelfstandig naar Nederland is gereisd en dat zij in Eritrea zelfstandig een Italiaans visum heeft aangevraagd en ontvangen. Tevens blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij al van plan was om asiel aan te vragen in Nederland voordat zij naar Nederland kwam. Ook was zij op de hoogte van de Dublinprocedure. Deze procedure wilde eiseres immers ontlopen door zich niet tijdig te melden voor asiel. Bovendien is eiseres over de asielprocedure ingelicht door haar in Nederland wonende dochter. Om deze redenen heeft verweerder eiseres terecht tegengeworpen dat zij te laat haar asielaanvraag heeft ingediend en hiervoor geen verschoonbare reden heeft. Verweerder heeft dus ook terecht de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
9.1.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
9.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verslag van het nader gehoor, pagina’s 5 en 15.
Verslag van het nader gehoor, pagina 15.
Paragraaf 2.3.2.1 van het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van 2025.
Paragraaf 5.2.1 en 5.2.3 van het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van 2025.
ECLI:NL:RBDHA:2026:17972.
Verslag van het nader gehoor, pagina 16.
Verslag van het nader gehoor, pagina 7.
Verslag van het nader gehoor, pagina 7.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.30722 (beroep) en NL26.30724 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Samenvatting
1. Eiseres komt uit Eritrea. Zij heeft om asiel gevraagd. Zij stelt dat zij in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat vanwege de illegale uitreis van haar kinderen.
1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiseres problemen heeft met de Eritrese autoriteiten.
1.2.
Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarvoor argumenten gegeven. Dat zijn de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.3.
De rechtbank volgt verweerder. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
1.4.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 9 september 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
2.2.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1966. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij staat in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten vanwege het illegale vertrek van haar kinderen uit Eritrea. Na het vertrek van haar eerste drie kinderen is haar man gearresteerd en na zes maanden weer vrijgelaten. Nadat haar twee jongste kinderen Eritrea illegaal hadden verlaten, werden eiseres en haar man gezien als medeplichtig. Hun huis werd verzegeld en haar man werd gearresteerd. Eiseres weet niet waar haar man is. Daarom heeft eiseres Eritrea verlaten.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat het relaas van eiseres uit de volgende asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres
De problemen van eiseres met de Eritrese nationaliteiten vanwege de illegale uitreis van haar kinderen.
4.1.
Verweerder gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres. De problemen van eiseres vanwege de illegale uitreis van haar kinderen gelooft verweerder echter niet. Eiseres heeft geen objectieve documenten overgelegd die haar relaas volledig ondersteunen en acht het relaas niet op basis van haar verklaringen alsnog geloofwaardig. Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat de verklaringen van eiseres niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiseres heeft immers legaal en zonder problemen Eritrea verlaten. Ook verklaart zij wisselend over de aanvraagprocedure van haar paspoort. Tevens heeft zij een uitreisvisum ontvangen. Dit is moeilijk verkrijgbaar en geeft geen blijk van problemen met de autoriteiten. Daarnaast verklaart eiseres oppervlakkig over de keren dat de Eritrese autoriteiten haar kwamen bezoeken. Om deze redenen voldoet eiseres niet aan artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten tweede stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiseres voldoet daarom ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
4.2.
Verweerder wijst de asielaanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw. Eiseres krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft weliswaar een dochter die in Nederland woont, maar volgens verweerder heeft eiseres geen familie-of gezinsleven met deze dochter. Verweerder vaardigt daarbij een terugkeerbesluit aan eiseres uit. Eiseres moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook vaardigt verweerder een inreisverbod van twee jaar uit aan eiseres.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten?
5. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten. Bij haar uitreis zijn er immers meerdere vragen aan eiseres gesteld over haar paspoort en uitreisvisum. Verweerder heeft zijn standpunt, dat deze vragen behoren tot de standaard procedure in Eritrea, niet onderbouwd met objectieve bronnen. Daarnaast stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiseres vóór het moment van haar uitreis ook al moet zijn gecontroleerd door de Eritrese autoriteiten in verband met haar aanvraag voor een uitreisvisum. Volgens eiseres is deze veronderstelling speculatief van aard en niet onderbouwd met concrete bronnen. Bovendien merkt eiseres op dat zij met de hulp van een derde haar paspoort dan wel haar uitreisvisum heeft bemachtigd. Daaruit blijkt dat zij haar paspoort dan wel haar uitreisvisum niet op een legale wijze heeft verkregen. Eiseres is dus op illegale wijze Eritrea uitgereisd. Dit heeft verweerder ten onrechte niet erkend. Wanneer eiseres terugkeert naar Eritrea, zal zij risico lopen op detentie, mishandeling en een hoge geldboete.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. Op geen enkele manier blijkt dat eiseres illegaal en zonder toestemming van de Eritrese autoriteiten is uitgereisd. Er zijn weliswaar op het vliegveld vragen aan eiseres gesteld en haar paspoort is even ingenomen, maar eiseres kreeg haar paspoort na korte tijd weer terug en mocht uitreizen. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over de aanvraagprocedure van haar paspoort. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres immers eerst verklaard dat zij met behulp van een man het paspoort heeft ontvangen, terwijl zij later weer heeft verklaard dat zij het paspoort zelf heeft aangevraagd en dat deze man haar alleen heeft geholpen met het uitreisvisum. Ook heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard dat zij het paspoort heeft aangevraagd nadat haar zoon was vertrokken en dat zij het paspoort al in bezit had toen haar huis werd verzegeld. In de correcties en aanvullingen heeft eiseres deze verklaring gecorrigeerd, door te stellen dat zij haar paspoort heeft ontvangen na de tweede arrestatie van haar man, toen haar huis dus al verzegeld was. Met verweerder ziet de rechtbank niet in waarom eiseres niet eenduidig over de aanvraagprocedure van haar paspoort kan verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Concludeert verweerder terecht dat eiseres niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat?
6. Eiseres voert aan dat het verkrijgen van een paspoort en uitreisvisum niet betekent dat zij niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Eiseres beroept zich op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) over Eritrea van 2025, waarin staat dat het moeilijk is om een concreet en eenduidig beeld te krijgen over de afgifte, het bezit en het gebruik van formele documenten, zoals een paspoort en uitreisvisum. Eritrea kent immers een hoge mate van corruptie en willekeur. In het bestreden besluit heeft verweerder dit zelfs erkend. Verweerder betrekt deze informatie echter niet bij zijn beoordeling. Dat had wel gemoeten. Waarom verweerder zich op het standpunt stelt dat het verkrijgen van een paspoort en een uitreisvisum in het geval van eiseres een privilege is, is volgens eiseres onduidelijk.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. Al gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Daarbij overweegt de rechtbank dat, hoewel uit het AAB blijkt dat paspoorten en uitreisvisa af en toe willekeurig worden verstrekt, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het krijgen van een paspoort en een uitreisvisum in beginsel een privilege is. Dit volgt immers ook uit het AAB. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij een paspoort en een uitreisvisum heeft gekregen toen haar man al werd vermist en haar huis al was verzegeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat als eiseres daadwerkelijk problemen had met de Eritrese autoriteiten, het in de lijn der verwachtingen lag dat eiseres geen paspoort en uitreisvisum kon krijgen.
6.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de kans groot is dat eiseres bij terugkeer door de Eritrese autoriteiten wordt ondervraagd vanwege haar lange verblijf in Nederland en vanwege haar illegaal verkregen paspoort en uitreisvisum. Bovendien staat er een vervaldatum op het uitreisvisum van eiseres, namelijk 26 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiseres betekent dit dat eiseres vóór 26 juni 2024 weer terug moest zijn in Eritrea. Nu eiseres deze termijn heeft overschreden, loopt zij ook hierdoor bij terugkeer een risico op ondervraging en detentie. De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting dat de datum op het uitreisvisum niet inhoudt dat eiseres voor die datum weer terug moest zijn in Eritrea, maar dat die inhoudt dat eiseres voor die datum Eritrea moet hebben verlaten. Dit blijkt immers uit pagina 26 van het AAB. Na vertrek kan de houder op elk willekeurig moment naar Eritrea terugkeren. Zoals de rechtbank bovendien heeft overwogen onder 5.1, blijkt nergens uit dat eiseres Eritrea illegaal heeft verlaten. Verder overweegt de rechtbank dat hoewel uit het AAB blijkt dat een terugkeerder die in het buitenland asiel heeft aangevraagd, risico loopt op ondervraging en detentie, van eiseres mag worden verwacht dat zij bij terugkeer ontkent asiel te hebben aangevraagd. Gesteld noch gebleken is dat dit niet van eiseres mag worden verwacht. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 2 juli 2026, waar de gemachtigde van eiseres zich in dit kader ter zitting op heeft beroepen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die uitspraak is immers ook overwogen dat van een Eritrese asielzoeker mag worden verwacht dat hij zijn gedane asielverzoek niet deelt met de Eritrese autoriteiten.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over de bezoeken van de Eritrese autoriteiten?
7. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over de bezoeken van de Eritrese autoriteiten. Onduidelijk is in welke mate eiseres hierover had moeten verklaren. In het voornemen geeft verweerder immers aan dat niet van haar verwacht wordt dat zij een gedetailleerde omschrijving geeft van de bezoeken, waarna verweerder toch de verwachting wekt dat zij dat wel had moeten doen. Het standpunt van verweerder dat het opmerkelijk is dat eiseres niet kon aangeven hoe de soldaten eruit zagen, maar wel kon zien wat voor wapens zij droegen, betwist eiseres. Eiseres heeft immers slechts verteld dat het ene wapen vouwbaar was en het andere wapen een langer wapen was. Lettend op het referentiekader van eiseres en lettend op het feit dat het donker was, heeft eiseres wel degelijk gedetailleerde verklaringen kunnen geven.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende uiterlijke kenmerken van de soldaten beschreven. Zij heeft immers verteld dat de soldaten een militair uniform droegen, dat het uniform tweekleurig was en een camouflagekleur had. Ook heeft eiseres de vorm van de wapens beschreven. Op de vraag welke kleur de uniformen precies waren, kon eiseres geen antwoord geven omdat het tijdens de bezoeken donker was. Naar het oordeel van de rechtbank is het onduidelijk wat eiseres meer had moeten kunnen verklaren.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er hiermee echter geen grond om aan te nemen dat eiseres voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 en 6 oordeelt de rechtbank dat verweerder nog voldoende kan tegenwerpen om te concluderen dat de verklaringen van eiseres onsamenhangend en onaannemelijk zijn. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het zwaartepunt ligt op de tegenwerpingen over de legale uitreis en het verkrijgen van het paspoort en uitreisvisum.
Stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het laat indienen van haar asielaanvraag?
8. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het feit dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Daarom mocht verweerder de asielaanvraag van eiseres ook niet afwijzen als kennelijk ongegrond op basis van de h-grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van eiseres en vanwege haar referentiekader heeft zij de asielprocedure in Nederland niet goed begrepen. Verweerder heeft het referentiekader van eiseres niet meegewogen.
8.1.
De rechtbank volgt eiseres niet. In het bestreden besluit heeft verweerder zich immers terecht op het standpunt gesteld dat het feit alleen dat eiseres ongeschoold en analfabeet is geen verschoonbare reden is om zich niet tijdig te melden voor asiel. Verder heeft verweerder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiseres zelfstandig naar Nederland is gereisd en dat zij in Eritrea zelfstandig een Italiaans visum heeft aangevraagd en ontvangen. Tevens blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij al van plan was om asiel aan te vragen in Nederland voordat zij naar Nederland kwam. Ook was zij op de hoogte van de Dublinprocedure. Deze procedure wilde eiseres immers ontlopen door zich niet tijdig te melden voor asiel. Bovendien is eiseres over de asielprocedure ingelicht door haar in Nederland wonende dochter. Om deze redenen heeft verweerder eiseres terecht tegengeworpen dat zij te laat haar asielaanvraag heeft ingediend en hiervoor geen verschoonbare reden heeft. Verweerder heeft dus ook terecht de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
9.1.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
9.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verslag van het nader gehoor, pagina’s 5 en 15.
Verslag van het nader gehoor, pagina 15.
Paragraaf 2.3.2.1 van het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van 2025.
Paragraaf 5.2.1 en 5.2.3 van het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van 2025.
ECLI:NL:RBDHA:2026:17972.
Verslag van het nader gehoor, pagina 16.
Verslag van het nader gehoor, pagina 7.
Verslag van het nader gehoor, pagina 7.