Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22388

2026-07-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.24167, NL26.24173, NL26.24175 en NL26.24170
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.24167, NL26.24173, NL26.24175 en NL26.24170
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel, Internationale bescherming Bulgarije, bijzondere kwetsbaarheid jongste zoon is onvoldoende gemotiveerd, gegrond.

Citeert (12)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.972 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.24167, NL26.24173, NL26.24175 en NL26.24170


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres



[eiser 1] , v-nummer: [nummer] , eiser 1


[eiser 2]
, v-nummer: [nummer] , eiser 2


[eiser 3]
, v-nummer: [nummer] , eiser 3
(gemachtigde: mr. E. Sahin),



en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.E Altdorf).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de medische documenten van de jongste zoon (eiser 3). Hierdoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid van de jongste zoon. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 22 april 2026 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.



2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de voorlopige voorzieningen, op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Op de zitting is afgesproken dat de minister de claimakkoorden van eisers indient in het digitale dossier. Dit heeft de minister gedaan op 23 juni 2026. Op 30 juni 2026 heeft eiser zijn reactie hierop kenbaar gemaakt. Op 16 juli heeft de minister hierop gereageerd. Partijen wensen geen nadere zitting. De rechtbank heeft op 24 juli 2026 het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond


3. Eisers zijn een gezin bestaande uit vader (eiser 1), twee zoons (eisers 2 en 3) en een moeder (eiseres). De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Uit informatie van Bulgarije blijkt volgens de minister dat eisers in dat land internationale bescherming hebben sinds 13 februari 2024. Dat zij een verblijfsvergunning hebben (gehad) wordt door eisers bevestigd in het aanmeldgehoor.



Toetsingskader


4. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met het betreffende land hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.

5. Als uitgangspunt geldt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de Bulgaarse autoriteiten de verdragsverplichtingen tegenover statushouders nakomen. Statushouders in Bulgarije kunnen in beginsel op grond van de verleende internationale bescherming aanspraak maken op de daaruit voortvloeiende rechten en de minister mag ervan uitgegaan dat zij deze rechten ook kunnen effectueren. Daarbij geldt dat statushouders dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. De minister mag er ook van uitgaan dat statushouders over een (reëel risico op een) schending van artikel 4 van het EU Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM bij de Bulgaarse autoriteiten effectief kunnen klagen. Van belang is wel dat volgens het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie de bijzondere kwetsbaarheid van een individuele statushouder ertoe kan leiden dat hij bij terugkeer naar de lidstaat waar hij een asielvergunning heeft gekregen, zal terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem een asielvergunning heeft verleend, is onvoldoende om te concluderen dat hij bij terugkeer naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.



Internationale bescherming


6. Eisers voeren allereerst aan dat onvoldoende duidelijk is of ze nog internationale bescherming genieten in Bulgarije. De informatie van de Bulgaarse dan wel Duitse autoriteiten is onvoldoende recent, dan wel blijkt hier niet uit wanneer de verleende status komt te vervallen. De in beroep ingediende claimakkoorden zijn verder onduidelijk en onvolledig. Hieruit blijkt niet wanneer de bescherming is afgegeven en tot wanner deze geldig is. Het is in ieder geval duidelijk dat de verblijfsvergunning van de vader al een jaar is verstreken, zoals blijkt uit de foto’s van het aan hem verstrekte verblijfsdocument. Vader heeft zijn status nooit verlengd, waardoor niet met zekerheid is te stellen dat de vergunning van de vader niet is ingetrokken door de Bulgaarse autoriteiten. Eiser wijst in dit kader op het AIDA rapport over Bulgarije (update 2025) waaruit blijkt dat internationale bescherming kan worden ingetrokken wanneer de verblijfsvergunning niet tijdig wordt verlengd.


6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister naar aanleiding van de asielverzoeken van eisers een claimverzoek heeft ingediend bij de Duitse autoriteiten. Deze hebben de minister op 22 januari 2026 laten weten dat zij het claimverzoek niet accepteren, omdat eisers een status hebben in Bulgarije. Bijgevoegd bij de reactie van de Duitse autoriteiten is een brief van de Bulgaarse autoriteiten van 25 april 2024, dan wel 17 mei 2024 waarin de Bulgaarse autoriteiten aangeven dat aan eisers internationale bescherming is verleend. Voor zover al getwijfeld zou moeten worden aan de vraag of deze informatie ten tijde van de aanvraag nog voldoende recent was, is deze twijfel in beroep weggenomen. Uit de claimakkoorden van 18 mei 2026 volgt dat aan eisers subsidiaire bescherming is verleend in Bulgarije (“confirming his status”) en dat de autoriteiten bereid zijn hen terug te nemen. Zoals de minister terecht stelt mag de minister in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, onder de voorwaarde dat de informatie voldoende recent is en dat hieruit duidelijk blijkt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. In dit geval ligt er voldoende recente informatie die ook voldoende duidelijk maakt wat de verblijfsrechtelijke status van eisers is in Bulgarije.



6.2.
Dat de verblijfsvergunning van de vader mogelijk is verlopen, maakt dit niet anders. Uit het claimakkoord blijkt immers dat hij nog steeds internationale bescherming geniet. Verder heeft de vader niet onderbouwd dat zijn subsidiaire bescherming daadwerkelijk is ingetrokken. Dat er in 2020 een wijziging van de wet is doorgevoerd, waarmee beëindiging of intrekking van subsidiaire bescherming mogelijk is als deze niet binnen 30 dagen wordt verlengd, was al bekend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) oordeelde hierover dat hoewel het niet verlengen of niet tijdig vervangen van een verblijfsdocument kan leiden tot een intrekkingsprocedure, de minister ervan uit mag gaan dat de statushouder in Bulgarije nog internationale bescherming geniet. Dit omdat er geen systematische herbeoordeling van verleende statussen plaatsvindt. De intrekkingsprocedure start pas nadat het Bulgaarse Ministerie van Binnenlandse Zaken meldt dat een statushouder drie jaar na het verlopen van het verblijfsdocument nog niet heeft verlengd. Andere situaties die tot intrekking kunnen leiden, zoals terugkeer naar het land van herkomst, rechtmatig verblijf in een ander land of het verkrijgen van een andere nationaliteit, zijn hier niet van toepassing. Er zit dus een aanzienlijke periode tussen het verlopen van het document en het begin van de intrekkingsprocedure. Bovendien wordt de statushouder vooraf per aangetekende brief geïnformeerd over de start en redenen van de procedure. Het is aan eiser 1 om aannemelijk te maken dat hij in Bulgarije geen subsidiaire bescherming meer heeft. Eiser 1 heeft geen omstandigheden naar voren gebracht of authentieke stukken overgelegd waaruit zou blijken dat hij geen internationale bescherming heeft in Bulgarije. Een internationale beschermingsstatus eindigt namelijk na een individuele beoordeling.






Bijzonder kwetsbaarheid

7. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije voor personen met internationale bescherming. Hierbij is allereerst van belang dat zowel de moeder als de jongste zoon als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. De moeder kampt met hartklachten en heeft problemen met haar knie. De jongste zoon kampt met medische en psychische problemen. Zoals uit de medische stukken uit Duitsland volgt heeft hij een verstandelijke beperking en spraakproblemen. Hij staat in Nederland onder behandeling van de POH-GGZ. De minister had nader onderzoek moeten doen naar de passende zorg in Bulgarije. Daarbij volgt Bulgarije sinds 2013 een zogenoemd ‘zero integration policy’. Statushouders krijgen formeel wel internationale bescherming, maar geen daadwerkelijk ondersteuning. Eisers hadden in Bulgarije geen onderdak, medische hulp of begeleiding. Zij hebben geprobeerd om naar een dokter te gaan, maar werden weggestuurd. Ook heeft de jongste zoon nooit psychische hulp gekregen.




7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijzonder kwetsbaarheid. Het enkel hebben van medische klachten is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. De minister stelt dat eisers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat de medische situatie van de moeder en de jongste zoon bij overdracht naar Bulgarije aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren. Over de jongste zoon stelt de minister dat het op zijn weg had gelegen om stukken te overleggen waaruit blijkt dat de jongste zoon langdurig beperkt is, wat de behandeling is, wat het gevolg is van stoppen van de behandeling en of de behandeling beschikbaar zou zijn in Bulgarije. Verder is niet gebleken dat zij geen toegang hebben tot medische behandeling in Bulgarije, te meer zij wel behandeling hebben gekregen in Bulgarije.



7.2.
Uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van dat arrest. De medische situatie van statushouders kan hen - en degenen die noodgedwongen met de zorg voor hen zijn belast - bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid (punt 90 van dat arrest).


7.3.
De rechtbank is het met de minister eens dat in het geval van de moeder niet van is gebleken van bijzondere kwetsbaarheid. Uit de medische informatie die moeder heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van knieklachten. Hiervoor wordt zij behandeld door de fysiotherapeut. Uit deze stukken blijkt niet of en, zo ja, in welke mate de medische belemmeringen van moeder haar belemmeren in het effecturen van haar rechten. Dit is anders als het gaat om de jongste zoon. De rechtbank stelt vast dat de jongste zoon bij de zienswijze medische documenten uit Duitsland heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij is gediagnosticeerd met een matige verstandelijke beperking en gedragsproblemen, met name dwangmatige symptomen en angsten. Hij stond hiervoor onder behandeling bij de kinder- en jeugdpsychiatrie in Duitsland. Deze documenten zijn door de minister niet betrokken in de besluitvorming. De minister stelt immers in het bestreden besluit dat de Duitse documenten van de psychiater niet zijn overgelegd zodat ze niet kunnen worden betrokken in de besluitvorming. De minister gaat er in de besluitvorming dan ook niet van uit dat de jongste zoon een verstandelijke beperking heeft, maar enkel dat hij moeite heeft met praten zoals blijkt uit het patiëntendossier dat de jongste zoon ook heeft overgelegd. Dit is een onjuiste aanname. Verder blijkt hieruit ook dat, anders dan de minister in beroep stelt, de jongste zoon langdurig beperkt is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met deze documenten. Deze medische achtergrond geeft een duidelijk beeld van zijn kwetsbaarheid en noodzaak van gespecialiseerde zorg. De toelichting van de minister dat hiermee impliciet rekening is gehouden, wordt niet gevolgd door de rechtbank. In de besluitvorming is namelijk niet op deze medische stukken ingegaan en wordt bovendien, zoals hierboven beschreven, van andere feiten uitgegaan.



7.4.
Op zitting heeft de minister ook gesteld dat de Duitse medische documenten de situatie niet anders maken, omdat er adequate medische zorg aanwezig is in Bulgarije. Dit blijkt volgens de minister uit de verklaringen van de vader en de oudste zoon. Deze verklaringen gaan echter niet over psychische hulpverlening voor de jongste zoon. Vader heeft enkel verklaard medische zorg te hebben ontvangen voor de pijnklachten aan zijn knie en hulp te hebben gezocht voor de gezondheidsklachten van zijn vrouw. De oudste broer (eiser 2) heeft enkel verklaard dat zijn broer en moeder medische zorg nodig hadden in Bulgarije, maar niet dat zij dit daadwerkelijk hebben gekregen. Daarnaast blijkt uit de formulering van de vraag die de hoormedewerker aan eiser 1 en 2 stelde: “Heeft u medische zorg nodig gehad in Bulgarije?” dat er niet expliciet is gevraagd naar de daadwerkelijke ontvangst van medische of psychische hulp. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat zij wel hebben geprobeerd hulp te zoeken voor de jongste zoon, maar dat zij door de dokter zijn weggestuurd. Deze verklaring komt overeen met de informatie in het AIDA rapport over Bulgarije (update 2025). Hieruit blijkt dat er in Bulgarije geen speciale voorzieningen zijn voor de behandeling van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen. Dat de jongste zoon op dit moment enkel behandeld wordt door de POH-GGZ betekent niet zonder meer dat er geen nadere specialistische hulp nodig is. Uit de Duitse medische documenten blijkt dat de jongste zoon daar werd behandeld door een jeugdpsychiater. Op zitting hebben eisers toegelicht dat de jongste zoon momenteel in Nederland op een wachtlijst staat voor psychische hulpverlening en daarnaast gesprekken voert met een praktijkbegeleider. Deze informatie onderstreept nog eens dat de situatie van de jongste zoon vraagt om specifieke aandacht en zorg, die niet zonder meer in Bulgarije beschikbaar of toegankelijk lijkt te zijn.



7.5.
Het vaststellen van bijzondere kwetsbaarheid is cruciaal omdat dit mede bepaalt of iemand in staat is zijn of haar rechten daadwerkelijk te effectueren. Door de verstandelijke beperking en psychische problematiek wordt het voor de jongste zoon extra moeilijk om zijn rechten in Bulgarije te effectueren. Daar komt nog eens bij dat hij spraakproblemen heeft, wat dit verder bemoeilijkt. Het standpunt van de minister dat de ouders van de jongste zoon hem daarbij kunnen helpen en hij om deze reden niet bijzonder kwetsbaar is, volgt de rechtbank niet. De ondersteuning door familie biedt geen garantie dat de jongste zoon adequaat beschermd wordt of de juiste zorg kan ontvangen in Bulgarije. Uit het AIDA-rapport blijkt immers dat er geen speciale voorzieningen zijn voor de behandeling van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de jongste zoon als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt, zodat in zoverre niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt.



Overige gezinsleden


8. De minister hanteert als uitgangspunt dat het belang van het bij elkaar houden van de familie voorop staat, zoals ook benadrukt wordt in artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit artikel stelt dat het belang van het kind bij alle maatregelen die kinderen betreffen, centraal moet staan, waarbij ook het familieleven een belangrijke rol speelt. In beroep stelt de minister in dit kader dan ook dat de jongste zoon in beginsel niet wordt gescheiden van zijn familieleden.

9. Als er sprake is van een motiveringsgebrek bij de beoordeling van één aanvraag van een familielid, in dit geval van de jongste zoon, kan dit ook gevolgen hebben voor de aanvragen van andere familieleden. Dit komt doordat aanvragen binnen een familie met elkaar verbonden zijn. Een onvoldoende gemotiveerde beslissing van de jonge zoon kan daarom ook de rechtspositie van andere familieleden beïnvloeden. Immers, als de minister tot de conclusie zou komen dat de jongste zoon in Bulgarije door zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie is dat van invloed op de rest van de familieleden. De rechtbank gaat daarom niet nader in op de situatie van de overige familieleden, omdat deze beoordeling afhangt van de herbeoordeling van de aanvraag van de jongste zoon.





Conclusie en gevolgen


10. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. De minister zal daarom opnieuw besluiten op de aanvragen moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor, gelet op de lange duur van de procedure, een termijn van zes weken.



10.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangende zaken. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en heeft op verzoek van de rechtbank tweemaal gereageerd op nieuwe standpunten van de minister. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en een keer 0,5 punt voor de door de rechtbank verzochte nadere reactie).




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 22 april 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eisers.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zaaknummers: NL26.24168, NL26.24174, NL26.24176 en NL26.24171


Op grond van artikel 30a van de Vw 2000.


Zie ook ABRvS 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793.


Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.


Zie onder andere ABRvS van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2384.


Eiser 1 verwijst naar het AIDA Country Report Bulgaria update on 2025, p. 130.


ABRvS 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441, en van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:74.


AIDA Country Report Bulgaria update on 2022, p. 106.


ABRvS 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3966.


ABRvS 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, en van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484, en van 22 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:740.


Gehoor bescherming EU van de oudste zoon p. 5, gehoor bescherming EU van vader p.7.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:179.


Zie p. 7 van het aanmeldgehoor van de vader.


Zie p. 5. van het aanmeldgehoor van de oudste zoon.


P. 5 van het gehoor van de oudste zoon en pagina 7 van het gehoor van de vader.


AIDA Country Report Bulgaria update on 2025, p. 100.


ABRvS 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.