Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22387
2026-07-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37456
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, vervolgberoep, artikel 59 lid 1 sub a, zicht op uitzetting, voortvarendheid, beroep ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16081 Rechtbank Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16081 Rechtbank Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2022:2707 Raad van State 20-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:2418 Raad van State 27-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2007:BB8361 Raad van State 09-11-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.192 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37456
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 13 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 9 juni 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 20 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juni 2026 (in de zaak NL26.29317) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 2 juni 2026.
Bestaat er zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Er bestaat bij de Nigeriaanse autoriteiten namelijk onwil om aan eiser een laissez passer (lp) te verstrekken. Aan eiser is immers al eerder in 2022 een lp verstrekt, maar de Nigeriaanse autoriteiten hebben op basis van die lp, niet een nieuwe lp willen verstrekken. Aangezien een lp verstrekt door de eigen autoriteiten het meest identificerende document is, valt dus ook niet te verwachten dat de Nigeriaanse autoriteiten op basis van aanvullende documenten wél een lp zullen verstrekken.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Zoals volgt uit de voortgangsrapportage en dat wat de minister op zitting heeft toegelicht, is in mei 2026 contact opgenomen met de Nigeriaanse autoriteiten met het verzoek om op basis van (een kopie van) de lp uit 2022 een nieuwe lp te verstrekken. Omdat de Nigeriaanse autoriteiten de lp uit 2022 niet in hun systeem konden terugvinden en er onregelmatigheden waren in de opmaak van deze lp, kon hier volgens de Nigeriaanse autoriteiten geen waarde aan worden gehecht. Er is daarom een nieuwe lp-procedure opgestart. Eiser is op [datum] 2026 in persoon gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Dit heeft niet geleid tot afgifte van een lp. Uit het verslag van deze presentatie blijkt dat de vertegenwoordiger heeft verklaard dat de nationaliteit van eiser niet kan worden vastgesteld, omdat eiser onvoldoende informatie heeft verschaft over zijn nationaliteit en herkomstgebied. De rechtbank overweegt dat op eiser de plicht rust om medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Dit heeft eiser niet gedaan. Dat uit voorgaande gang van zaken zou volgen dat de Nigeriaanse autoriteiten, ook als eiser wel mee zou werken, niet bereid zouden zijn om mee te werken aan de voor de uitzetting benodigde documenten, volgt de rechtbank dan ook niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op [datum] 2026 is eisers lp-procedure beëindigd omdat zijn nationaliteit niet kon worden vastgesteld. De minister heeft daarna echter pas op [datum] 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin hij is gewezen op zijn medewerkingsverplichting om zelf stappen te ondernemen om aan identificerende documenten te komen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure is eiser op [datum] 2026 gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Op [datum] 2026 en [datum] 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd waarin hij is gewezen op zijn medewerkingsverplichting. Op de zitting heeft de minister verder verklaard dat na de beëindiging van de lp-procedure bij Bureau Documenten de vraag is uitgezet of zij in het bezit zijn van de originele lp uit 2022. Ook heeft de minister op [datum] 2026 contact opgenomen met de Italiaanse autoriteiten over de vraag of zij nog in het bezit zijn van (een kopie van het) paspoort van eiser. Uiteindelijk is bij het uitblijven van een reactie van de Italiaanse autoriteiten op 20 juli 2026 besloten om de bewaring op te heffen. Hoewel de minister na het beëindigen van de procedure tot een lp-aanvraag weliswaar sneller had kunnen handelen, is het geheel van het verloop van de handelingen voldoende voortvarend. De rechtbank wijst in de kader op bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2007 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16081.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16081.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707 en 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2418.
ECLI:NL:RVS:2007:BB8361.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37456
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 13 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 9 juni 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 20 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juni 2026 (in de zaak NL26.29317) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 2 juni 2026.
Bestaat er zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Er bestaat bij de Nigeriaanse autoriteiten namelijk onwil om aan eiser een laissez passer (lp) te verstrekken. Aan eiser is immers al eerder in 2022 een lp verstrekt, maar de Nigeriaanse autoriteiten hebben op basis van die lp, niet een nieuwe lp willen verstrekken. Aangezien een lp verstrekt door de eigen autoriteiten het meest identificerende document is, valt dus ook niet te verwachten dat de Nigeriaanse autoriteiten op basis van aanvullende documenten wél een lp zullen verstrekken.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Zoals volgt uit de voortgangsrapportage en dat wat de minister op zitting heeft toegelicht, is in mei 2026 contact opgenomen met de Nigeriaanse autoriteiten met het verzoek om op basis van (een kopie van) de lp uit 2022 een nieuwe lp te verstrekken. Omdat de Nigeriaanse autoriteiten de lp uit 2022 niet in hun systeem konden terugvinden en er onregelmatigheden waren in de opmaak van deze lp, kon hier volgens de Nigeriaanse autoriteiten geen waarde aan worden gehecht. Er is daarom een nieuwe lp-procedure opgestart. Eiser is op [datum] 2026 in persoon gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Dit heeft niet geleid tot afgifte van een lp. Uit het verslag van deze presentatie blijkt dat de vertegenwoordiger heeft verklaard dat de nationaliteit van eiser niet kan worden vastgesteld, omdat eiser onvoldoende informatie heeft verschaft over zijn nationaliteit en herkomstgebied. De rechtbank overweegt dat op eiser de plicht rust om medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Dit heeft eiser niet gedaan. Dat uit voorgaande gang van zaken zou volgen dat de Nigeriaanse autoriteiten, ook als eiser wel mee zou werken, niet bereid zouden zijn om mee te werken aan de voor de uitzetting benodigde documenten, volgt de rechtbank dan ook niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op [datum] 2026 is eisers lp-procedure beëindigd omdat zijn nationaliteit niet kon worden vastgesteld. De minister heeft daarna echter pas op [datum] 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin hij is gewezen op zijn medewerkingsverplichting om zelf stappen te ondernemen om aan identificerende documenten te komen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure is eiser op [datum] 2026 gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Op [datum] 2026 en [datum] 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd waarin hij is gewezen op zijn medewerkingsverplichting. Op de zitting heeft de minister verder verklaard dat na de beëindiging van de lp-procedure bij Bureau Documenten de vraag is uitgezet of zij in het bezit zijn van de originele lp uit 2022. Ook heeft de minister op [datum] 2026 contact opgenomen met de Italiaanse autoriteiten over de vraag of zij nog in het bezit zijn van (een kopie van het) paspoort van eiser. Uiteindelijk is bij het uitblijven van een reactie van de Italiaanse autoriteiten op 20 juli 2026 besloten om de bewaring op te heffen. Hoewel de minister na het beëindigen van de procedure tot een lp-aanvraag weliswaar sneller had kunnen handelen, is het geheel van het verloop van de handelingen voldoende voortvarend. De rechtbank wijst in de kader op bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2007 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16081.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16081.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707 en 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2418.
ECLI:NL:RVS:2007:BB8361.