Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22375

2026-07-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.20336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.20336
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin/Duitsland, Bijzondere individuele omstandigheden, artikel 17 Dublinverordening.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.617 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.20336


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer 1] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [minderjarige] , V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20337), op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. Tevens was aanwezig [naam] (tolk). Eiseres is zonder bericht niet verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.




Overwegingen

1. Eiseres stelt van Irakese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 2] 1993. Haar zoon is geboren op [geboortedag 1] 2014. Eiseres heeft op 8 december 2025 in Nederland een asielaanvraag ingediend, mede voor haar minderjarige zoon.

2. Nederland heeft op 2 februari 2026 Duitsland verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 5 februari 2026 op diezelfde grondslag aanvaard.




Totstandkoming van het besluit



3. Op 12 februari 2026 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is. Tegen dit voornemen heeft eiseres op 26 februari 2026 een zienswijze ingediend. Hierin stelt zij dat verweerder in dit voornemen slechts algemene standaardoverwegingen heeft gebruikt en ten onrechte niet in is gegaan op haar persoonlijke omstandigheden. Ze vreest voor indirect refoulement bij overdracht naar Duitsland, doordat zij en haar zoon door Duitsland zullen worden uitgezet naar Irak. In Irak loopt ze gevaar en is er geen passende medische behandeling voor haar zoon. Op 26 maart 2026 heeft eiseres deze zienswijze aangevuld. In deze aanvulling brengt ze naar voren dat ze in Nederland slachtoffer is geworden van een gewelddadige relatie, waar zij en haar zoon ernstig onder hebben geleden. Vanwege de kwetsbaarheid van eiseres en haar zoon zou een overdracht naar Duitsland getuigen van onevenredige hardheid.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.



De beroepsgronden




5.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat bij de totstandkoming van het besluit de individuele omstandigheden van haarzelf en haar zoon onvoldoende zijn meegewogen. Eiseres vreest voor haar ex-man en zijn en haar familie die niet accepteren dat zij als alleenstaande vrouw door het leven gaat. Deze omstandigheden zijn niet betrokken in het bestreden besluit. Daarnaast overweegt verweerder gezien de overgelegde aangifte ten onrechte dat objectieve stukken ontbreken waaruit volgt dat eiseres in Nederland slachtoffer geworden van een misdrijf binnen een gewelddadige relatie, waar haar zoon ook getuige van is geweest. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op het belang van het kind. Verweerder heeft geen rekening gehouden met factoren als het welzijn en de sociale ontwikkeling van de het kind, de veiligheid van hem en zijn moeder en er is niet om zijn standpunt gevraagd. In verband met deze omstandigheden had toepassing moeten worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.



5.2.
De beroepsgrond die ziet op een bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting ingetrokken.



Het oordeel van de rechtbank





6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is. De Afdeling heeft over deze bepaling eerder overwogen dat de rechter de beoordeling van verweerder terughoudend moet toetsen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7.



6.2.
Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechter terecht op het standpunt dat wat eiseres heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. De medische problematiek van de zoon van eiseres is niet onderbouwd met documenten en evenmin is gebleken dat eiseres en haar zoon medische zorg zal worden onthouden bij terugkeer naar Duitsland. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit niet is ingegaan op de problemen die zij bij een overdracht aan Duitsland vreest vanwege haar ex-man en zijn en haar familie die niet accepteren dat zij alleen in Duitsland is zonder echtgenoot. In het aanmeldgehoor heeft eiseres verklaard dat zij bezwaar heeft tegen een overdracht vanwege haar zoon en haar familie. Zij heeft daarbij verklaard dat haar familie in Irak niet accepteert dat zij na haar echtscheiding alleen in Europa woont. Zij vreest teruggestuurd te worden naar Irak en dan problemen met haar familie te krijgen. Ook heeft ze verklaard dat haar ex-man na de echtscheiding (die ongeveer negen jaar geleden plaatsvond) problemen voor haar veroorzaakte en dat zij geen aangifte tegen hem wilde doen omdat zij niet later problemen met haar zoon wil krijgen omdat ze aangifte heeft gedaan tegen zijn vader. Eiseres heeft dus niet verklaard dat zij bezwaren heeft tegen een overdracht naar Duitsland vanwege vrees voor haar ex-man of zijn familie. Ook in de zienswijze en aanvullende zienswijze heeft eiseres hierover niets vermeld. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit dus niet op kunnen en hoeven ingaan. Wat betreft de vrees voor haar familie bij terugkeer naar Irak, geldt dat die vrees niet ziet op de situatie voor eiseres in Duitsland. Daarnaast heeft eiseres de (pas in de beroepsgronden gestelde) vrees voor problemen met haar ex-man en zijn familie in Duitsland onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. De enkele stelling dat eiseres en haar zoon problemen zullen ervaren bij terugkeer naar Duitsland, is in dit kader onvoldoende. Eiseres is niet ter zitting verschenen en haar gemachtigde heeft hierover geen verdere informatie kunnen verschaffen.



6.3.
Wat betreft het betoog dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op het belang van het kind, overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 6, eerste lid van de Dublinverordening staat vermeld dat de lidstaten het belang van het kind voorop moeten stellen bij alle procedures. In het derde lid van dit artikel staat vermeld dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten nauw samenwerken en in het bijzonder rekening houden met (onder meer) het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige. Op pagina 5 en 6 van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de gestelde medische problematiek van de zoon van eiseres en heeft hij op goede gronden overwogen dat deze niet aan het overdrachtsbesluit in de weg staat. Ook neemt de rechtbank in dit kader in aanmerking dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd en dat door eiseres niet is aangevoerd dat zij de in dit verband op hen rustende internationale verplichtingen niet nakomen. Voorts heeft verweerder op pagina 5 van het bestreden besluit de gestelde gewelddadige relatie van eiseres in Nederland en de gestelde psychische gevolgen daarvan voor eiseres en haar zoon betrokken bij de besluitvorming en ook hierover op goede gronden overwogen dat die omstandigheden niet maken dat van overdracht moet worden afgezien vanwege onevenredige hardheid. Verweerder heeft daarbij kunnen overwegen dat objectieve stukken in dit verband ontbreken, nu de aangifte enkel de verklaring van eiseres bevat. Voor zover eiseres stelt dat haar zoon ten onrechte niet om zijn mening is gevraagd, overweegt de rechtbank dat uit het rapport van het aanmeldgehoor blijkt dat aan eiseres is meegedeeld dat haar zoon de mogelijkheid heeft om zijn mening schriftelijk bij de correcties en aanvullingen kenbaar te maken. Niet is gebleken dat hiervan gebruik is gemaakt. Ook is in de zienswijze niet namens de zoon zijn standpunt ingebracht of gevraagd om toch mondeling hierover te mogen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op dit alles voldoende acht heeft geslagen op het belang van het kind. Dat verweerder niet expliciet heeft vermeld welke invloed een overdracht op de sociale ontwikkeling van de zoon van eiseres zou hebben, doet aan dit oordeel niet af, mede nu door eiseres (en haar zoon) daarover geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht.



6.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.