Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22373
Inhoudsindicatie
Grensdetentie / opheffing / transgender Barbados Het Hof van Justitie heeft vaker benadrukt dat elke vrijheidsontnemende maatregel een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokkene (Adrar, C.B.X.) Het uitgangspunt in bewaringsprocedures is dan ook “geen bewaring tenzij…” en niet “bewaring tenzij…” en dit uitgangspunt geldt onverkort in grensdetentieprocedures. Eiser is transgender en is reeds 2 jaar bezig met hormoontherapie. Eiser is ook autistisch en heeft verklaard ‘alles trager op te nemen’. Doordat de minister passief is gebleven bij het aanbieden van de noodzakelijk zorg en therapie, is de hormoontherapie die eiser gedurende geruime tijd volgt onderbroken en heeft de minister zijn zorgplicht ernstig geschonden. De rechtbank concludeert dat de wijze van tenuitvoerlegging een schending van het grondrecht op privéleven van eiser vormt en de rechtbank, als bewaringsrechter, dan ook niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om dit bij de rechtmatigheidsbeoordeling te betrekken. Het indienen van een klacht bij de beklagcommissie kan immers niet tot het beëindigen van deze onrechtmatige situatie leiden. De maatregel is onvoldoende zorgvuldig voorbereid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en de wijze van tenuitvoerlegging is in strijd met het recht op privéleven van eiser. Deze drie redenen leiden alle drie op zichzelf tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is. Opheffing & invrijheidstelling & SV & PKV.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21600 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.107 tekens)
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43695
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2026 is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van dit besluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft schriftelijk gronden aan het dossier toegevoegd. Minister heeft in reactie hierop een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C.G.M. Lemmen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Barbadaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert onder meer aan dat de screening niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 en 12 Screeningsverordening en dat niet deugdelijk genoeg is gemotiveerd waarom niet is volstaan met de oplegging van een lichter middel. Het toepassen van een lichter middel kan overigens ook zonder de toegang tot Nederland te verlenen, aldus eiser.
4. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de screening voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat voldoende is gevraagd naar bijzondere omstandigheden en dat deze omstandigheden ook voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel.
5. De rechtbank zal de opheffing van de maatregel bevelen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
6. Eiser is op 31 juli 2026 om 14:36 uur op Schiphol aangekomen, heeft om 14:55 uur een asielwens kenbaar gemaakt en is om 15:35 uur gehoord over een uitgestelde toegangsweigering en een mogelijk op te leggen grensdetentiemaatregel. Op 31 juli 2026 om 15:35 uur is eiser ook gescreend op grond van de Screeningsverordening. Op 31 juli 2026, om 17:19 uur is beslist dat het besluit omtrent de toegangsweigering wordt uitgesteld.
7. De rechtbank merkt allereerst op dat het bewaringsgehoor zeer summier is, althans het verslag van dit gehoor, waaruit duidelijk blijkt dat een ‘standaard-format’ wordt gebruikt omdat de vragen die kennelijk moeten worden gesteld er ook in zijn opgenomen. Het bevat slechts een aantal standaardvragen waarbij nauwelijks nadere vragen zijn gevolgd. De rechtbank acht dat opmerkelijk want de antwoorden die eiser heeft gegeven zouden aanleiding moeten zijn om, om nadere verduidelijking te vragen om zo grondig te kunnen onderzoeken of oplegging van een grensdetentiemaatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Het opleggen van een grensdetentiemaatregel mag immers geen automatisme zijn, ondanks dat er groot gewicht aan het belang van grensbewaking mag worden toegekend. Het Hof van Justitie heeft vaker benadrukt dat elke vrijheidsontnemende maatregel een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokkene (arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, C-313/25 PPU, punten 48 en 49, en arrest van het Hof van 8 november 2022 in de zaak C.B.X., C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, punten 72-75). Het uitgangspunt in bewaringsprocedures is dan ook “geen bewaring tenzij…” en niet “bewaring tenzij…” en dit uitgangspunt geldt onverkort in grensdetentieprocedures. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:21600, rechtsoverweging 6).
8. In het proces-verbaal van het gehoor dat voorafgegaan is aan de oplegging van de grensdetentiemaatregel is onder meer het navolgende opgenomen:
(…)
V: Lijdt u aan een ernstige ziekte of lichamelijk aandoening waarvoor u direct medische hulp nodig heeft en zo ja, welke en kunt u dit aannemelijk maken?
A: "Autisme, depressie, dyscalculie, adhd, sociale angst. Ik neem alles trager op. genderdysforie."
V: Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken:
A: "Nee."
V: Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen?
A: "Nee.'
(…)
9. De rechtbank acht het op zichzelf zorgvuldig dat wordt ‘doorgevraagd’ of eiser nog meer ziektes, lichamelijke aandoeningen en beperkingen heeft, maar het antwoord van eiser op de voorliggende vraag noopt op zichzelf tot het stellen van meer vragen. Weliswaar is aan eiser de vraag gesteld of hij op dat moment medicijnen gebruikt en heeft eiser deze vraag ontkennend beantwoord. Eiser heeft evenwel uitdrukkelijk verklaard dat “hij alles trager opneemt”. Dat zou een reden moeten zijn om meer nadere vragen te stellen en zich ervan te vergewissen dat informatie die nodig is om een zorgvuldige beslissing te nemen ook wordt verkregen. Dat geldt temeer nu eiser heeft verklaard dat hij kampt met gender dysforie. De minister moet zich op het moment dat eiser dit verklaart realiseren dat dit in de weg kan staan aan het opleggen van de maatregel en hij daardoor niet kan volstaan met de standaardvraag of eiser ‘medicijnen gebruikt en zo ja, welke en waartegen’. Vragen naar het welbevinden van eiser en een mogelijk transitie-proces moeten dan worden gesteld, zeker nu in het JCS mannen en vrouwen gescheiden worden ingesloten en dit voor eiser mogelijk tot gevoelens van ongemak of onveiligheid kan leiden. Indien sprake is van een transitie-proces kan het zijn dat eiser reeds begonnen is aan hormoontherapie en dan kan het ook zo zijn dat eiser dit niet als ‘medicatie’ benoemt. Minister heeft voorafgaand aan de beslissing te weinig vragen gesteld om te onderzoeken of moest worden volstaan met een lichter middel.
10. Reeds hierom heft de rechtbank de maatregel op. De maatregel is niet alleen zodanig onzorgvuldig voorbereid dat dit de maatregel onrechtmatig maakt, de maatregel is op dit punt ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. In de maatregel is bij “de toepassing lichter middel bij vrijheidsontneming” het navolgende vermeld:
(…)
“In het kader van de oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregel is afgewogen of op de vreemdeling een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Vastgesteld wordt dat de oplegging van de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit
grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven.
De door de vreemdeling aangevoerde de feiten of omstandigheden aangevoerd, te weten:
Betrokkene heeft aangegeven dat hij beter zelfmoord kan plegen dan is het maar klaar.
Verder geeft betrokkene aan dat hij lijd aan autisme. depressie, dyscalculie. adhd, sociale angst en genderdysforie. Verder neemt hij alles trager op. Betrokkene heeft geen problemen tegen tijdelijke insluiting op het aanmeldcentrum.
(zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwaarlijk omdat:
Er is betrokkene medegedeeld dat erop het JCS aanmeldcentrum een medisch centrum aanwezig is welke de medische situatie van voornoemde vreemdeling kan beoordelen.
Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken.”
(…)
11. De rechtbank acht deze motivering volstrekt ontoereikend. Indien daartoe aanleiding bestaat moet voorafgaand aan oplegging van de maatregel de medische situatie van de vreemdeling worden beoordeeld en niet pas na oplegging van de maatregel in het JCS. Aan de opmerking van eiser dat hij geen problemen tegen tijdelijke insluiting heeft komt geen gewicht toe. De minister moet er bij wijze van uitgangspunt van uitgaan dat iedereen zijn vrijheid prefereert boven een vrijheidsontnemende maatregel. In het uitzonderlijke geval dat iemand akkoord lijkt te gaan met oplegging van de maatregel omdat hij aan de buitengrens een asielverzoek indient, dient de minister zich rekenschap te geven van de omstandigheden waarin deze persoon zich bevindt en van zijn persoonlijke omstandigheden. Dit geldt te meer als de indruk wordt gewekt dat het opleggen van de maatregel aan de buitengrens een ‘standaardprocedure’ is. De verklaringen van eiser over zijn gezondheidssituatie vereisen een concreet hierop toegespitste motivering over waarom niet is volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze motivering ontbreekt en dit maakt de maatregel onrechtmatig. De rechtbank merkt hierbij op dat in het proces-verbaal waarnaar is verwezen, de standaardtekstblokken over ‘de zorg binnen is gelijkwaardig aan de zorg buiten” en “bij psychiatrische problematiek is gespecialiseerde zorg binnen aanwezig en anders kan er worden uitgeplaatst” zijn opgenomen. De zinnen “betrokkene heeft aangegeven dat zijn gezondheidstoestand te wensen overlaat omdat hij last heeft van” en “Tijdens het aan de vrijheidsontnemende maatregel voorafgaande gehoorde heeft de vreemdeling onder meer gewezen op zijn psychiatrische problematiek omdat hij last heeft van” zijn echter niet afgemaakt. De verklaring van eiser over zijn problematiek is niet benoemd. Daargelaten dat de motivering omtrent het afzien van een lichter middel in de maatregel moet worden opgenomen en niet in een proces-verbaal van verhoor, kan de rechtbank daarom niet controleren of en in hoeverre bij het opleggen van de maatregel gewicht is toegekend aan de aandoeningen en gezondheidssituatie van eiser.
12. De rechtbank merkt in dit verband tot slot op dat eiser ter zitting, op vragen van de rechtbank, onder meer heeft verklaard dat hij reeds twee jaar bezig is met een medische transitie en onder meer daar voor hormoontherapie heeft. Eiser heeft ter zitting documenten getoond waaruit dit zou volgen. Op verdere vragen van de rechtbank heeft eiser verklaard dat door de oplegging van de maatregel zijn therapie is onderbroken en hij daarvan reeds nu gevolgen ondervindt. Hij heeft vastgesteld dat zijn gezichtsbeharing terugkomt en dat de aanmaak van testosteron tot mentale problemen leidt, welke veroorzaakt worden door zowel een fysieke reactie als door de zorgen die hij heeft vanwege de onderbreking van de hormoontherapie omdat een aantal gevolgen van deze onderbreking, zo vreest eiser, blijvend zal zijn. Eiser heeft verklaard dat hij dit in het JCS heeft besproken met een verpleegkundige die hem heeft medegedeeld dat de arts bij hem zou langskomen. Ten tijde van het onderzoek ter zitting is eiser nog niet gezien door de inrichtingarts. De rechtbank overweegt dat de minister door zo te handelen zijn zorgplicht jegens eiser heeft geschonden. Eiser is volledig van de minister afhankelijk voor zijn medische en andere zorg. Eiser heeft verklaard autistisch te zijn en alles trager op te nemen. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid die de minister draagt nog groter is omdat de minister niet kan aannemen dat eiser uit eigen beweging nadere zorg vraagt als hem wordt medegedeeld dat de arts met hem komt praten. De minister is niet onwetend van de medische situatie van eiser want het verzoek van eiser om niet met een man in een cel te worden geplaatst is gehonoreerd. In het “formulier ter voorbereiding asielaanvraag” is bovendien opgenomen dat eiser onder meer het navolgende heeft verklaard:
(…)
Opmerking rapporteur: Betrokkene licht toe dat hij geboren is als man, maar zich identificeert als vrouw. Hij voelt zich aangetrokken tot vrouwen. Nu heeft hij dus niet alleen problemen vanwege zijn gender, maar ook vanwege zijn seksuele gerichtheid.
(…)
U woont in een asielzoekerscentrum (AZC) tijdens uw asielprocedure. Hebt u speciale hulp nodig in de opvang, zodat u daar veilig kunt wonen? Bijvoorbeeld door uw gezondheid of gender.
Ik heb twee verzoeken. Ik krijg hormoon therapie. Ik wil dat met een dokter bespreken. Ik heb die hormonen nodig. Ik wil daarnaast alleen geplaatst worden in een cel. Het kan echt leiden tot grote problemen als ik met een man of een vrouw wordt geplaatst. Dat is omdat ik borsten heb.
Even voor mijn duidelijkheid. Kreeg u al hormoontherapie in Barbados, of wilt u dat beginnen in Nederland?
Ik kreeg het in Barbados, maar ik kreeg het niet op een legale manier. Transgenders worden niet erkend in Barbados. Ik wilde mijn medicijnen niet meenemen, want dan zou ik een risico lopen om mijn arts in de problemen te brengen, maar ook mijzelf.
Aangezien u al met de therapie begonnen bent, bestaat er een kans dat u deze mag voortzetten. Dan zult u wel met bewijzen moeten komen dat u al begonnen bent met deze behandeling. U komt dan waarschijnlijk in aanmerking voor de zogenoemde coulanceregeling. Als u nog niet met de behandeling bent begonnen, zal dit zeer waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Nogmaals, ik doe hier geen toezeggingen.
Ik snap het.
Met betrekking tot uw cel, hierin kan ik minder voor u betekenen. U bent afhankelijk van de instroom. Als die hoog is, kunnen wij niet iedereen een privé cel beloven. Ik zal dat nog even navragen. In het AZC zou u wel met mensen geplaatst kunnen worden die uw situatie respecteren en begrijpen, maar een privékamer is daar niet waarschijnlijk.
Zou ik met een transgender kunnen worden geplaatst?
(…)
13. Ten tijde van het onderzoek ter zitting was eiser niet in staat gesteld om in een AZC te wonen tijdens zijn procedure. De minister was voorafgaand aan opleggen van de grensdetentiemaatregel en gedurende de tenuitvoerlegging van de grensdetentiemaatregel op de hoogte van de hiervoor benoemde persoonlijke omstandigheden. Doordat de minister passief is gebleven bij het aanbieden van de noodzakelijke zorg en therapie, is de hormoontherapie die eiser gedurende geruime tijd volgt onderbroken en heeft de minister zijn zorgplicht ernstig geschonden. De rechtbank concludeert dat de wijze van tenuitvoerlegging een schending van het grondrecht op privéleven van eiser vormt en de rechtbank, als bewaringsrechter, dan ook niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om dit bij de rechtmatigheidsbeoordeling te betrekken. Het indienen van een klacht bij de beklagcommissie kan immers niet tot het beëindigen van deze onrechtmatige situatie leiden. De wijze waarop de maatregel ten uitvoer wordt gelegd is dan ook een zelfstandige reden om de maatregel onrechtmatig te achten en daarom op te heffen.
14. De maatregel is dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en de wijze van tenuitvoerlegging is in strijd met het recht op privéleven van eiser. Deze drie redenen leiden alle drie op zichzelf tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is.
14. Omdat de oplegging van de maatregel reeds vanwege het voorgaande van aanvang af als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, zal de rechtbank de overige rechtmatigheidsaspecten niet beoordelen.
14. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.
17. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij 1 punt toekennen voor het verschijnen ter zitting. De kennisgeving van de bewaring wordt weliswaar gelijkgesteld met een beroep. Het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet evenwel op een vergoeding van verrichte proceshandelingen en de wetgever heeft bepaald dat er geen proceshandeling hoeft te worden verricht om een rechtmatigheidsbeoordeling van een bewaringsmaatregel te verkrijgen omdat de minister de rechtbank in kennis moet stellen van de oplegging van de maatregel.
18. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € € 1.320,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 augustus 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.