Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22371
2026-07-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.38465
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
grensdetentie. artikel 6, derde lid, Vw. Maatregel opgeheven. Vermelde reden voor opheffing onjuist. Kan geen rechten aan ontlenen. M113 geen besluit. Geen lichter middel ivm oom in Nederland. Ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:19 Raad van State 08-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:232 Raad van State 28-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:273 Raad van State 28-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1409 Raad van State 02-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.142 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel met ingang van 12 juli 2026 opgeheven. De rechtbank heeft hierop aan de gemachtigde van eiseres gevraagd of eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep. De gemachtigde van eiseres heeft hierop bevestigend gereageerd waarna de minister ook heeft gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 met behulp van een telefonische verbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiseres voert aan dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is. In de M113 staat namelijk dat de reden voor opheffing is dat er een motiveringsgebrek zit in de maatregel. Dit gebrek bestond daarmee reeds bij het opleggen van de maatregel.
4.1.
De minister is het hier niet mee eens en stelt in dit verband het volgende. De reden voor opheffing die in de M113 staat is onjuist. Van een motiveringsgebrek was geen sprake. De maatregel is opgeheven omdat op dat moment, ten onrechte, werd aangenomen dat bij de afweging of een lichter middel moest worden toegepast de door eiseres benoemde oom had moeten worden betrokken. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt echter dat van eiseres verwacht mag worden dat zij zelf aangeeft dat de aanwezigheid van de oom in Nederland een bijzondere omstandigheid is die moet leiden tot een lichter middel. Dat heeft eiseres niet gedaan. Bovendien ging het in die uitspraak van de Afdeling om een eerstegraads bloedverwantschap. Die situatie doet zich hier niet voor. Daarom is in de maatregel voldoende gemotiveerd dat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit volgt dat een lichter middel moet worden toegepast. Achteraf bezien is de maatregel door de minister dan ook ten onrechte op 12 juli 2026 opgeheven. Los hiervan stelt de minister dat van een onjuiste motivering in de M113 geen rechtsgevolg uitgaat nu de M113 een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De minister wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2025. De maatregel was daarom niet van aanvang af onrechtmatig en er bestaat geen aanleiding voor een schadevergoeding.
4.2.
Eiseres heeft ter zitting haar standpunt gehandhaafd. Als de minister bij de opheffing aangeeft dat de omstandigheid dat eiseres een oom heeft in Nederland ten onrechte niet bij de maatregel is betrokken, dan is de maatregel daarmee van meet af onrechtmatig. Volgens eiseres gaat de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025 niet op, omdat in het nieuwe model van grensbewaring de vraag of er familie is in Nederland nadrukkelijk wordt gesteld in het kader van de vraag of een lichter middel moet worden toegepast. Dat staat ook zo expliciet in het gehoor van eiseres voorafgaand aan het opleggen van de maatregel.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 28 januari 2025 heeft geoordeeld dat de M113 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij is overwogen dat de minister heeft toegelicht dat de M113 dient als interne kennisgeving om de betrokken ketenpartners te laten weten dat de bewaring is opgeheven. Daarom kan dit document, zoals soms gebeurt, eventueel ook achteraf worden opgesteld, bijvoorbeeld na een uitzetting. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de M113 ook niet gelijkgesteld moet worden met een besluit. De rechtsbescherming in het kader van de opheffing is gewaarborgd, omdat de vreemdeling in een (vervolg)beroep tegen de maatregel om opheffing kan vragen of over het moment van een opheffing kan klagen. Volgens de Afdeling heeft de wetgever het opheffen van de bewaring gezien als feitelijke handeling. Het opmaken van de M113 is niet een constitutief vereiste voor het opheffen van de bewaring.
4.3.1.
Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan een in de M113 gegeven motivering die achteraf door de minister als onjuist wordt gezien. Er kan dus niet gezegd worden dat de minister gehouden moet worden aan die in de M113 gegeven motivering en dus reeds daarom de maatregel van aanvang af onrechtmatig was en de minister een schadevergoeding is verschuldigd.
4.3.2.
Dit laat onverlet dat, zoals de Afdeling ook heeft geoordeeld in een andere uitspraak van 28 januari 2025, van de minister wel mag worden verwacht dat hij bij het invullen van het model M113 de nodige zorgvuldigheid betracht. Nu de minister erkent dat de daarin gegeven motivering achteraf niet juist is, kan niet gezegd worden dat de minister bij het invullen van de M113 in het geval van eiseres de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit echter geen gevolgen. Daarbij is van belang dat de in de M113 vermelde datum van opheffing van 12 juli 2026 ook de datum is waarop de maatregel van eiseres feitelijk is opgeheven. Verder heeft eiseres die datum ter discussie kunnen stellen door haar beroep tegen de maatregel te handhaven, hetgeen zij ook heeft gedaan. De rechtbank zal nu dan ook beoordelen of de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Uit het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel volgt dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat een lichter middel moet worden toegepast. In dat kader zijn eiseres verschillende vragen gesteld, waaronder de vraag of zij in Nederland familieleden heeft. Daarop heeft eiseres aangegeven dat zij een oom in Nederland heeft. Zij heeft toen echter niet aangegeven dat zij bij haar oom wil verblijven en dat daarom een lichter middel moet worden toegepast of dat de vrijheidsontnemende maatregel haar belemmert in het contact met haar oom. Aan het eind van het gehoor is aan eiseres meegedeeld dat er geen redenen zijn voor het toepassen van een lichter middel en daarop heeft eiseres aangegeven geen behoefte te hebben aan een reactie. Net als in de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, betoogt de minister terecht dat hij in deze situatie, waarin eiseres niet verklaart op welke wijze de vrijheidsontnemende maatregel haar belemmert in het contact met haar familie, niet nader hoeft te motiveren waarom het hebben van die familie zou moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Bovendien gaat het hier om een relatie tot een oom en niet om een relatie tot een eerstegraads familielid zoals in de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Wat eiseres naar voren heeft gebracht over het nieuwe model, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Tot slot het volgende. De rechtbank stelt vast de maatregel is opgelegd door de ambtenaar belast met de grensbewaking. Dit is overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de ambtenaar het bevoegde bestuursorgaan is als het gaat om het opleggen van de maatregel van grensdetentie. De vraag die opkomt is of de minister vervolgens bevoegd is de maatregel op te heffen. Het gaat immers om een maatregel die hij niet zelf heeft opgelegd. Hoewel dit staande praktijk is, lijkt dit onjuist. Voor eiseres heeft dit geen gevolgen. Voor haar is enkel van belang dat de maatregel is opgeheven en dat zij haar asielprocedure in vrijheid kan afwachten. Voor het oordeel dat de maatregel niet had mogen worden opgelegd of eerder had moeten worden opgeheven bestaat, zoals hiervoor is overwogen, geen grond.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:19.
ECLI:NL:RVS:2025:232.
ECLI:NL:RVS:2025:273.
Zie noot 1.
ECLI:NL:RVS:2025:1409.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel met ingang van 12 juli 2026 opgeheven. De rechtbank heeft hierop aan de gemachtigde van eiseres gevraagd of eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep. De gemachtigde van eiseres heeft hierop bevestigend gereageerd waarna de minister ook heeft gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 met behulp van een telefonische verbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiseres voert aan dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is. In de M113 staat namelijk dat de reden voor opheffing is dat er een motiveringsgebrek zit in de maatregel. Dit gebrek bestond daarmee reeds bij het opleggen van de maatregel.
4.1.
De minister is het hier niet mee eens en stelt in dit verband het volgende. De reden voor opheffing die in de M113 staat is onjuist. Van een motiveringsgebrek was geen sprake. De maatregel is opgeheven omdat op dat moment, ten onrechte, werd aangenomen dat bij de afweging of een lichter middel moest worden toegepast de door eiseres benoemde oom had moeten worden betrokken. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt echter dat van eiseres verwacht mag worden dat zij zelf aangeeft dat de aanwezigheid van de oom in Nederland een bijzondere omstandigheid is die moet leiden tot een lichter middel. Dat heeft eiseres niet gedaan. Bovendien ging het in die uitspraak van de Afdeling om een eerstegraads bloedverwantschap. Die situatie doet zich hier niet voor. Daarom is in de maatregel voldoende gemotiveerd dat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit volgt dat een lichter middel moet worden toegepast. Achteraf bezien is de maatregel door de minister dan ook ten onrechte op 12 juli 2026 opgeheven. Los hiervan stelt de minister dat van een onjuiste motivering in de M113 geen rechtsgevolg uitgaat nu de M113 een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De minister wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2025. De maatregel was daarom niet van aanvang af onrechtmatig en er bestaat geen aanleiding voor een schadevergoeding.
4.2.
Eiseres heeft ter zitting haar standpunt gehandhaafd. Als de minister bij de opheffing aangeeft dat de omstandigheid dat eiseres een oom heeft in Nederland ten onrechte niet bij de maatregel is betrokken, dan is de maatregel daarmee van meet af onrechtmatig. Volgens eiseres gaat de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025 niet op, omdat in het nieuwe model van grensbewaring de vraag of er familie is in Nederland nadrukkelijk wordt gesteld in het kader van de vraag of een lichter middel moet worden toegepast. Dat staat ook zo expliciet in het gehoor van eiseres voorafgaand aan het opleggen van de maatregel.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 28 januari 2025 heeft geoordeeld dat de M113 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij is overwogen dat de minister heeft toegelicht dat de M113 dient als interne kennisgeving om de betrokken ketenpartners te laten weten dat de bewaring is opgeheven. Daarom kan dit document, zoals soms gebeurt, eventueel ook achteraf worden opgesteld, bijvoorbeeld na een uitzetting. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de M113 ook niet gelijkgesteld moet worden met een besluit. De rechtsbescherming in het kader van de opheffing is gewaarborgd, omdat de vreemdeling in een (vervolg)beroep tegen de maatregel om opheffing kan vragen of over het moment van een opheffing kan klagen. Volgens de Afdeling heeft de wetgever het opheffen van de bewaring gezien als feitelijke handeling. Het opmaken van de M113 is niet een constitutief vereiste voor het opheffen van de bewaring.
4.3.1.
Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan een in de M113 gegeven motivering die achteraf door de minister als onjuist wordt gezien. Er kan dus niet gezegd worden dat de minister gehouden moet worden aan die in de M113 gegeven motivering en dus reeds daarom de maatregel van aanvang af onrechtmatig was en de minister een schadevergoeding is verschuldigd.
4.3.2.
Dit laat onverlet dat, zoals de Afdeling ook heeft geoordeeld in een andere uitspraak van 28 januari 2025, van de minister wel mag worden verwacht dat hij bij het invullen van het model M113 de nodige zorgvuldigheid betracht. Nu de minister erkent dat de daarin gegeven motivering achteraf niet juist is, kan niet gezegd worden dat de minister bij het invullen van de M113 in het geval van eiseres de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit echter geen gevolgen. Daarbij is van belang dat de in de M113 vermelde datum van opheffing van 12 juli 2026 ook de datum is waarop de maatregel van eiseres feitelijk is opgeheven. Verder heeft eiseres die datum ter discussie kunnen stellen door haar beroep tegen de maatregel te handhaven, hetgeen zij ook heeft gedaan. De rechtbank zal nu dan ook beoordelen of de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Uit het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel volgt dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat een lichter middel moet worden toegepast. In dat kader zijn eiseres verschillende vragen gesteld, waaronder de vraag of zij in Nederland familieleden heeft. Daarop heeft eiseres aangegeven dat zij een oom in Nederland heeft. Zij heeft toen echter niet aangegeven dat zij bij haar oom wil verblijven en dat daarom een lichter middel moet worden toegepast of dat de vrijheidsontnemende maatregel haar belemmert in het contact met haar oom. Aan het eind van het gehoor is aan eiseres meegedeeld dat er geen redenen zijn voor het toepassen van een lichter middel en daarop heeft eiseres aangegeven geen behoefte te hebben aan een reactie. Net als in de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, betoogt de minister terecht dat hij in deze situatie, waarin eiseres niet verklaart op welke wijze de vrijheidsontnemende maatregel haar belemmert in het contact met haar familie, niet nader hoeft te motiveren waarom het hebben van die familie zou moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Bovendien gaat het hier om een relatie tot een oom en niet om een relatie tot een eerstegraads familielid zoals in de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Wat eiseres naar voren heeft gebracht over het nieuwe model, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Tot slot het volgende. De rechtbank stelt vast de maatregel is opgelegd door de ambtenaar belast met de grensbewaking. Dit is overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de ambtenaar het bevoegde bestuursorgaan is als het gaat om het opleggen van de maatregel van grensdetentie. De vraag die opkomt is of de minister vervolgens bevoegd is de maatregel op te heffen. Het gaat immers om een maatregel die hij niet zelf heeft opgelegd. Hoewel dit staande praktijk is, lijkt dit onjuist. Voor eiseres heeft dit geen gevolgen. Voor haar is enkel van belang dat de maatregel is opgeheven en dat zij haar asielprocedure in vrijheid kan afwachten. Voor het oordeel dat de maatregel niet had mogen worden opgelegd of eerder had moeten worden opgeheven bestaat, zoals hiervoor is overwogen, geen grond.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:19.
ECLI:NL:RVS:2025:232.
ECLI:NL:RVS:2025:273.
Zie noot 1.
ECLI:NL:RVS:2025:1409.