Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22367

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43353
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43353
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, verlengingsbesluit, gronden deugdelijk gemotiveerd, eiser onderneemt geen aantoonbare acties om aan vervangende documenten te komen, lopende Nigeriaans onderzoek, geen lichter middel, voortvarend en zicht op uitzetting, de minister zal voortaan ook op individueel dossierniveau moeten rappelleren, beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.904 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43353


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,




Procesverloop


1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.


1.1.
Omdat eiser op 2 augustus 2026 zes maanden in bewaring zit, heeft de minister op 21 juli 2026 op grond van artikel 59 van de Vw een verlengingsbesluit genomen en de bewaring van eiser met ingang van 3 augustus 2026 met ten hoogste twaalf maanden verlengd.



1.2.
De rechtbank is hiervan onverwijld in kennis gesteld. Met de kennisgeving is van rechtswege beroep tegen het verlengingsbesluit ingesteld en verzocht om toekenning van schadevergoeding.



1.3.
De minister heeft op 30 juli 2026 een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 3 augustus 2026 beroepsgronden ingediend en daarbij een besluit van 17 april 2026, waarbij zijn verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw is afgewezen, en een medische rapportage van 10 maart 2026 van een BMA-arts overgelegd.



1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 augustus 2026 gesloten.





Overwegingen


2. In de eerste uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, de maatregel van bewaring van 4 februari 2026 rechtmatig geacht. Daarbij heeft de rechtbank al overwogen dat alle gronden - destijds genummerd als 3a, 3c, 3d, 3e, 3i, 4a, 4c en 4d - aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en dat er geen aanleiding bestond om een lichter middel op te leggen. Deze uitspraak staat in rechte vast.



2.1.
De rechtbank heeft de volgberoepen van eiser in de uitspraken van 31 maart 2026, 15 mei 2026 en 3 juli 2026 telkens ongegrond verklaard. In het laatste volgberoep is het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten. Uit die uitspraak blijkt tevens dat de minister had aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna een lp door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven, zonder dat een presentatie nodig is.


3. De rechtbank zal in deze uitspraak beoordelen of het verlengingsbesluit rechtmatig is en beoordelen of de voortduring van de bewaring vanaf 2 juli 2026 tot sluiting van het onderzoek op 4 augustus 2026 rechtmatig en gerechtvaardigd is.




3.1.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.


4. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan het verlengingsbesluit terecht de gronden a, b, c, d, h, p, r en s ten grondslag heeft gelegd en dat deze deugdelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank volstaat hier met te verwijzen naar de motivering van de minister op pagina 2 tot en met 4 van het verlengingsbesluit.




4.1.
Uit de motivering van de gronden, de verslagen van de vertrekgesprekken en de voortgangsrapportage blijkt dat eiser volstrekt niet meewerkt aan zijn verwijdering. Hij legt geen originele documenten over en onderneemt geen aantoonbare acties om aan vervangende documenten te komen. Hoewel hij aanwezig is op de vertrekgesprekken, geeft hij telkens aan niet te willen terugkeren naar Nigeria. Ook weigert eiser mee te werken aan de presentaties bij de Nigeriaanse autoriteiten.


4.2.
Zoals de minister in het volgberoep al kort had aangegeven, blijkt uit de motivering van het verlengingsbesluit dat op 30 april 2026 uit Nigeriaans onderzoek is gebleken dat eiser voorkomt in het paspoortenregister met een paspoortnummer, maar dat de Nigeriaanse autoriteiten nader onderzoek dienen te verrichten omdat een pasfoto ontbreekt. De minister is nog steeds in afwachting van de resultaten van dit onderzoek.



4.3.
Gezien het voorgaande is derhalve voldaan aan de voorwaarden van het nemen van een verlengingsbesluit. De verwijdering van eiser zal immers, alle redelijke inspanningen ten spijt, meer tijd vergen, omdat eiser niet meewerkt aan zijn verwijdering en de daarvoor benodigde documentatie van de Nigeriaanse autoriteiten nog ontbreekt.

5. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister, gezien de aan eiser tegengeworpen gronden, terecht geen lichter middel heeft opgelegd. Daarbij speelt de constante weigerachtige houding van eiser een doorslaggevende rol. Verder zijn de verklaringen van eiser over dat hij in Nigeria gevaar loopt, asielgerelateerd en worden deze in deze procedure niet beoordeeld. Eiser geeft verder aan dat hij ziek is en geen goede behandeling krijgt in het detentiecentrum. Dat eiser ziek is en kampt met zelfmoordneigingen blijkt voldoende uit de door eiser overgelegde medische rapportage van een BMA-arts van 10 maart 2026, waar de minister in het verleningsbesluit ook op heeft gewezen. In deze rapportage is onder meer geconcludeerd dat er ten aanzien van eisers psychische klachten geen medische noodsituatie is op korte termijn en dat eiser pas kan reizen wanneer er een fysieke overdracht naar een psychiatrische instelling is geregeld en aan de reisvoorwaarden is voldaan. Eisers gemachtigde heeft in deze procedure daarop eveneens gewezen. Uit dit medisch advies kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser detentieongeschikt geworden is. Eisers enkele mededeling dat het hem zwaar valt is daarvoor ook onvoldoende. Verder is de enkele stelling van eiser dat hij geen goede behandeling krijgt in het detentiecentrum niet onderbouwd en zijn daarvoor ook geen aanknopingspunten te vinden in het dossier.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De minister heeft op 16 juli 2026 schriftelijk gerappelleerd en op 21 en 30 juli 2026 vertrekgesprekken met eiser gehouden.



6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat er op dit moment nog steeds sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De minister geeft terecht aan van de Nigeriaanse autoriteiten afhankelijk te zijn. Verder heeft de minister aangegeven te verwachten dat op korte termijn een lp zal worden verkregen. Gezien de informatie van de Nigeriaanse autoriteiten op 30 april 2026 dienaangaande, valt inderdaad te verwachten dat op korte termijn een lp zal kunnen worden afgegeven. De rechtbank acht dit op dit moment voldoende om zicht op uitzetting binnen redelijke termijn aan te nemen.

7. Gelet op het voorgaande en wat onder 6.1. is overwogen, overweegt de rechtbank verder dat de minister in de periode hierna niet meer met alleen een schriftelijk rappel kan volstaan. De rechtbank geeft de minister dan ook mee om voortaan ook op individueel dossierniveau bij de Nigeriaanse autoriteiten te rappelleren en na te gaan binnen welke termijn het onderzoek door de Nigeriaanse autoriteiten zal zijn afgerond.

8. De rechtbank ziet ook verder geen gronden voor het oordeel dat het verlengingsbesluit dan wel de voortduring van de bewaring niet rechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.


ECLI:NL:RBDHA:2026:7300,


ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.


ECLI:NL:RBDHA:2026:18268.


Laissez-passer.