Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22366

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43355
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43355
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, eerste beroep, Tunesische, 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw, gronden maatregel deugdelijk gemotiveerd, geen lichter middel, voorvarend en zicht op uitzetting, vlucht geboekt, beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.763 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43355


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Loth),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).




Procesverloop


1. Bij besluit van 30 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.



1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, door middel van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam en heeft zich aldaar laten bijstaan door zijn gemachtigde. Op zitting zijn aanwezig geweest de tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.




Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging
binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van de vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.



Voortraject


4. Eiser heeft het voortraject niet bestreden. Daardoor staat in rechte vast dat het voortraject niet onrechtmatig is geweest.



Grondslag


5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en gelet daarop de maatregel op de juiste grondslag is opgelegd. Eiser heeft immers op 5 december 2025 een terugkeerbesluit (en een inreisverbod voor de duur van twee jaar) opgelegd gekregen. Eiser heeft Nederland echter niet verlaten. Eisers mededeling op zitting dat hij niet begrijpt dat hij terug moet naar Tunesië, omdat hij al 18 jaar in Italië heeft verbleven, treft geen doel. Zoals de minister op zitting terecht heeft opgemerkt heeft eiser ook in Italië geen verblijfsvergunning. Eiser valt derhalve onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen.



Gronden


6. De minister heeft de gronden j en q op zitting ingetrokken.



6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden a, b, h, n, p, r en s deugdelijk heeft gemotiveerd en terecht aan eiser heeft tegengeworpen: (a) Eiser beschikt niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb en heeft ook geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf. Verder is eiser op 22 december 2025 met onbekende bestemming (mob) vertrokken; (b) Eiser heeft op 5 december 2025 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven; (h) Eiser heeft aangegeven niet uit eigen beweging te vertrekken. Hoewel eiser heeft aangegeven wel met hulp van het IOM te willen vertrekken, is deze hulp niet van de grond gekomen door het gedrag van eiser. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 3 augustus 2026 blijkt dat het IOM meerdere gesprekken met eiser heeft gehad, dat eiser daarbij voorwaarden stelt aan de bedragen die hij zal ontvangen, waaraan het IOM geen gehoor kan geven. Dat het IOM onder deze omstandigheden eiser niet kan bijstaan, komt voor rekening en risico van eiser; (n) Eiser heeft zich niet gehouden aan de aan hem opgelegde maatregel op grond van art. 56 van de Vw; (p) Eiser beschikt niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb en heeft geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Ook heeft eiser Nederland niet uit eigen beweging verlaten binnen de in artikel 62 van de Vw bepaalde tijd. Eiser is ook mob gegaan; (r) Eiser staat niet ingeschreven in de BRP; (s) Eiser beschikt niet over eigen zelfstandige middelen van bestaan.



Lichter middel


7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Verder faalt de beroepsgrond van eiser dat de minister niet deugdelijk zou hebben gemotiveerd waarom er geen lichter middel is toegepast. De rechtbank acht de motivering in de maatregel, waarbij de minister wijst op de aan eiser tegengeworpen gronden en tevens ingaat om de medische situatie en de aanwezigheid van de medische dienst in het detentiecentrum, voldoende deugdelijk. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2026, treft geen doel, omdat het geen vergelijkbare zaak betreft. In die zaak had de vreemdeling wel een afspraak, maar nog geen gesprek gehad met het IOM, terwijl eiser wel gesprekken heeft gehad met het IOM en het IOM aan eiser geen hulp kon bieden vanwege eiser zijn toedoen.



Voortvarendheid en zicht op uitzetting naar Tunesië


8. De minister werkt voortvarend aan de uitzetting van eiser. Met eiser is een vertrekgesprek gevoerd en ter zitting is door de minister aangegeven dat er voor eiser een vlucht naar Tunesië is geboekt op 13 augustus 2026. Daarmee is ook het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn gegeven. Er zijn verder geen aanknopingspunten dat eiser niet uitzetbaar zal zijn.

9. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De minister heeft een deugdelijke non-refoulementbeoordeling gemaakt en eiser zit niet langer dan zes maanden in bewaring.




Conclusie


10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Vreemdelingenwet 2000.


Vreemdelingenbesluit 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2026:20726.