Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22365

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43589
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43589
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, volgberoep, Gambiaanse, vaststelling toetsingsperiode, voortvarend en zicht op uitzetting, deugdelijke verzwaarde belangenafweging, beroep ongegrond.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.358 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43589

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).




Procesverloop


1. De minister heeft op 15 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.



1.1.
De minister heeft op 3 augustus 2026 kennisgegeven van het feit dat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. De minister heeft daarbij een voortgangsrapportage overgelegd.



1.2.
Eiser heeft op 6 augustus 2026 beroepsgronden aangevoerd en daarbij verzocht om schadevergoeding.



1.3.
De minister heeft stukken aan het digitale dossier toegevoegd, waarna eiser zijn beroepsgronden heeft ingetrokken en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.





Overwegingen


2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.



2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 mei 2026 (in de zaak NL26.27022) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 mei 2026 dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.



2.2.
Nadien heeft eiser op 22 juli 2026 beroep ingesteld (zaaknummer NL26.41099), maar dat beroep is op 28 juli 2026 weer ingetrokken. Omdat er in die zaak nog geen rechterlijke beoordeling is geweest, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige procedure bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring moet worden uitgegaan van de periode sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek door de rechter in de eerste zaak. Dat betekent dat het in deze zaak gaat om een beoordelingsperiode van 22 mei 2026 tot 7 augustus 2026.


3. De rechtbank is van oordeel dat de voortduring van de bewaring nog steeds rechtmatig is.




3.1.
De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangrapportage blijkt dat met eiser op 24 juni 2026 en 6 juli 2026 vertrekgesprekken zijn gevoerd. Daarnaast heeft de minister op 4 en 26 juni 2026 en 16 juli 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Gambiaanse autoriteiten. Ook heeft de minister een deugdelijke verzwaarde belangenafweging verricht waarin terecht is betrokken dat de LP-aanvraag nog steeds bij de Gambiaanse autoriteiten in onderzoek is en eiser geen medewerking verleend aan de vaststelling van zijn identiteit/nationaliteit dan wel zijn terugkeer. Eiser heeft bovendien geweigerd mee te werken aan de presentatie op 30 juni 2026. Mede daarom is het zicht op uitzetting op redelijke termijn nog steeds aanwezig. Voor het opleggen van een lichter middel zijn ook nog steeds geen gronden aanwezig. De enkele omstandigheid dat eiser medische problemen ervaart is in dit verband onvoldoende. De minister heeft er in zijn verzwaarde belangenafweging terecht op gewezen dat de medische dienst in het detentiecentrum voor eiser toegankelijk en toereikend is en dat er geen andere omstandigheden zijn waaruit zou blijken dat de bewaring van eiser onredelijke bezwarend is geworden. De rechtbank ziet ook geen andere aanknopingspunten voor het oordeel dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


Laissez-passer.