Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22353
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.51155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asielaanvraag – Eritrea – militaire dienst geloofwaardig – illegale uitreis onvoldoende weerlegd door verweerder – desertie - arrest Ebilum – de rechtbank voorziet zelf in de zaak – asielvergunning verleend – beroep gegrond.
Citeert (11)
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19418 Rechtbank Den Haag 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4602
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2024:122
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19096 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:EU:C:2024:195
- ECLI:EU:C:2024:122
- ECLI:NL:RVS:2022:1623 Raad van State 08-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.543 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1981 en is in het bezit van de Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 13 mei 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij 15 jaar werkzaam is geweest binnen de militaire dienst in Eritrea.
Hij heeft bij een bouwbedrijf gewerkt en was gestationeerd op Dahlak eiland. In het kader van zijn werk moest eiser naar Barentu gaan. Hij heeft toen de mogelijkheid gezien om te vluchten. Eiser heeft uiteindelijk Eritrea verlaten, waarbij hij stelt dat dit illegaal is verlopen. Bij terugkeer naar Eritrea vreest hij om gevangen gezet te worden vanwege zijn illegale uitreis en zijn desertie.
Standpunt verweerder
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Daarnaast acht verweerder geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest binnen de militaire dienst, maar niet dat hij Eritrea illegaal is uitgereisd en daarmee is gedeserteerd. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De door eiser geschetste gang van zaken komt volgens verweerder niet overeen met informatie uit openbare bronnen. Uit het AA Eritrea van december 2023 volgt dat personen in de nationale dienstplicht een reisvergunning nodig hebben bij binnenlandse reizen en dat daar streng op wordt gecontroleerd. Daarnaast blijkt uit openbare bronnen, volgens verweerder, dat doorgang op deze manier of het verkrijgen van een reisvergunning alleen kan door middel van het betalen van smeergeld. Verweerder acht de verklaringen van eiser over de busreis niet aannemelijk, nu hij niet in het bezit was van een reisvergunning of smeergeld heeft betaald. Ook de gestelde route die eiser heeft afgelegd acht verweerder niet aannemelijk. Daarnaast wordt wat eiser heeft verklaard over de gevangenhouding van zijn vrouw ongeloofwaardig geacht. Verweerder gaat er dan ook van uit dat eiser legaal Eritrea heeft verlaten, geen deserteur is en daarom niet te vrezen heeft bij terugkeer.
Standpunt eiser
3. Eiser stelt in beroep dat hij een geloofwaardig asielrelaas heeft dat niet innerlijk tegenstrijdig is op cruciale punten en past in het beeld dat bestaat omtrent het land van herkomst. Hij erkent dat hij niet beschikte over een reisvergunning en ook geen smeergeld heeft betaald. Dat in het algemeen ambtsbericht in algemene zin staat dat een reisvergunning noodzakelijk is, impliceert volgens eiser niet dat het individuele relaas onjuist is. Hij heeft de instructies van zijn zwager opgevolgd en dit was succesvol. Het is hem ook onduidelijk waarom verweerder stelt dat hij 45 kilometer heeft gelopen nadat hij uit de bus is gestapt. Ook bestond de route uit rechte wegen. Dat in het algemeen ambtsbericht staat dat zeer streng gecontroleerd wordt op uitreis staat haaks op de grote aantallen Eritreeërs die het land verlaten. Eiser stelt dat er sprake is van repercussies, nu zijn vrouw een half jaar heeft vastgezeten. Wat hij heeft verklaard hierover is niet tegenstrijdig. Verweerder acht de desertie ten onrechte ongeloofwaardig. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser in militaire dienst zat. Nu hij zich daaraan heeft onttrokken is sprake van desertie. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij terugkeert naar Eritrea. De veiligheidssituatie is daartoe te slecht. Verder is eiser tijdens de militaire dienst behandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij werd twee jaar opgesloten in een ondergrondse cel, werd mishandeld en moest zwaar werk verrichten. Eiser heeft de nationale dienstplicht vervult in een civiele onderdeel, eiser wijst erop dat het landenbeleid voor Eritrea is aangepast bij brief van 1 april 2026, waarbij ook het moeten vervullen van het civiele onderdeel van de nationale dienstplicht gelijk moet worden gesteld aan het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht.
Het oordeel van de rechtbank
Gevolgen van de arresten Quotal en Ebilum voor de beoordeling
4.1.
Op 4 juni 2026 heeft het Hof een tweetal arresten gewezen over de beoordeling door de rechtbank van een ingesteld beroep op een afwijzing van een asielaanvraag door de nationale autoriteiten. Deze arresten zijn ook voor deze zaak van belang.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van verweerder nog steeds het startpunt is voor de beoordeling in beroep. Het is immers ook op grond van de Procedurerichtlijn nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. Deze arresten hebben wel tot gevolg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak. Een dergelijk onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non refoulement. De rechtbank is in haar onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden.
4.3.
Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek.
4.4.
Uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten volgt ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar verweerder, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. De rechtbank kan er ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen verweerder dan nog dient te verrichten. De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. Aangezien ook verweerder geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat verweerder zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest. Indien de rechtbank de motivering van verweerder in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid en/of behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de verweerder in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.
Gevolgen van de arresten voor deze zaak
5.1.
Verweerder heeft de (on)geloofwaardigheid van de desertie gekoppeld aan de (on)geloofwaardigheid van de illegale uitreis. Ook de aannemelijkheid van de vrees is gekoppeld aan de manier waarop eiser Eritrea heeft verlaten. Verweerder heeft in het besluit: (-)de busreis zonder reisvergunning, (-)de verklaringen over zijn zwager en (-)de looproute ten grondslag gelegd aan de conclusie dat de illegale uitreis ongeloofwaardig is.
5.2.
Ter zitting heeft verweerder gezegd de tegenwerping over zijn zwager ‘flauw’ te vinden. Ook de tegenwerpingen over de route zijn geen dragend argument, aldus verweerder ter zitting. De kern van de motivering van verweerder ziet op de reis per openbare bus zonder een reisvergunning. Daartoe is in het voornemen verwezen naar pagina 21 van het AA 2022: “Sinds de uitbraak van het conflict in Tigray is de handhaving van de beperking van bewegingsvrijheid weer sterk toegenomen, ook onder het mom van COVID-19 maatregelen.” De verslagperiode van dit ambtsbericht beslaat de periode november 2020 tot en met april 2022 en benoemt specifieke redenen voor de toename van de handhaving van de reisbeperkingen. Nu eiser in oktober 2023 naar de grens is gereisd kan deze verwijzing niet dienen als motivering voor het standpunt van verweerder over de gevolgde reisroute. Deze sterke toename aan beperking van de bewegingsvrijheid is niet terug te lezen in het AA 2023 waarin juist gesproken wordt van meer bewegingsvrijheid na het staakt het vuren in november 2022. De algemene verwijzing naar pagina 17 en 18 van het AA 2023 motiveert onvoldoende waarom de reiswijze van eiser ongeloofwaardig zou zijn. De verwijzing naar het AA 2013 is verouderd en kan reeds daarom niet ten grondslag liggen aan de motivering van verweerder. Hiertegenover staat dat niet in geschil is dat eiser wel een reisvergunning had voor de reis naar Barentu (waar hij zijn civiele dienstplicht moest vervullen). Eisers stelling dat hij heeft kunnen reizen zonder een reisvergunning door zich voor te doen als behorende tot divisie 48 is niet weerlegd door verweerder met de gegeven motivering. Reizen binnen het werkgebied lijkt mogelijk zonder reisvergunning. De verwijzing in het ambtsbericht ziet erop wanneer de reisvergunning wordt verleend, namelijk bij het verlaten van de stationeringsplaats door de commandant, maar zegt niets over de regio waarbinnen zonder reisvergunning door dienstplichtigen kan worden gereisd. Uit de “ UK Country policy note” blijkt dat het gaat om reizen tussen regio’s. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de busreis binnen het ‘interne’ werkgebied van deze divisie 48 is gebleven, waardoor een reisvergunning niet nodig zou zijn. Ook blijkt uit het AA 2023 dat de strengheid van controles afhankelijk was van bijvoorbeeld feestdagen en had niet elke controlepost de taak om te controleren wie de stad binnen kwamen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een deugdelijke motivering voor het standpunt van verweerder dat de reiswijze per bus zonder reisvergunning ongeloofwaardig is. Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat dit onderdeel de dragende motivering is voor de ongeloofwaardigheid van de illegale uitreis dient het besluit vanwege een motiveringsgebrek te worden vernietigd.
5.3.
De rechtbank ziet, gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek, geen aanleiding om de aanvraag terug te verwijzen naar verweerder, nu niet wordt ingezien welke nadere onderzoekshandelingen verweerder op dit punt nog zou kunnen verrichten. Verweerder heeft immers ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat bijvoorbeeld het opvragen van een individueel ambtsbericht in dit geval niet tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er in de beschikbare algemene landeninformatie onvoldoende concrete of specifieke informatie voorhanden is over de werkwijze en het interne werkgebied van de 48ste divisie om de verklaringen van eiser te kunnen toetsen aan deze openbare bronnen.
5.4.
De rechtbank overweegt voorts dat uit het AA 2023 gelezen in samenhang met analyses van het Migration Policy Institute, naar voren komt dat (illegale) uitreis uit Eritrea, ondanks de strenge controles en reisbeperkingen, nog altijd veelvuldig en op grote schaal plaatsvindt. Uit deze internationale registraties blijkt dat alleen al in het jaar 2023 ongeveer 71.600 Eritreeërs het land hebben verlaten en elders asiel hebben aangevraagd. Gelet op de zeer strenge voorwaarden voor uitreis uit het land is het aannemelijk dat een groot deel van de Eritreeërs die het land verlaten dit illegaal doen. Nu eiser over de details van de busreis consistent heeft verklaard, de feitelijke juistheid van zijn lezing over het reizen onder de dekmantel van de 48ste divisie niet met objectieve gegevens is weerlegd, en nader feitelijk onderzoek door verweerder niet mogelijk is gebleken, op dit punt het voordeel van de twijfel moet worden gegeven en acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser op deze wijze naar de grens heeft kunnen reizen.
5.5.
De overige verklaringen van eiser over zijn illegale uitreis doen voor de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van deze uitreis. Dat de tocht te voet naar de grens lang en gevaarlijk is, maakt deze tocht niet ongeloofwaardig. Het overgrote deel van de Eritrese vluchtelingen steekt via de ongerepte natuur met gevaar voor ontdekking door de grensautoriteiten de grens over met Ethiopië. De rechtbank volgt ook niet dat de genomen route vreemd is. Hoewel Shilalo op de kaart dichterbij de grens lijkt te liggen, is de rechtstreekse afstand tussen Shilalo en de plek waar hij in Ethiopië aankomt (Badme) 44 kilometer hemelsbreed, terwijl de afstand tussen Tokombia en Ethiopië (Badme) is hemelsbreed 40 kilometer. Gelet hierop doen zijn verklaringen op dit punt voor de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid. Bovendien waren deze ook voor verweerder geen dragende punten.
5.6.
Nu de rechtbank de illegale uitreis geloofwaardig acht, staat daarmee voor de rechtbank ook vast dat eiser in ieder geval als deserteur zal worden gezien bij terugkeer naar Eritrea. Voor de beoordeling van de vrees bij terugkeer is het niet meer relevant of de verklaringen van eiser over wat zijn vrouw is overkomen geloofwaardig zijn. Dit blijkt uit het navolgende.
Zelf in de zaak voorzien
6.1.
Hoewel uit de arresten van het Hof blijkt dat lidstaten niet verplicht zijn aan de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om zelf in de zaak te voorzien, en dus kunnen volstaan met een systematiek waarbij de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat een verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt, de zaak terugverwijst naar de beslissingsautoriteit om een besluit overeenkomstig die uitspraak te nemen, mogen de lidstaten die bevoegdheid wel verlenen. In artikel 8:72, derde lid, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan. Uit punt 50 van het arrest Ebilum blijkt dat de rechter overgaat tot het zelf voorzien in de zaak, als hij over voldoende informatie beschikt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium voldaan. Vaststaat dat de rechtbank bevoegd is een eigen oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het verzoek en dat verweerder aan deze oordelen van de rechtbank is gebonden. Verweerder kan dan ook niet van het oordeel van de rechtbank zoals dat in deze einduitspraak is gegeven afwijken. Dat als de rechtbank niet zelf zou voorzien maar de zaak in plaats daarvan terugverwijst, op basis van nieuwe elementen nog een andersluidend besluit zou kunnen nemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Als er sprake is van elementen die een wezenlijk ander licht op de zaak werpen dan kan verweerder alsnog afwijken van het oordeel van de rechtbank en deze nieuwe elementen toelichten in het nieuw te nemen besluit.
6.3.
De identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. De illegale uitreis en daarmee de desertie zijn geloofwaardig. Volgens het thans geldende beleid van verweerder beschouwt verweerder personen die het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank volgt verweerder in deze vaststelling. Dit betekent volgens de rechtbank dat reeds op grond van de thans vastgestelde geloofwaardige elementen eiser voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van een vluchtelingenstatus.
6.4.
De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus per datum van de aanvraag. Verweerder wordt verder opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken.
Proceskosten
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus geniet per datum van zijn aanvraag;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en:
- draagt verweerder op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals deze gold tot 12 juni 2026.
Algemeen Ambtsbericht.
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) en Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum). De rechtbank onderschrijft de samenvatting van deze arresten zoals deze door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem zijn gegeven in haar uitspraak van 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19418, onder rechtsoverweging 5.1. en zittingsplaats Zwolle in haar uitspraak van 28 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4602, onder rechtsoverweging 2.5 t/m 2.13.
Zie artikel 46 Procedurerichtlijn 2013/32/EU en artikel 67 Procedureverordening 2024/1348/EU
Procedurerichtlijn 2013/32/EU en inmiddels de Procedureverordening 2024/1348/EU
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum) punt 40 t/m 54. In het arrest van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) zijn dezelfde overwegingen te vinden, zij het onder een andere nummering.
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 66 in samenhang bezien met de uitspraak van het Hof van 16 juli 2020, EU:C:2020:579 (Addis), punten 71 en 73. via: https://www.bverwg.de/300321U1C41.20.0 en op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19096, r.o. 11.9.
Hof 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 77 en 78.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Alsook in het voornemen.
Algemeen Ambtsbericht mei 2022.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023: “Ze kregen de reisvergunning die ze nodig hadden bij het verlaten van de stationeringsplaats van de commandant van de divisie.” En UK Country policy and information note: national service and illegal exit, Eritrea, December 2025: “Conscripts continued to require a permit to travel domestically. The division commander would issue them the required travel permit when they leave the garrison.”
UK Country policy and information note: national service and illegal exit, Eritrea, December 2025: “Individuals are required to obtain government authorization to move between regions, [..]”.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, pagina 18: “Zo nam het aantal controleposten toe en werden hun controles intensiever tijdens grote nationale evenementen in Asmara of tijdens de geïntensiveerde rekrutering voor de oorlog in Tigray.”
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, pagina 18: “Ook kregen verschillende controleposten verschillende taken opgelegd. Zo moesten sommige controleposten met name controleren of er geen goederen illegaal werden geïmporteerd, en controleerden andere voornamelijk wie er de stad binnenkwamen en of zij de nationale dienstplicht nog moesten vervullen.”
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, paragraaf 1.4.4. ‘Illegale uitreis’.
https://www.migrationpolicy.org/journal/feature/severe-repression-eritrea-has-prompted-decades-exodus.
Het Hof, 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 67.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623, r.o. 4.1.
R.o. 50: “zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling”.
Zie punt 60 van het arrest Ebilum.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1981 en is in het bezit van de Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 13 mei 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij 15 jaar werkzaam is geweest binnen de militaire dienst in Eritrea.
Hij heeft bij een bouwbedrijf gewerkt en was gestationeerd op Dahlak eiland. In het kader van zijn werk moest eiser naar Barentu gaan. Hij heeft toen de mogelijkheid gezien om te vluchten. Eiser heeft uiteindelijk Eritrea verlaten, waarbij hij stelt dat dit illegaal is verlopen. Bij terugkeer naar Eritrea vreest hij om gevangen gezet te worden vanwege zijn illegale uitreis en zijn desertie.
Standpunt verweerder
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Daarnaast acht verweerder geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest binnen de militaire dienst, maar niet dat hij Eritrea illegaal is uitgereisd en daarmee is gedeserteerd. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De door eiser geschetste gang van zaken komt volgens verweerder niet overeen met informatie uit openbare bronnen. Uit het AA Eritrea van december 2023 volgt dat personen in de nationale dienstplicht een reisvergunning nodig hebben bij binnenlandse reizen en dat daar streng op wordt gecontroleerd. Daarnaast blijkt uit openbare bronnen, volgens verweerder, dat doorgang op deze manier of het verkrijgen van een reisvergunning alleen kan door middel van het betalen van smeergeld. Verweerder acht de verklaringen van eiser over de busreis niet aannemelijk, nu hij niet in het bezit was van een reisvergunning of smeergeld heeft betaald. Ook de gestelde route die eiser heeft afgelegd acht verweerder niet aannemelijk. Daarnaast wordt wat eiser heeft verklaard over de gevangenhouding van zijn vrouw ongeloofwaardig geacht. Verweerder gaat er dan ook van uit dat eiser legaal Eritrea heeft verlaten, geen deserteur is en daarom niet te vrezen heeft bij terugkeer.
Standpunt eiser
3. Eiser stelt in beroep dat hij een geloofwaardig asielrelaas heeft dat niet innerlijk tegenstrijdig is op cruciale punten en past in het beeld dat bestaat omtrent het land van herkomst. Hij erkent dat hij niet beschikte over een reisvergunning en ook geen smeergeld heeft betaald. Dat in het algemeen ambtsbericht in algemene zin staat dat een reisvergunning noodzakelijk is, impliceert volgens eiser niet dat het individuele relaas onjuist is. Hij heeft de instructies van zijn zwager opgevolgd en dit was succesvol. Het is hem ook onduidelijk waarom verweerder stelt dat hij 45 kilometer heeft gelopen nadat hij uit de bus is gestapt. Ook bestond de route uit rechte wegen. Dat in het algemeen ambtsbericht staat dat zeer streng gecontroleerd wordt op uitreis staat haaks op de grote aantallen Eritreeërs die het land verlaten. Eiser stelt dat er sprake is van repercussies, nu zijn vrouw een half jaar heeft vastgezeten. Wat hij heeft verklaard hierover is niet tegenstrijdig. Verweerder acht de desertie ten onrechte ongeloofwaardig. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser in militaire dienst zat. Nu hij zich daaraan heeft onttrokken is sprake van desertie. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij terugkeert naar Eritrea. De veiligheidssituatie is daartoe te slecht. Verder is eiser tijdens de militaire dienst behandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij werd twee jaar opgesloten in een ondergrondse cel, werd mishandeld en moest zwaar werk verrichten. Eiser heeft de nationale dienstplicht vervult in een civiele onderdeel, eiser wijst erop dat het landenbeleid voor Eritrea is aangepast bij brief van 1 april 2026, waarbij ook het moeten vervullen van het civiele onderdeel van de nationale dienstplicht gelijk moet worden gesteld aan het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht.
Het oordeel van de rechtbank
Gevolgen van de arresten Quotal en Ebilum voor de beoordeling
4.1.
Op 4 juni 2026 heeft het Hof een tweetal arresten gewezen over de beoordeling door de rechtbank van een ingesteld beroep op een afwijzing van een asielaanvraag door de nationale autoriteiten. Deze arresten zijn ook voor deze zaak van belang.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van verweerder nog steeds het startpunt is voor de beoordeling in beroep. Het is immers ook op grond van de Procedurerichtlijn nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. Deze arresten hebben wel tot gevolg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak. Een dergelijk onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non refoulement. De rechtbank is in haar onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden.
4.3.
Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek.
4.4.
Uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten volgt ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar verweerder, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. De rechtbank kan er ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen verweerder dan nog dient te verrichten. De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. Aangezien ook verweerder geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat verweerder zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest. Indien de rechtbank de motivering van verweerder in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid en/of behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de verweerder in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.
Gevolgen van de arresten voor deze zaak
5.1.
Verweerder heeft de (on)geloofwaardigheid van de desertie gekoppeld aan de (on)geloofwaardigheid van de illegale uitreis. Ook de aannemelijkheid van de vrees is gekoppeld aan de manier waarop eiser Eritrea heeft verlaten. Verweerder heeft in het besluit: (-)de busreis zonder reisvergunning, (-)de verklaringen over zijn zwager en (-)de looproute ten grondslag gelegd aan de conclusie dat de illegale uitreis ongeloofwaardig is.
5.2.
Ter zitting heeft verweerder gezegd de tegenwerping over zijn zwager ‘flauw’ te vinden. Ook de tegenwerpingen over de route zijn geen dragend argument, aldus verweerder ter zitting. De kern van de motivering van verweerder ziet op de reis per openbare bus zonder een reisvergunning. Daartoe is in het voornemen verwezen naar pagina 21 van het AA 2022: “Sinds de uitbraak van het conflict in Tigray is de handhaving van de beperking van bewegingsvrijheid weer sterk toegenomen, ook onder het mom van COVID-19 maatregelen.” De verslagperiode van dit ambtsbericht beslaat de periode november 2020 tot en met april 2022 en benoemt specifieke redenen voor de toename van de handhaving van de reisbeperkingen. Nu eiser in oktober 2023 naar de grens is gereisd kan deze verwijzing niet dienen als motivering voor het standpunt van verweerder over de gevolgde reisroute. Deze sterke toename aan beperking van de bewegingsvrijheid is niet terug te lezen in het AA 2023 waarin juist gesproken wordt van meer bewegingsvrijheid na het staakt het vuren in november 2022. De algemene verwijzing naar pagina 17 en 18 van het AA 2023 motiveert onvoldoende waarom de reiswijze van eiser ongeloofwaardig zou zijn. De verwijzing naar het AA 2013 is verouderd en kan reeds daarom niet ten grondslag liggen aan de motivering van verweerder. Hiertegenover staat dat niet in geschil is dat eiser wel een reisvergunning had voor de reis naar Barentu (waar hij zijn civiele dienstplicht moest vervullen). Eisers stelling dat hij heeft kunnen reizen zonder een reisvergunning door zich voor te doen als behorende tot divisie 48 is niet weerlegd door verweerder met de gegeven motivering. Reizen binnen het werkgebied lijkt mogelijk zonder reisvergunning. De verwijzing in het ambtsbericht ziet erop wanneer de reisvergunning wordt verleend, namelijk bij het verlaten van de stationeringsplaats door de commandant, maar zegt niets over de regio waarbinnen zonder reisvergunning door dienstplichtigen kan worden gereisd. Uit de “ UK Country policy note” blijkt dat het gaat om reizen tussen regio’s. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de busreis binnen het ‘interne’ werkgebied van deze divisie 48 is gebleven, waardoor een reisvergunning niet nodig zou zijn. Ook blijkt uit het AA 2023 dat de strengheid van controles afhankelijk was van bijvoorbeeld feestdagen en had niet elke controlepost de taak om te controleren wie de stad binnen kwamen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een deugdelijke motivering voor het standpunt van verweerder dat de reiswijze per bus zonder reisvergunning ongeloofwaardig is. Nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat dit onderdeel de dragende motivering is voor de ongeloofwaardigheid van de illegale uitreis dient het besluit vanwege een motiveringsgebrek te worden vernietigd.
5.3.
De rechtbank ziet, gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek, geen aanleiding om de aanvraag terug te verwijzen naar verweerder, nu niet wordt ingezien welke nadere onderzoekshandelingen verweerder op dit punt nog zou kunnen verrichten. Verweerder heeft immers ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat bijvoorbeeld het opvragen van een individueel ambtsbericht in dit geval niet tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er in de beschikbare algemene landeninformatie onvoldoende concrete of specifieke informatie voorhanden is over de werkwijze en het interne werkgebied van de 48ste divisie om de verklaringen van eiser te kunnen toetsen aan deze openbare bronnen.
5.4.
De rechtbank overweegt voorts dat uit het AA 2023 gelezen in samenhang met analyses van het Migration Policy Institute, naar voren komt dat (illegale) uitreis uit Eritrea, ondanks de strenge controles en reisbeperkingen, nog altijd veelvuldig en op grote schaal plaatsvindt. Uit deze internationale registraties blijkt dat alleen al in het jaar 2023 ongeveer 71.600 Eritreeërs het land hebben verlaten en elders asiel hebben aangevraagd. Gelet op de zeer strenge voorwaarden voor uitreis uit het land is het aannemelijk dat een groot deel van de Eritreeërs die het land verlaten dit illegaal doen. Nu eiser over de details van de busreis consistent heeft verklaard, de feitelijke juistheid van zijn lezing over het reizen onder de dekmantel van de 48ste divisie niet met objectieve gegevens is weerlegd, en nader feitelijk onderzoek door verweerder niet mogelijk is gebleken, op dit punt het voordeel van de twijfel moet worden gegeven en acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser op deze wijze naar de grens heeft kunnen reizen.
5.5.
De overige verklaringen van eiser over zijn illegale uitreis doen voor de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van deze uitreis. Dat de tocht te voet naar de grens lang en gevaarlijk is, maakt deze tocht niet ongeloofwaardig. Het overgrote deel van de Eritrese vluchtelingen steekt via de ongerepte natuur met gevaar voor ontdekking door de grensautoriteiten de grens over met Ethiopië. De rechtbank volgt ook niet dat de genomen route vreemd is. Hoewel Shilalo op de kaart dichterbij de grens lijkt te liggen, is de rechtstreekse afstand tussen Shilalo en de plek waar hij in Ethiopië aankomt (Badme) 44 kilometer hemelsbreed, terwijl de afstand tussen Tokombia en Ethiopië (Badme) is hemelsbreed 40 kilometer. Gelet hierop doen zijn verklaringen op dit punt voor de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid. Bovendien waren deze ook voor verweerder geen dragende punten.
5.6.
Nu de rechtbank de illegale uitreis geloofwaardig acht, staat daarmee voor de rechtbank ook vast dat eiser in ieder geval als deserteur zal worden gezien bij terugkeer naar Eritrea. Voor de beoordeling van de vrees bij terugkeer is het niet meer relevant of de verklaringen van eiser over wat zijn vrouw is overkomen geloofwaardig zijn. Dit blijkt uit het navolgende.
Zelf in de zaak voorzien
6.1.
Hoewel uit de arresten van het Hof blijkt dat lidstaten niet verplicht zijn aan de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om zelf in de zaak te voorzien, en dus kunnen volstaan met een systematiek waarbij de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat een verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt, de zaak terugverwijst naar de beslissingsautoriteit om een besluit overeenkomstig die uitspraak te nemen, mogen de lidstaten die bevoegdheid wel verlenen. In artikel 8:72, derde lid, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan. Uit punt 50 van het arrest Ebilum blijkt dat de rechter overgaat tot het zelf voorzien in de zaak, als hij over voldoende informatie beschikt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium voldaan. Vaststaat dat de rechtbank bevoegd is een eigen oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het verzoek en dat verweerder aan deze oordelen van de rechtbank is gebonden. Verweerder kan dan ook niet van het oordeel van de rechtbank zoals dat in deze einduitspraak is gegeven afwijken. Dat als de rechtbank niet zelf zou voorzien maar de zaak in plaats daarvan terugverwijst, op basis van nieuwe elementen nog een andersluidend besluit zou kunnen nemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Als er sprake is van elementen die een wezenlijk ander licht op de zaak werpen dan kan verweerder alsnog afwijken van het oordeel van de rechtbank en deze nieuwe elementen toelichten in het nieuw te nemen besluit.
6.3.
De identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. De illegale uitreis en daarmee de desertie zijn geloofwaardig. Volgens het thans geldende beleid van verweerder beschouwt verweerder personen die het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank volgt verweerder in deze vaststelling. Dit betekent volgens de rechtbank dat reeds op grond van de thans vastgestelde geloofwaardige elementen eiser voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van een vluchtelingenstatus.
6.4.
De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus per datum van de aanvraag. Verweerder wordt verder opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken.
Proceskosten
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus geniet per datum van zijn aanvraag;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en:
- draagt verweerder op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals deze gold tot 12 juni 2026.
Algemeen Ambtsbericht.
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) en Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum). De rechtbank onderschrijft de samenvatting van deze arresten zoals deze door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem zijn gegeven in haar uitspraak van 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19418, onder rechtsoverweging 5.1. en zittingsplaats Zwolle in haar uitspraak van 28 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4602, onder rechtsoverweging 2.5 t/m 2.13.
Zie artikel 46 Procedurerichtlijn 2013/32/EU en artikel 67 Procedureverordening 2024/1348/EU
Procedurerichtlijn 2013/32/EU en inmiddels de Procedureverordening 2024/1348/EU
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum) punt 40 t/m 54. In het arrest van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) zijn dezelfde overwegingen te vinden, zij het onder een andere nummering.
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 66 in samenhang bezien met de uitspraak van het Hof van 16 juli 2020, EU:C:2020:579 (Addis), punten 71 en 73. via: https://www.bverwg.de/300321U1C41.20.0 en op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19096, r.o. 11.9.
Hof 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 77 en 78.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Alsook in het voornemen.
Algemeen Ambtsbericht mei 2022.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023: “Ze kregen de reisvergunning die ze nodig hadden bij het verlaten van de stationeringsplaats van de commandant van de divisie.” En UK Country policy and information note: national service and illegal exit, Eritrea, December 2025: “Conscripts continued to require a permit to travel domestically. The division commander would issue them the required travel permit when they leave the garrison.”
UK Country policy and information note: national service and illegal exit, Eritrea, December 2025: “Individuals are required to obtain government authorization to move between regions, [..]”.
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, pagina 18: “Zo nam het aantal controleposten toe en werden hun controles intensiever tijdens grote nationale evenementen in Asmara of tijdens de geïntensiveerde rekrutering voor de oorlog in Tigray.”
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, pagina 18: “Ook kregen verschillende controleposten verschillende taken opgelegd. Zo moesten sommige controleposten met name controleren of er geen goederen illegaal werden geïmporteerd, en controleerden andere voornamelijk wie er de stad binnenkwamen en of zij de nationale dienstplicht nog moesten vervullen.”
Algemeen Ambtsbericht, december 2023, paragraaf 1.4.4. ‘Illegale uitreis’.
https://www.migrationpolicy.org/journal/feature/severe-repression-eritrea-has-prompted-decades-exodus.
Het Hof, 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 67.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623, r.o. 4.1.
R.o. 50: “zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling”.
Zie punt 60 van het arrest Ebilum.