Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22333
2026-08-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37274
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMBV, Dublinverordening, overgangsrecht, Asiel- en Migratiebeheer verordening, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Denemarken, beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2024:5298 Raad van State 20-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3165 Raad van State 05-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:1664 Raad van State 22-06-2022
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.249 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
Mede namens haar minderjarige kinderen:[minderjarige 1] , v-nummer: [V-nummer][minderjarige 2] , v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres stelt van Sri Lankaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1993. De minderjarige kinderen van eiseres zijn geboren op [geboortedatum 2] 2017 en [geboortedatum 3] 2022. Eiseres heeft op 18 maart 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
5. Uit het EU-VIS-systeem is gebleken dat de Noorse autoriteiten namens Denemarken aan eiseres een (Schengen)visum hebben verstrekt, geldig van 15 januari 2026 tot en met 2 maart 2026. Het visum was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de indiening van de asielaanvraag. De minister heeft de Deense autoriteiten daarom op 22 april 2026 verzocht om eiseres over te nemen. De Deense autoriteiten hebben het overnameverzoek op 15 juni 2026 aanvaard.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Toepasselijk recht
7. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
AMBV van toepassing
8. Eiseres voert aan dat de Dublinverordening van toepassing is en dat de minister op grond van artikel 17 de asielaanvraag zelf moet beoordelen. Volgens de minister is de AMBV van toepassing. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
9. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV ziet niet op de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit artikel maakt geen onderdeel uit van de criteria voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, maar ziet op de discretionaire bevoegdheid van een lidstaat om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, ook als hij daartoe op grond van de verantwoordelijkheidscriteria niet verplicht is.
10. De rechtbank stelt vast dat artikel 35, eerste lid, van de AMBV eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toekent als artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De inwerkingtreding van de AMBV heeft op dit punt dan ook geen wijziging gebracht in de bevoegdheid van een lidstaat om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen. Nu het overgangsrecht niet bepaalt dat artikel 17 van de Dublinverordening op deze bevoegdheid van toepassing blijft, is de AMBV van toepassing. Ook het gewijzigde beleid dat per 12 juni 2026 in werking is getreden, is daarom in deze zaak van toepassing.
11. Omdat de AMBV van toepassing is, beoordeelt de rechtbank vervolgens het door eiser ingestelde beroep aan het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de AMBV. Dit artikellid bepaalt dat een verzoeker tegen een overdrachtsbesluit een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen, waarbij de omvang van de rechterlijke toetsing is beperkt tot de in dit artikellid genoemde gronden. Eiseres doet een beroep op de grond genoemd in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMBV. Deze grond ziet op de beoordeling of de overdracht voor eiseres een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Denemarken. Volgens eiseres is sprake van structurele tekortkomingen in de Deense asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor zij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 4 van het EU-Handvest. Daarbij wijst eiseres op haar gezinssituatie en voert zij aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de omstandigheden in Denemarken passend zijn voor haar en haar jonge kinderen. Daarnaast voert eiseres aan dat het Deense asiel- en verblijfsbeleid aanzienlijk strenger is dan het Nederlandse beleid, waardoor overdracht aan Denemarken volgens haar niet zonder meer gerechtvaardigd is. Tot slot voert eiseres aan dat de minister in het besluit ten onrechte stelt dat de autoriteiten van Denemarken, door het claimakkoord, hebben gegarandeerd dat haar asielaanvraag in behandeling zal worden genomen. Die garantie is er niet, volgens eiseres.
13. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd (dit heet het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen.
14. In beginsel mag de minister ten aanzien van Denemarken, dat net als Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in onder meer de uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2024, 5 augustus 2024 en 22 juni 2022. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan.
15. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres daarin niet is geslaagd. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het rapport EUAA Country Overview Denmark 2025 en het rapport CPT – Denemarken 2024: Ellebæk. Volgens eiseres volgt uit deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen in de Deense asielprocedure en opvangvoorzieningen, onder meer doordat asielzoekers langer op een beslissing moeten wachten en in bepaalde gevallen in bewaring kunnen worden gesteld onder omstandigheden met een gevangenisachtig karakter. Eiseres heeft hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat de Deense autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens haar niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De door eiseres genoemde informatie bevat geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het Deense asielsysteem of de opvangvoorzieningen die maken dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij wordt opgemerkt dat eiseres geen asielaanvraag in Denemarken heeft ingediend en daarom niet uit eigen ervaring heeft kunnen verklaren over de behandeling van asielzoekers in Denemarken.
16. Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het hof) van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten, zolang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel deze jurisprudentie ziet op de Dublinverordening, is deze ook van toepassing onder de AMBV, omdat de regels over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het uitgangspunt van wederzijds vertrouwen tussen lidstaten niet zijn gewijzigd. Dat in Denemarken mogelijk een strenger toelatings- of verblijfsbeleid geldt dan in Nederland, heeft eiseres ook niet onderbouwd met objectieve landeninformatie en maakt op zichzelf niet dat overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
17. Wat betreft de garantie van de autoriteiten van Denemarken om het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling te nemen, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit artikel 36, eerste en derde lid, van de AMBV volgt dat de uit hoofde van deze verordening verantwoordelijke lidstaat verplicht is een verzoeker over te nemen en het verzoek om internationale bescherming te behandelen, dan wel de behandeling daarvan te voltooien. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom niet van deze wettelijke verplichting kan worden uitgegaan.
18. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan, zodat erop vertrouwd mag worden dat Denemarken zich aan de verplichting uit de AMBV zal houden en het verzoek om internationale bescherming in behandeling zal nemen. Bovendien hebben de Deense autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek hun verantwoordelijkheid bevestigd en in het claimakkoord van 15 juni 2026 - met zoveel woorden - gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Er zijn door eiseres geen aanwijzingen naar voren gebracht dat dit in haar situatie niet zou gebeuren.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen
EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
EU 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2024:5298.
ECLI:NL:RVS:2024:3165.
ECLI:NL:RVS:2022:1664.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
Mede namens haar minderjarige kinderen:[minderjarige 1] , v-nummer: [V-nummer][minderjarige 2] , v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres stelt van Sri Lankaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1993. De minderjarige kinderen van eiseres zijn geboren op [geboortedatum 2] 2017 en [geboortedatum 3] 2022. Eiseres heeft op 18 maart 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
5. Uit het EU-VIS-systeem is gebleken dat de Noorse autoriteiten namens Denemarken aan eiseres een (Schengen)visum hebben verstrekt, geldig van 15 januari 2026 tot en met 2 maart 2026. Het visum was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de indiening van de asielaanvraag. De minister heeft de Deense autoriteiten daarom op 22 april 2026 verzocht om eiseres over te nemen. De Deense autoriteiten hebben het overnameverzoek op 15 juni 2026 aanvaard.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Toepasselijk recht
7. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
AMBV van toepassing
8. Eiseres voert aan dat de Dublinverordening van toepassing is en dat de minister op grond van artikel 17 de asielaanvraag zelf moet beoordelen. Volgens de minister is de AMBV van toepassing. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
9. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV ziet niet op de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit artikel maakt geen onderdeel uit van de criteria voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, maar ziet op de discretionaire bevoegdheid van een lidstaat om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, ook als hij daartoe op grond van de verantwoordelijkheidscriteria niet verplicht is.
10. De rechtbank stelt vast dat artikel 35, eerste lid, van de AMBV eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toekent als artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De inwerkingtreding van de AMBV heeft op dit punt dan ook geen wijziging gebracht in de bevoegdheid van een lidstaat om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen. Nu het overgangsrecht niet bepaalt dat artikel 17 van de Dublinverordening op deze bevoegdheid van toepassing blijft, is de AMBV van toepassing. Ook het gewijzigde beleid dat per 12 juni 2026 in werking is getreden, is daarom in deze zaak van toepassing.
11. Omdat de AMBV van toepassing is, beoordeelt de rechtbank vervolgens het door eiser ingestelde beroep aan het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de AMBV. Dit artikellid bepaalt dat een verzoeker tegen een overdrachtsbesluit een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen, waarbij de omvang van de rechterlijke toetsing is beperkt tot de in dit artikellid genoemde gronden. Eiseres doet een beroep op de grond genoemd in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMBV. Deze grond ziet op de beoordeling of de overdracht voor eiseres een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Denemarken. Volgens eiseres is sprake van structurele tekortkomingen in de Deense asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor zij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 4 van het EU-Handvest. Daarbij wijst eiseres op haar gezinssituatie en voert zij aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de omstandigheden in Denemarken passend zijn voor haar en haar jonge kinderen. Daarnaast voert eiseres aan dat het Deense asiel- en verblijfsbeleid aanzienlijk strenger is dan het Nederlandse beleid, waardoor overdracht aan Denemarken volgens haar niet zonder meer gerechtvaardigd is. Tot slot voert eiseres aan dat de minister in het besluit ten onrechte stelt dat de autoriteiten van Denemarken, door het claimakkoord, hebben gegarandeerd dat haar asielaanvraag in behandeling zal worden genomen. Die garantie is er niet, volgens eiseres.
13. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd (dit heet het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen.
14. In beginsel mag de minister ten aanzien van Denemarken, dat net als Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in onder meer de uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2024, 5 augustus 2024 en 22 juni 2022. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan.
15. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres daarin niet is geslaagd. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het rapport EUAA Country Overview Denmark 2025 en het rapport CPT – Denemarken 2024: Ellebæk. Volgens eiseres volgt uit deze rapporten dat sprake is van tekortkomingen in de Deense asielprocedure en opvangvoorzieningen, onder meer doordat asielzoekers langer op een beslissing moeten wachten en in bepaalde gevallen in bewaring kunnen worden gesteld onder omstandigheden met een gevangenisachtig karakter. Eiseres heeft hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat de Deense autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens haar niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De door eiseres genoemde informatie bevat geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het Deense asielsysteem of de opvangvoorzieningen die maken dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij wordt opgemerkt dat eiseres geen asielaanvraag in Denemarken heeft ingediend en daarom niet uit eigen ervaring heeft kunnen verklaren over de behandeling van asielzoekers in Denemarken.
16. Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het hof) van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van verschillen in beschermingsbeleid tussen lidstaten, zolang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel deze jurisprudentie ziet op de Dublinverordening, is deze ook van toepassing onder de AMBV, omdat de regels over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het uitgangspunt van wederzijds vertrouwen tussen lidstaten niet zijn gewijzigd. Dat in Denemarken mogelijk een strenger toelatings- of verblijfsbeleid geldt dan in Nederland, heeft eiseres ook niet onderbouwd met objectieve landeninformatie en maakt op zichzelf niet dat overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
17. Wat betreft de garantie van de autoriteiten van Denemarken om het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling te nemen, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit artikel 36, eerste en derde lid, van de AMBV volgt dat de uit hoofde van deze verordening verantwoordelijke lidstaat verplicht is een verzoeker over te nemen en het verzoek om internationale bescherming te behandelen, dan wel de behandeling daarvan te voltooien. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom niet van deze wettelijke verplichting kan worden uitgegaan.
18. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan, zodat erop vertrouwd mag worden dat Denemarken zich aan de verplichting uit de AMBV zal houden en het verzoek om internationale bescherming in behandeling zal nemen. Bovendien hebben de Deense autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek hun verantwoordelijkheid bevestigd en in het claimakkoord van 15 juni 2026 - met zoveel woorden - gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Er zijn door eiseres geen aanwijzingen naar voren gebracht dat dit in haar situatie niet zou gebeuren.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen
EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
EU 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2024:5298.
ECLI:NL:RVS:2024:3165.
ECLI:NL:RVS:2022:1664.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.