Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22330

2026-08-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.42392
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.42392
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 56 Vw, noodzaak maatregel onvoldoende onderbouwd gelet op vonnis Gerechtshof en informatie reclassering, beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.332 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.42392


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

V-nummer: [v-nummer 1] (ook bekend onder V-nummer [v-nummer 2]), eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. F. Schoot).



Procesverloop


Bij besluit van 30 juni 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser is daarbij opgedragen met ingang van 30 juni 2026 te verblijven binnen de gemeente Maastricht.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Op grond van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan door de minister overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

2. Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel betekent een inbreuk op iemands privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een dergelijke inbreuk dient noodzakelijk te zijn en te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

3. Volgens de minister zit de noodzaak van de maatregel in het beschermen van de openbare orde. Eiser is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Dreiging van terrorisme blijft lang actueel. De minister wil, ook ter bestrijding van maatschappelijke onrust, verscherpt toezicht houden op eiser. Het enkel opleggen van een meldplicht is volgens de minister onvoldoende om het verhoogd toezicht effectief gestalte te geven.

4. Daargelaten de vraag of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat een enkele meldplicht niet voldoende is om vreemdelingrechtelijk toezicht te houden op eiser (het vereiste van subsidiariteit), is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak voor verhoogd toezicht niet zonder meer volgt uit eisers strafrechtelijke veroordeling.

5. In dit verband is van belang dat het Gerechtshof Den Haag in het vonnis van
26 mei 2023 over eiser heeft geoordeeld dat hij na zijn invrijheidstelling niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie voor terroristische activiteiten en ook overigens geen aanleiding heeft gezien een toekomstig recidiverisico zodanig in te schatten, dat dit tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zou nopen.

6. Ook neemt de rechtbank een e-mail van 3 augustus 2026 in aanmerking van een reclasseringswerker die gedurende een periode van ruim twee jaar betrokken is geweest bij eiser. In deze mail staat onder meer dat er geen signalen zijn geweest die erop wezen dat eiser in die periode een risico vormde voor de maatschappij of de openbare orde.
Eiser heeft zich volgens de reclasseringswerker gedurende het traject coöperatief opgesteld, actief meegewerkt aan de begeleiding en zich aantoonbaar ingespannen om de opgelegde voorwaarden en afspraken na te komen.

7. De rechtbank wijst verder op het feit dat de minister, na het vonnis van
26 mei 2023 nog drie jaar heeft gewacht met het intrekken van eisers Nederlanderschap. Hoewel de rechtbank begrip heeft dat een dergelijke beslissing de nodige voorbereidingstijd vergt, blijkt uit de verstreken termijn van drie jaar van minder urgentie tot het beschermen van de openbare orde dan de minister nu met de vrijheidsbeperking zegt te willen beschermen.

8. Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk is.
Het beroep is reeds daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




ECLI:NL:GHDHA:2023:1053.