Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22328
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.40462
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om proceskosten na intrekking beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel, gelet op opheffing maatregel en aanbod volledige schadevergoeding is aan beroep tegemoet gekomen, 2 punten proceskosten ondanks inleiding beroep door kennisgeving.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:180 Raad van State 28-01-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.097 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40462
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker],
V-nummer: [v-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan verzoeker met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door verzoeker ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 27 juli 2026 heeft de minister de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoekers gemachtigde is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de gemachtigde na een kort debat aangegeven het beroep te zullen intrekken.
Bij bericht van 28 juli 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder (nadere) zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen de maatregel van bewaring en het bij het beroep behorende verzoek om schadevergoeding, zijn ingetrokken. Niet is gebleken dat bij de intrekking het verzoek om schadevergoeding is uitgezonderd, zodat nu enkel het verzoek om een proceskostenveroordeling ter beoordeling voorligt.
2. Uit het formulier M113 volgt dat de minister de maatregel van bewaring op
27 juli 2026 heeft opgeheven omdat de zaak van verzoeker zich niet leent voor de grensprocedure. Bij brief van 27 juli 2026 heeft de minister aan verzoeker schadevergoeding aangeboden voor de periode van 18 juli 2026 tot en met 27 juli 2026 tot een bedrag van
€ 1.240,--.
3. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
4. Met het opheffen van de vrijheidsbenemende maatregel en het toekennen van schadevergoeding voor de gehele duur van de detentie van verzoeker, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor is bedoeld.
5. Gezien het voorgaande wordt het verzoek als kennelijk gegrond toegewezen.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
7. Dat sprake is van een kennisgeving door de minister en geen door de gemachtigde ingesteld beroep leidt niet tot een ander oordeel over de proceskosten. Hierbij overweegt de rechtbank dat onder de huidige regelgeving de minister te allen tijde gehouden is de rechtbank in kennis te stellen van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als hier in geschil (was). Hoewel de gemachtigde voor het instellen van het beroep geen proceshandeling in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft verricht, betekent dit niet dat de gemachtigde in het geheel geen handelingen heeft hoeven verrichten ter voorbereiding en administratie van het beroep. Bovendien kan een andere zienswijze leiden tot het instellen van een separaat beroep door gemachtigden om daarmee alsnog een punt voor het indienen van een beroepschrift veilig te stellen. De rechtbank acht een dergelijke ontwikkeling onwenselijk.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:180.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40462
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker],
V-nummer: [v-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan verzoeker met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door verzoeker ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 27 juli 2026 heeft de minister de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoekers gemachtigde is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de gemachtigde na een kort debat aangegeven het beroep te zullen intrekken.
Bij bericht van 28 juli 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder (nadere) zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen de maatregel van bewaring en het bij het beroep behorende verzoek om schadevergoeding, zijn ingetrokken. Niet is gebleken dat bij de intrekking het verzoek om schadevergoeding is uitgezonderd, zodat nu enkel het verzoek om een proceskostenveroordeling ter beoordeling voorligt.
2. Uit het formulier M113 volgt dat de minister de maatregel van bewaring op
27 juli 2026 heeft opgeheven omdat de zaak van verzoeker zich niet leent voor de grensprocedure. Bij brief van 27 juli 2026 heeft de minister aan verzoeker schadevergoeding aangeboden voor de periode van 18 juli 2026 tot en met 27 juli 2026 tot een bedrag van
€ 1.240,--.
3. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
4. Met het opheffen van de vrijheidsbenemende maatregel en het toekennen van schadevergoeding voor de gehele duur van de detentie van verzoeker, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor is bedoeld.
5. Gezien het voorgaande wordt het verzoek als kennelijk gegrond toegewezen.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
7. Dat sprake is van een kennisgeving door de minister en geen door de gemachtigde ingesteld beroep leidt niet tot een ander oordeel over de proceskosten. Hierbij overweegt de rechtbank dat onder de huidige regelgeving de minister te allen tijde gehouden is de rechtbank in kennis te stellen van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als hier in geschil (was). Hoewel de gemachtigde voor het instellen van het beroep geen proceshandeling in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft verricht, betekent dit niet dat de gemachtigde in het geheel geen handelingen heeft hoeven verrichten ter voorbereiding en administratie van het beroep. Bovendien kan een andere zienswijze leiden tot het instellen van een separaat beroep door gemachtigden om daarmee alsnog een punt voor het indienen van een beroepschrift veilig te stellen. De rechtbank acht een dergelijke ontwikkeling onwenselijk.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:180.