Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22130
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42389
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie. Artikel 6, eerste en tweede lid, jo. artikel 6, zesde lid. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van oplegging onrechtmatig, omdat er geen bewaringsgronden aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:1561 Raad van State 15-07-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.612 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42389
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
1. Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de toegang tot Nederland geweigerd. Op diezelfde dag heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 2).
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
Per 31 juli 2026 is bestreden besluit 2 opgeheven, omdat eiser is uitgezet. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 2 nog enkel ziet op het verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1
2. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om die toegangsweigering onrechtmatig te achten. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom ongegrond.
Over bestreden besluit 2
3. Omdat de maatregel van bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De minister heeft eiser in bewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto artikel 6, zesde lid, van de Vw, nadat aan eiser de toegangsweigering is uitgereikt.
5. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat de maatregel van bewaring geen gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bevat. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2021. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een maatregel van bewaring op grond van artikel 6, zesde lid van de Vw bewaringsgronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vereist. Nu de maatregel van bewaring mede op grond van het zesde lid van artikel 6, van de Vw aan eiser is opgelegd, hadden er gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd moeten worden. De minister heeft dit ter zitting bevestigd en erkend dat de maatregel daardoor onrechtmatig is.
6. Omdat aan de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw geen gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb ten grondslag zijn gelegd, is de maatregel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is.
7. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is daarom gegrond. Omdat de maatregel al vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is, behoeven de door eiser aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond. De rechtbank acht om die reden gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen aan eiser voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en de schriftelijke gronden, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
ECLI:NL:RVS:2021:1561.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42389
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
1. Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de toegang tot Nederland geweigerd. Op diezelfde dag heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 2).
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
Per 31 juli 2026 is bestreden besluit 2 opgeheven, omdat eiser is uitgezet. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 2 nog enkel ziet op het verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1
2. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om die toegangsweigering onrechtmatig te achten. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom ongegrond.
Over bestreden besluit 2
3. Omdat de maatregel van bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De minister heeft eiser in bewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto artikel 6, zesde lid, van de Vw, nadat aan eiser de toegangsweigering is uitgereikt.
5. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat de maatregel van bewaring geen gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bevat. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2021. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een maatregel van bewaring op grond van artikel 6, zesde lid van de Vw bewaringsgronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vereist. Nu de maatregel van bewaring mede op grond van het zesde lid van artikel 6, van de Vw aan eiser is opgelegd, hadden er gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd moeten worden. De minister heeft dit ter zitting bevestigd en erkend dat de maatregel daardoor onrechtmatig is.
6. Omdat aan de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw geen gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb ten grondslag zijn gelegd, is de maatregel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is.
7. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is daarom gegrond. Omdat de maatregel al vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is, behoeven de door eiser aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond. De rechtbank acht om die reden gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen aan eiser voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en de schriftelijke gronden, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
ECLI:NL:RVS:2021:1561.