Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22129
Inhoudsindicatie
Asiel, gegrond. De minister heeft de vrees voor herbesnijdenis namelijk aangemerkt als asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee niet het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. De minister heeft namelijk geloofwaardig geacht dat eiseres is besneden. Vervolgens is dit een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eiseres voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister diende dit dan ook niet te beoordelen als asielmotief onder artikel 31, zesde lid van de Vw, maar bij de vraag of sprake is van een gegronde vrees van vervolging. Omdat de minister dat niet heeft gedaan is sprake van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17864 Rechtbank Den Haag 25-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:111 Raad van State 08-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2010:BN1161 Raad van State 01-07-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.871 tekens)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61075
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 14 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft eerst met het besluit van 27 maart 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Het hier door eiseres tegen ingestelde beroep, is gegrond verklaard. Deze uitspraak staat in rechte vast.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 17 november 2025 de aanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij op een dag onderweg naar school twee mannen zag die verdacht deden. Ze volgden eiseres, daarop is eiseres naar de politiepost gegaan. Toen gingen ze weg. Eiseres vertelde het thuis aan haar oma en die zei dat de mannen misschien wel van Al Shabaab waren. Eiseres is naar de buren gegaan. De volgende dag kwamen de mannen langs bij eiseres haar oma; ze wilden eiseres meenemen. Daarna zijn ze nog twee keer langsgekomen. Bij eiseres haar vluchtadres is eiseres aangerand door de zoon die in het huis woonde.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Al Shabaab;
Aanranding in het huis in Towfik.
4.1.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn, evenals aanranding in het huis in Towfik. De problemen met Al Shabaab zijn volgens de minister niet geloofwaardig. De rechtbank heeft in de vorige procedure geoordeeld dat de minister de problemen met Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast is geoordeeld dat de minister in de geloofwaardig geachte aanranding, terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een vergunning te verlenen. Dit staat in rechte vast.
4.2.
De minister heeft eiseres haar vrees voor herbesnijdenis (genitale verminking) ongeloofwaardig geacht. Eiseres haar verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo worden haar verklaringen niet onderschreven door informatie uit openbare bronnen. Ook zijn haar verklaringen vaag, ongerijmd en op aannames gebaseerd.
4.3.
Verder vindt de minister niet dat de geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst tot vergunningverlening leidt. Zo valt eiseres niet onder het alleenstaande vrouwenbeleid. Ook is geen sprake van systematische blootstelling, omdat eiseres niet uit een gebied komt waar Al Shabaab aan de macht is of hoeft te reizen door een gebied dat onder controle staat van Al Shabaab. Daarnaast neemt de minister aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu, en heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een hoger risico loopt op willekeurig geweld.
4.4.
Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat nader onderzoek door DT&V nodig is om te kunnen bepalen of aan de vereisten van adequate opvang wordt voldaan.
Loopt eiseres het risico op herhaalde genitale verminking?
Wettelijk kader
5. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
Wat is in de eerdere procedure geoordeeld?
6. De rechtbank overweegt dat de aanvraag van eiseres al eens eerder is afgewezen. Het tegen die afwijzing ingestelde beroep is gegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, omdat de minister geloofwaardig acht dat eiseres al eerder het slachtoffer van genitale verminking is geweest, moet worden aangenomen dat zulk gevaar bij terugkeer bestaat. Door te stellen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij bij een terugkeer naar Somalië te maken krijgt met herbesnijdenis, heeft de minister onvoldoende rekenschap gegeven van de omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw. Het is niet aan eiseres om haar vrees aannemelijk te maken, maar aan de minister om het vermoeden te weerleggen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking, aldus de rechtbank.
6.1.
De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Somalië te maken kan krijgen met een huwelijk of de geboorte van een kind. Deze omstandigheden zijn door de minister ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken en de enkele verwijzing naar algemene informatie, zegt onvoldoende over het concrete risico voor eiseres.
Wat vindt eiseres?
7. De rechtbank begrijpt dat eiseres betoogt dat de minister het vermoeden dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking, niet heeft kunnen weerleggen. Bij de beoordeling die is gemaakt, is sprake van een te beperkte en onvolledige interpretatie van landeninformatie over herbesnijdenis en is onvoldoende aandacht voor culturele context, bewijslast, leeftijd en trauma. Net als in de eerdere procedure baseert de minister zich op openbare bronnen en vraagt deze van eiseres om haar vrees aannemelijk te maken, terwijl het niet op de weg van eiseres ligt om dat te doen. De minister geeft daarmee eenzelfde verweer als in de procedure die leidde tot een gegrond beroep en daarom kan ook het besluit in deze procedure geen standhouden.
Wat oordeelt de rechtbank?
8. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de diverse in de uitspraak van 25 oktober 2024 gegeven rechtsoordelen. Dit betekent dat vaststaat dat eiseres in het verleden al eens is besneden en zij dus al eerder slachtoffer is geworden van een onmenswaardige behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het uitgangspunt is vervolgens dat het niet aan eiseres is om haar vrees voor herbesnijdenis aannemelijk te maken, maar dat het aan de minister is om het vermoeden te weerleggen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming de vrees voor herbesnijdenis heeft beoordeeld met toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw, omdat eiseres haar verklaringen niet met objectieve documenten volledig heeft onderbouwd. De minister heeft de vrees voor herbesnijdenis namelijk aangemerkt als asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee niet het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. De minister heeft namelijk geloofwaardig geacht dat eiseres is besneden. Vervolgens is dit een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eiseres voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister diende dit dan ook niet te beoordelen als asielmotief onder artikel 31, zesde lid van de Vw, maar bij de vraag of sprake is van een gegronde vrees van vervolging. Omdat de minister dat niet heeft gedaan is sprake van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.
10. De rechtbank stelt voorop dat de minister een deugdelijke risicobeoordeling dient te maken of eiseres bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank wijst daarbij eveneens op het arrest Ebilum waaruit volgt dat in ieder geval sprake is van een vrees voor vervolging/reëel risico op ernstige schade als sprake is van een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ dat die persoon zal worden vervolgd. Om dit risico te beoordelen dient de minister mee te nemen dat eiseres in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade. Dit is namelijk een sterke indicator dat iemand bij terugkeer opnieuw aan dit risico blootgesteld zal worden. Zoals hiervoor al is aangegeven keert dan de bewijslast om.
11. De rechtbank vat het betoog van de minister op zitting zo op dat hij zich op het standpunt stelt dat de lat van ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ niet wordt gehaald, omdat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister baseert zich daarbij op informatie uit openbare bron, die niet overeenkomt met de verklaringen van eiseres. Daar komt volgens de minister bij dat de verklaringen van eiseres over een herbesnijdenis vaag en ongerijmd zijn, en zijn gebaseerd op aannames.
11. De rechtbank volgt de minister niet dat de verklaringen van eiseres niet overeenkomen met informatie uit een openbare bron.In deze openbare bron is opgenomen dat:“In cases where the wounds have not healed properly or where they are otherwise not satisfied with the result, corrective interventions are sometimes performed during the first year after the procedure was carried out. There are also anecdotal reports of cases where a new procedure is done because the family wants a more extensive procedure than the original one.”Uit deze bron volgt niet dat altijd binnen een jaar wordt herbesneden wanneer men niet tevreden is met de herbesnijdenis. Eiseres is in het aanvullend gehoor bevraagd over de redenen dat haar oma heeft gewacht met het bekijken van haar besnijden totdat zij dertien jaar oud was. Eiseres verklaart onder meer dat haar oma wilde weten of zij iets had gedaan dat niet was toegestaan. Haar oma wilde daarom haar besnijdenis bekijken. Eiseres weet niet zeker waarom haar oma twijfelde dat zij iets had gedaan dat niet was toegestaan. Maar verklaart dat dit vaker voorkomt om zeker te zijn dat meisjes niets hebben gedaan. Eiseres heeft hiermee (enige) uitleg gegeven waarom haar oma haar besnijdenis juist op haar dertiende wilde controleren. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze uitleg onvoldoende is. Ook heeft de minister niet nader toegelicht wat maakt dat deze verklaringen niet helder zijn. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de minister nog meer van eiseres verwacht op dit punt.
12.1.
De rechtbank betrekt hierbij ook het referentiekader van eiseres. Eiseres was ten tijde van het nader gehoor vijftien jaar oud en is ongeschoold. Haar verklaringen gaan over de periode na haar besnijdenis op haar zevende/achtste en haar vertrek uit Somalië op haar dertiende. De minister stelt zich op het standpunt dat desondanks meer van eiseres verwacht kan worden, omdat vrouwenbesnijdenis in zijn algemeenheid een grote rol speelt in het leven van (jonge) Somalische meisjes. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres haar verklaringen onvoldoende helder zijn en dat er meer van haar verwacht kan worden.
13. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiseres haar verklaringen vaag, ongerijmd en gebaseerd op aannames zijn.
13.1.
Eiseres heeft verklaard dat haar oma tegen haar heeft gezegd dat ze herbesneden moet worden. Dat haar oma niet heeft verteld wanneer dit exact zou plaatsvinden, maakt niet - zoals de minister stelt - dat de herbesnijdenis niet zal plaatsvinden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de beslissing voor een herbesnijdenis vaak wordt genomen door oudere vrouwelijke familieleden.
13.2.
Verder heeft eiseres verklaard dat zij denkt dat haar hechtingen niet goed waren of los zaten en dat zij daarom nog een keer besneden moest worden. Eiseres heeft ook verklaard dat als een meisje niet goed besneden is, zij onrein is. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd wat er, gezien het hiervoor geschetste referentiekader van eiseres, meer van haar verwacht had mogen worden. Dat zij haar vriendinnen heeft verteld dat zij herbesneden zou worden maar niet weet wat er tijdens de eerste besnijdenis is misgegaan, maakt niet dat haar verklaringen vaag of ongerijmd zijn. Datzelfde geldt voor het gegeven dat de buurvrouw de besnijdenis heeft bekeken en vond dat eiseres nogmaals moest worden besneden maar niet kan toelichten waarom de buurvrouw dit vond. De rechtbank benadrukt daarbij dat de beslissing voor een herbesnijdenis vaak wordt genomen door oudere vrouwelijke familieleden.
13.3.
Daarnaast heeft eiseres verklaard dat tussen de vaststelling van haar oma dat zij herbesneden moest worden en haar vertrek uit Somalië ongeveer anderhalve maand zat. De minister stelt dat het onwaarschijnlijk is dat nog maanden zouden verstrijken voordat een daadwerkelijke herbesnijdenis zou plaatsvinden. Het is de rechtbank onduidelijk waar de minister dit op baseert. Eiseres heeft over de herbesnijdenis verklaard dat zij niets te kiezen had, dat haar oma haar voogd was en zij voor haar besliste. Ook heeft zij verklaard dat bij haar eerste besnijdenis zij pas na aankomst bij het huis van een vriendin wist dat zij op dat moment besneden zou worden. Bovendien kan van eiseres niet verwacht worden dat zij wacht totdat zij daadwerkelijk aan een herbesnijdenis wordt onderworpen, voordat zij haar land van herkomst verlaat.
13.4.
Tot slot heeft eiseres verklaard dat zij in eerste instantie met de Sunni-methode is besneden en dat zij denkt dat haar oma voor de herbesnijdenis zal kiezen voor de Fironi-methode. Eiseres heeft daarbij verklaard dat ze dit niet zeker weet, maar dat ze heeft gezien dat meisjes die voor de tweede keer werden besneden, met de Fironi-methode werden besneden. Als de Sunni methode niet goed werkt, dan wordt de Fironi methode toegepast, denkt eiseres. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd wat er, gezien het hiervoor geschetste referentiekader van eiseres, meer van haar verwacht had mogen worden. Eiseres heeft uitgelegd waarom zij denkt dat de Fironi methode bij een herbesnijdenis toegepast zou worden. Het enkele feit dat eiseres dit niet zeker weet, betekent niet zonder meer dat zij geen gegronde vrees voor herbesnijdenis heeft.
14. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer besproken te worden. De minister dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Gelet op de leeftijd van eiseres ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister dit binnen 8 weken dient te doen. Eiseres krijgt ook vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,00.
Beslissing
De rechtbank:
̵ verklaart het beroep gegrond;
̵ vernietigt het bestreden besluit;
̵ draagt de minister op om binnen 8 weken na bekenmaking van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
̵ veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
NL24.13671.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c Vw.
Dienst Terugkeer & Vertrek.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17864.
En dat daarmee haar recht op een menswaardige behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten voor de Europese Unie is geschonden.
Artikel 4, vierde lid, van de Definitierichtlijn en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:111.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, vijfde lid, van de Vw.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), 1 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1161, r.o. 2.1.3.
Vgl. HvJEU, 4 juni 2026, C-440/25, Ebilum, r.o. 85-88.
Landinfo, country of Origin Information Centre, Report: Somalia Female Genital Mutilation, 14
september 2022.
Landinfo, country of Origin Information Centre, Report: Somalia Female Genital Mutilation, 14
september 2022, p. 12.
Aanvullend nader gehoor, p. 10.
Aanvullend nader gehoor, p. 9.
Aanvullend nader gehoor, p. 10.
Aanvullend nader gehoor, p. 11.
Aanvullend nader gehoor, p. 14.
Aanvullend nader gehoor, p. 13.
Aanvullend nader gehoor, p. 6.
Aanvullend nader gehoor, p. 13.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1.