Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22125
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.43296 en NL26.43576
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep terugkeerbesluit en inreisverbod – beroep ongegrond – eerste beroep vreemdelingenbewaring – geen kenbare beoordeling van het risico op refoulement - de rechtbank kan ook op grond van de overige bewoordingen van de motivering van de maatregel niet aannemen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin ligt besloten en voldoende kenbaar is – beroep gegrond – opheffing maatregel - schadevergoeding.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3430 Raad van State 17-06-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:3430 Raad van State 17-06-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24891 Rechtbank Den Haag 31-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (16.114 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43296 en NL26.43576
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 juli 2026 aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.43576). Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring (bestreden besluit 2) opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 6 augustus 2026, waarna partijen een aanvullende reactie hebben ingediend. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 7 augustus 2026.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (NL26.43576)
Toetsingskader
1. Als iemand in Nederland verblijft zonder toestemming of langer dan toegestaan, moet die persoon het land binnen een bepaalde termijn zelf verlaten. Voor vreemdelingen die geen EU-burger zijn geldt dat zij na een besluit tot terugkeer binnen vier weken Nederland moeten verlaten. Verweerder kan deze termijn verkorten.
2. Verweerder kan een inreisverbod opleggen aan niet-EU-burgers die Nederland onmiddellijk moeten verlaten en voor wie een terugkeerbesluit geldt, tenzij artikel 64 van de Vw. van toepassing is.Dit inreisverbod wordt opgelegd voor een bepaalde duur met een maximum van 5 jaar, tenzij de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of nationale veiligheid. De duur gaat in vanaf het moment de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
3. Er zijn aanvullende regels over het inreisverbod vastgelegd in het Vb. Volgens dat besluit bedraagt de maximale duur van het inreisverbod meestal twee jaar. Ook worden groepen genoemd waarvoor normaal gesproken geen inreisverbod wordt opgelegd, en er kunnen bij ministeriële regeling uitzonderingen worden gemaakt om het inreisverbod om humanitaire of andere redenen niet toe te passen of op te heffen.
Het terugkeerbesluit
4. Niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland of elders in de Europese Unie. Op 30 juli 2026 heeft verweerder het onderhavige terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiser. Eiser stelt dat hij meewerkt aan zijn terugkeer. Hij heeft inmiddels een geldig paspoort overgelegd en heeft zich dan ook niet van zijn paspoort ontdaan. Eiser is het niet eens met de vertrektermijn van 0 dagen. Hij heeft liever een langere termijn, zodat hij zijn terugkeer zelfstandig kan regelen. Ook wil hij eerder kunnen terugkeren.
5. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit vermeld dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en dat in verband daarmee een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder heeft daartoe als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. De vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Eiser heeft de gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat grond a terecht aan eiser wordt tegengeworpen. Hij beschikte immers ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit niet over een geldig paspoort noch visum. Grond a is daarmee feitelijk juist. Ook de grond p is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Hij heeft zijn illegale verblijf in Nederland niet gemeld bij de korpschef en beschikt niet over een document als bedoeld in art. 4.21 van het Vb. Verweerder heeft in het besluit gemotiveerd waarom dit leidt tot een risico op onderduiken. Ten aanzien van grond s heeft eiser zelf verklaard over €20 te beschikken en geenszins op andere wijze aangetoond dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hierdoor de kans aanwezig is dat eiser niet uit eigen beweging uit Nederland zal vertrekken en daardoor de kans bestaat dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht. De gronden a, p en s zijn voldoende om een risico op onderduiken aan te nemen. Eiser is daarom terecht een terugkeerbesluit opgelegd waarbij hem een vertrektermijn is onthouden.
7. Nu verweerder een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden, is hij gehouden een inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. Het inreisverbod van twee jaren is voldoende gemotiveerd en op juiste gronden opgelegd.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Oezbekistan. De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of hier sprake van kan zijn. Dit is echter niet het geval. Verweerder heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het uitvaardingen van het terugkeerbesluit aan eiser gevraagd of hij vreest voor onmenselijke behandeling bij terugkeer. Eiser heeft hierop geantwoord: “Nee hoor het is veilig in Oezbekistan”. Ook tijdens het vertrekgesprek van 3 augustus 2026 en ter zitting heeft eiser meermaals aangegeven te willen terugkeren. Dit blijkt ook uit eisers wens om met ondersteuning van de IOM terug te keren naar Oezbekistan. Dit maakt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitvoering van het terugkeerbesluit.
Over bestreden besluit 2 (NL26.43296)
Toetsingskader
9. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Non-refoulement
10. De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 februari 2026 overwogen dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring, namelijk dat er zicht is op uitzetting, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. Als verweerder zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Zicht op uitzetting is, zoals onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022 is bedoeld, een algemene en abstracte regel die vereist is voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring. Volgens punt 79 van dat arrest moet een vreemdeling worden vrijgelaten als dat zicht ontbreekt.
11. De Afdeling constateert in haar uitspraak van 17 juni 2026 dat verweerder, met een verwijzing in de maatregel naar het gehoor, al voldoende kenbaar heeft gemaakt dat er een toets heeft plaatsgevonden naar een reëel risico bij uitzetting op verboden handelingen in het land van herkomst. In de onderhavige zaak heeft verweerder in het verweerschrift, met verwijzing naar de bovengenoemde uitspraak, gesteld dat er, gelet op eisers verklaringen tijdens het gehoor, geen aanleiding was om in de maatregel nader te motiveren dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Nu er in de maatregel geen enkele verwijzing wordt gemaakt naar het gehoor of eisers verklaringen, kan de rechtbank ook op grond van de overige bewoordingen van de motivering van de maatregel niet aannemen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin ligt besloten en voldoende kenbaar is.
13. Hoewel de rechtbank ambtshalve uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en de overige stukken uit het dossier kan afleiden dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de terugkeer van eiser naar Oezbekistan, maakt dit de maatregel niet rechtmatig.
14. Gezien wat hiervoor is overwogen en wat de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 10 van de eerdergenoemde uitspraak van 12 februari 2026, kan de rechtbank niet anders dan het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond verklaren, de opheffing van de vreemdelingenbewaring te bevelen en de onmiddellijke vrijlating van eiser te gelasten. De beroepsgronden van eiser behoeven dan ook geen bespreking meer.
Conclusie
15. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel van vreemdelingenbewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Daarom is een verdere beoordeling van de (maatregel van) vreemdelingenbewaring niet nodig.
16. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160 (verblijf politiecel) en 8 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.120.
17. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 augustus 2026.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ongegrond (NL26.43576);
- verklaart het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond (NL26.43296);
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 7 augustus 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.120, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 61, eerste lid, Vw
Artikel 62, eerste en tweede lid, Vw
Artikel 62, eerste en tweede lid, Vw.
Vreemdelingenbesluit.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
Ter uitvoering van artikel 66a, vierde lid, van de Vw is in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met zesde lid is bepaald in welke gevallen naar beneden of naar boven wordt afgeweken van de (maximale) duur van het inreisverbod.
Artikel 66b, tweede lid, Vw en artikelen 6.5 en 6.5a Vb.
Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.
Zie pagina 5 van proces-verbaal gehoor aangaande artikel 62a van de Vw, al of niet gepaard met een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, 1e of 2e lid van de Vwvan 30 juli 2026.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:329.
Rechtsoverweging 8.3., ECLI:NL:RVS:2026:329.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858.
Rechtsoverweging 10, ECLI:NL:RVS:2026:329.
ECLI:NL:RVS:2026:3430
Als bedoeld in artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.
Gelet op punt 77 en 79 van het arrest van het Hof van 8 november 2022.
Rechtsoverweging 10: “Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten.” ECLI:NL:RVS:2026:3430
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43296 en NL26.43576
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 juli 2026 aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.43576). Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring (bestreden besluit 2) opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 6 augustus 2026, waarna partijen een aanvullende reactie hebben ingediend. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 7 augustus 2026.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (NL26.43576)
Toetsingskader
1. Als iemand in Nederland verblijft zonder toestemming of langer dan toegestaan, moet die persoon het land binnen een bepaalde termijn zelf verlaten. Voor vreemdelingen die geen EU-burger zijn geldt dat zij na een besluit tot terugkeer binnen vier weken Nederland moeten verlaten. Verweerder kan deze termijn verkorten.
2. Verweerder kan een inreisverbod opleggen aan niet-EU-burgers die Nederland onmiddellijk moeten verlaten en voor wie een terugkeerbesluit geldt, tenzij artikel 64 van de Vw. van toepassing is.Dit inreisverbod wordt opgelegd voor een bepaalde duur met een maximum van 5 jaar, tenzij de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of nationale veiligheid. De duur gaat in vanaf het moment de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
3. Er zijn aanvullende regels over het inreisverbod vastgelegd in het Vb. Volgens dat besluit bedraagt de maximale duur van het inreisverbod meestal twee jaar. Ook worden groepen genoemd waarvoor normaal gesproken geen inreisverbod wordt opgelegd, en er kunnen bij ministeriële regeling uitzonderingen worden gemaakt om het inreisverbod om humanitaire of andere redenen niet toe te passen of op te heffen.
Het terugkeerbesluit
4. Niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland of elders in de Europese Unie. Op 30 juli 2026 heeft verweerder het onderhavige terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiser. Eiser stelt dat hij meewerkt aan zijn terugkeer. Hij heeft inmiddels een geldig paspoort overgelegd en heeft zich dan ook niet van zijn paspoort ontdaan. Eiser is het niet eens met de vertrektermijn van 0 dagen. Hij heeft liever een langere termijn, zodat hij zijn terugkeer zelfstandig kan regelen. Ook wil hij eerder kunnen terugkeren.
5. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit vermeld dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en dat in verband daarmee een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder heeft daartoe als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. De vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Eiser heeft de gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat grond a terecht aan eiser wordt tegengeworpen. Hij beschikte immers ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit niet over een geldig paspoort noch visum. Grond a is daarmee feitelijk juist. Ook de grond p is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Hij heeft zijn illegale verblijf in Nederland niet gemeld bij de korpschef en beschikt niet over een document als bedoeld in art. 4.21 van het Vb. Verweerder heeft in het besluit gemotiveerd waarom dit leidt tot een risico op onderduiken. Ten aanzien van grond s heeft eiser zelf verklaard over €20 te beschikken en geenszins op andere wijze aangetoond dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hierdoor de kans aanwezig is dat eiser niet uit eigen beweging uit Nederland zal vertrekken en daardoor de kans bestaat dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht. De gronden a, p en s zijn voldoende om een risico op onderduiken aan te nemen. Eiser is daarom terecht een terugkeerbesluit opgelegd waarbij hem een vertrektermijn is onthouden.
7. Nu verweerder een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden, is hij gehouden een inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. Het inreisverbod van twee jaren is voldoende gemotiveerd en op juiste gronden opgelegd.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Oezbekistan. De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of hier sprake van kan zijn. Dit is echter niet het geval. Verweerder heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het uitvaardingen van het terugkeerbesluit aan eiser gevraagd of hij vreest voor onmenselijke behandeling bij terugkeer. Eiser heeft hierop geantwoord: “Nee hoor het is veilig in Oezbekistan”. Ook tijdens het vertrekgesprek van 3 augustus 2026 en ter zitting heeft eiser meermaals aangegeven te willen terugkeren. Dit blijkt ook uit eisers wens om met ondersteuning van de IOM terug te keren naar Oezbekistan. Dit maakt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitvoering van het terugkeerbesluit.
Over bestreden besluit 2 (NL26.43296)
Toetsingskader
9. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Non-refoulement
10. De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 februari 2026 overwogen dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring, namelijk dat er zicht is op uitzetting, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. Als verweerder zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Zicht op uitzetting is, zoals onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022 is bedoeld, een algemene en abstracte regel die vereist is voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring. Volgens punt 79 van dat arrest moet een vreemdeling worden vrijgelaten als dat zicht ontbreekt.
11. De Afdeling constateert in haar uitspraak van 17 juni 2026 dat verweerder, met een verwijzing in de maatregel naar het gehoor, al voldoende kenbaar heeft gemaakt dat er een toets heeft plaatsgevonden naar een reëel risico bij uitzetting op verboden handelingen in het land van herkomst. In de onderhavige zaak heeft verweerder in het verweerschrift, met verwijzing naar de bovengenoemde uitspraak, gesteld dat er, gelet op eisers verklaringen tijdens het gehoor, geen aanleiding was om in de maatregel nader te motiveren dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Nu er in de maatregel geen enkele verwijzing wordt gemaakt naar het gehoor of eisers verklaringen, kan de rechtbank ook op grond van de overige bewoordingen van de motivering van de maatregel niet aannemen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin ligt besloten en voldoende kenbaar is.
13. Hoewel de rechtbank ambtshalve uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en de overige stukken uit het dossier kan afleiden dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de terugkeer van eiser naar Oezbekistan, maakt dit de maatregel niet rechtmatig.
14. Gezien wat hiervoor is overwogen en wat de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 10 van de eerdergenoemde uitspraak van 12 februari 2026, kan de rechtbank niet anders dan het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond verklaren, de opheffing van de vreemdelingenbewaring te bevelen en de onmiddellijke vrijlating van eiser te gelasten. De beroepsgronden van eiser behoeven dan ook geen bespreking meer.
Conclusie
15. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel van vreemdelingenbewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Daarom is een verdere beoordeling van de (maatregel van) vreemdelingenbewaring niet nodig.
16. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160 (verblijf politiecel) en 8 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.120.
17. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 7 augustus 2026.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod ongegrond (NL26.43576);
- verklaart het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond (NL26.43296);
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 7 augustus 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.120, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 61, eerste lid, Vw
Artikel 62, eerste en tweede lid, Vw
Artikel 62, eerste en tweede lid, Vw.
Vreemdelingenbesluit.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
Ter uitvoering van artikel 66a, vierde lid, van de Vw is in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met zesde lid is bepaald in welke gevallen naar beneden of naar boven wordt afgeweken van de (maximale) duur van het inreisverbod.
Artikel 66b, tweede lid, Vw en artikelen 6.5 en 6.5a Vb.
Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.
Zie pagina 5 van proces-verbaal gehoor aangaande artikel 62a van de Vw, al of niet gepaard met een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, 1e of 2e lid van de Vwvan 30 juli 2026.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:329.
Rechtsoverweging 8.3., ECLI:NL:RVS:2026:329.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858.
Rechtsoverweging 10, ECLI:NL:RVS:2026:329.
ECLI:NL:RVS:2026:3430
Als bedoeld in artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.
Gelet op punt 77 en 79 van het arrest van het Hof van 8 november 2022.
Rechtsoverweging 10: “Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten.” ECLI:NL:RVS:2026:3430