Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22121
2026-05-19
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/703422 / KG ZA 26-398
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verstekvonnis; Belastingdienst; artikel 47 en 49 Algemene wet inzake rijksbelastingen; vaststelling belastingplicht; bevel opgaaf te doen van onder meer bronnen van inkomsten; lijfsdwang.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.999 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703422 / KG ZA 26-398
Vonnis in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst) te Den Haag,
eiser,
advocaten mr. W.I. Wisman en mr. L.J. Overwater te Den Haag,
tegen:
1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
beiden wonende aan de [adres] , te [kanaaleiland] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedaagden,
niet verschenen.
Eiser wordt hierna ‘de Staat’ genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk ‘ [gedaagden] c.s.’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Op 16 april 2026 heeft mr. L.J. Overwater namens de Staat de rechtbank een concept-dagvaarding toegestuurd en verzocht om [gedaagden] c.s. op korte termijn te mogen dagvaarden. De rechtbank heeft daarvoor op 17 april 2026 toestemming verleend. Deze toestemming is opgenomen in het dagbepalingsbericht van 17 april 2026.
1.2.
De concept-dagvaarding met daarbij het dagbepalingsbericht waarin staat vermeld dat de zitting op 13 mei 2026 om 11.00 uur plaatsvindt, is op 17 april 2026 namens de Staat aan [gedaagden] c.s. per e-mail toegestuurd. Dat zij deze ook hebben ontvangen blijkt eruit dat zij op 21 april 2026 de conceptdagvaarding en het datumbepalingsbericht (als productie 2) bij hun zogenoemde ‘verweerschrift’ (waarover hierna meer) met overige producties aan de rechtbank hebben toegestuurd.
1.3.
De Staat heeft de dagvaarding op 20 april 2026 openbaar laten betekenen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag.
1.4.
[gedaagden] c.s. zijn ter zitting niet verschenen. Namens de Staat is ter zitting toegelicht dat een bericht van de deurwaarder waaruit blijkt van de betekening van de dagvaarding aan [gedaagden] c.s. (nog) niet is ontvangen. De Staat heeft toegelicht dat een kopie van de betekende dagvaarding met daarbij de aan de rechtbank gerichte brief waarin staat vermeld op welke punten de definitieve dagvaarding afwijkt van de concept-dagvaarding op 21 april 2026 om 16.49 uur aan [gedaagden] c.s. is toegezonden. Dit is verzonden naar het e-mailadres waar ook eerdere correspondentie, waaronder het bericht met de concept-dagvaarding en stuitingsbrieven, naartoe zijn gestuurd. De Staat heeft ter zitting gepleit aan de hand van een korte (overgelegde) pleitnotitie. De Staat heeft bij de in de dagvaarding opgenomen eis volhard.
2Verstekverlening
2.1.
[gedaagden] c.s. zijn behoorlijk opgeroepen tegen de terechtzitting van 13 mei 2026. Zij hebben de concept-dagvaarding met het dagbepalingsbericht ontvangen en waren dan ook bekend met de (datum, tijd en plaats van de) terechtzitting. Zij hebben op voorhand ook een uitvoerig verweerschrift met producties naar de rechtbank gestuurd. Daarbij is er ook geen reden om aan te nemen dat [gedaagden] c.s. de betekende dagvaarding niet hebben ontvangen, nu deze is gestuurd naar het e-mailadres waar van de zijde van de Staat veelvuldig correspondentie naar [gedaagden] c.s. is toegestuurd, zoals stuitingsbrieven met het oog op verbeurde dwangsommen, waarvan de ontvangst door [gedaagden] c.s. herhaaldelijk is bevestigd.
2.2.
Hoewel [gedaagden] c.s. behoorlijk zijn opgeroepen tegen de terechtzitting van 13 mei 2026, zijn zij daar niet verschenen. Dat [gedaagden] c.s. voorafgaand aan de zitting een uitvoerig verweerschrift (met producties) hebben ingediend, maakt niet dat zij als ‘verschenen partij’ aangemerkt kunnen worden. Daarvan kan pas sprake zijn als een partij na uitroeping van de zaak ter zitting verschijnt. Omdat dat niet is gebeurd, zal tegen [gedaagden] c.s. verstek worden verleend. De voorzieningenrechter zal het verweerschrift met producties dat [gedaagden] c.s. naar de rechtbank hebben gestuurd, niet bij de beoordeling betrekken.
3De vordering
3.1.
De Staat heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding. De Staat vordert samengevat:
A) [gedaagden] c.s. te bevelen om binnen twee weken volledig en met bewijsstukken gestaafde opgaaf te doen van (i) alle actuele binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten en overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens, (ii) de binnenlandse en buitenlandse banken waar [gedaagden] c.s. bankieren inclusief een specificatie van het saldo op hun bankrekeningen, en (iii) hun huidige vermogensbestanddelen, waaronder alle geheel of gedeeltelijk aan [gedaagden] c.s. toebehorende voor verhaal vatbare goederen inclusief de bestemming van de overwaarde van de door [gedaagden] c.s. verkochte onroerende zaken in Laren, Frankrijk en Zeist;
B) [gedaagden] c.s. te bevelen om iedere relevante en substantiële wijziging in de hoogte of de samenstelling van hun inkomen en vermogen die na voormelde opgave zal plaatsvinden, binnen twee weken, concreet, gespecificeerd en gedocumenteerd schriftelijke aan de Belastingdienst te melden, tot aan het moment dat [gedaagden] c.s. hun volledige dwangsomschuld aan de Belastingdienst hebben voldaan;
C) veroordeling om binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis aan de onder (A) en (B) omschreven bevelen te voldoen, op straffe van lijfsdwang gerekend vanaf de dag dat [gedaagden] c.s. met de nakoming van deze verplichting in gebreke blijven tot aan de dag dat [gedaagden] c.s. voldoen aan het onder (A) en (B) gevorderde, dan wel tot een periode van ten hoogste een jaar;
D) veroordeling van [gedaagden] c.s. in de kosten van de procedure;
E) veroordeling van [gedaagden] c.s. in de nakosten;
F) verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
3.2.
De Staat legt in de kern het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 februari 2020 zijn [gedaagden] c.s. veroordeeld om binnen vier weken gegevens, inlichtingen en/of verklaringen die nodig zijn voor de vaststelling van hun belastingplicht duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] c.s. daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 500.000,00. Dit vonnis is op 20 februari 2020 aan [gedaagden] c.s. betekend. [gedaagden] c.s. zijn zonder succes in hoger beroep en in cassatie opgekomen tegen de beslissing van de voorzieningenrechter, zodat deze onherroepelijk is geworden. [gedaagden] c.s. hebben geen gevolg gegeven aan de veroordeling, waardoor zij het maximum van € 500.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd. De Staat wil deze dwangsomveroordeling executeren. Nu de deurwaarder gerechtigd is om beslag te leggen, zijn [gedaagden] c.s. verplicht om informatie aan te leveren over hun bronnen van inkomsten, de overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens en over de banken waar door hen wordt gebankierd. Aan de informatieplicht komt een ruime werking toe, en deze strekt zich uit tot zowel binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten. Verder geldt dat de schuldenaar ook verplicht kan worden om inzage te geven in zijn vermogenspositie (Hoge Raad 20 september 1991, NJ 1992,552 Tripels/Masson). De door de Staat gevorderde informatie zal worden benut ten behoeve van verhaal ter voldoening van de verschuldigde civielrechtelijke dwangsommen. Omdat [gedaagden] c.s. tot op heden geen medewerking hebben verleend aan het vonnis van 18 februari 2020 en oplegging van een dwangsom niet het beoogde effect heeft gesorteerd, ziet de Staat zich genoodzaakt een beroep te doen op het ultimum remedium van lijfsdwang om de tenuitvoerlegging van het vonnis te kunnen bewerkstelligen.
4De verdere beoordeling
rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Op grond van artikel 6 sub e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende onrechtmatige daad, voor zover het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of voor gaat doen. [gedaagden] c.s. handelen op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek onrechtmatig jegens de Staat (Belastingdienst) door na te laten te voldoen aan hun – bij vonnis vastgestelde en op grond van artikel 47 en 49 Algemene wet inzake rijksbelastingen geldende – verplichtingen die verband houden met de Nederlandse belastingheffing, de als gevolg hiervan verschuldigd geworden dwangsommen, en de op hen rustende informatieverplichtingen om aan de Belastingdienst (als schuldeiser) verhaalsinformatie aan te leveren. Ook komt de voorzieningenrechter rechtsmacht toe op grond van artikel 9 sub c Rv over geschillen die voldoende met de rechtssfeer van Nederland zijn verbonden, en waarvan het onaanvaardbaar is om van eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter in een vreemde staat onderwerpt. Van die situatie is sprake nu [gedaagden] c.s. woonachtig zijn in [kanaaleiland] (waarbij spoedige medewerking bij aan de fiscaliteit gerelateerde zaken van de Belastingdienst niet te verwachten is), terwijl de procedure ziet op de naleving van een Nederlands vonnis in Nederland in verband met verplichtingen op grond van de Nederlandse belastingwetgeving. De zaak is daarmee voldoende verbonden met de Nederlandse rechtssfeer.
4.2.
Nu [gedaagden] c.s. staan ingeschreven op een woonadres te [kanaaleiland] (het buitenland), is de rechtbank Den Haag op grond van artikel 109 Rv bevoegd.
Vorderingen goeddeels toewijsbaar
4.3.
De vorderingen komen de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en worden daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – toegewezen, met dien verstande dat de lijfsdwang die de Staat heeft gevorderd en die zal worden toegewezen, gelet op het belang van het fixeren van een einddatum, in tijdsduur zal worden beperkt tot één jaar, zoals subsidiair is gevorderd.
4.4.
[gedaagden] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- dagvaarding € 151,97
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.835,97
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen [gedaagden] c.s.;
5.2.
beveelt [gedaagden] c.s. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis volledig en met bewijsstukken gestaafde opgaaf te doen van (i) alle actuele binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten en overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens, (ii) de binnenlandse en buitenlandse banken waar [gedaagden] c.s. bankieren inclusief een specificatie van het saldo op hun bankrekeningen, en (iii) hun huidige vermogensbestanddelen, waaronder alle geheel of gedeeltelijk aan [gedaagden] c.s. toebehorende voor verhaal vatbare goederen inclusief de bestemming van de overwaarde van de door [gedaagden] c.s. verkochte onroerende zaken in Laren, Frankrijk en Zeist;
5.3.
beveelt [gedaagden] c.s. om na betekening van dit vonnis iedere relevante en substantiële wijziging in de hoogte of de samenstelling van hun inkomen en vermogen die na voormelde opgave zal plaatsvinden, binnen twee weken, concreet, gespecificeerd en gedocumenteerd schriftelijke aan de Belastingdienst te melden, tot aan het moment dat [gedaagden] c.s. hun volledige dwangsomschuld aan de Belastingdienst hebben voldaan;
5.4.
verklaart onderdelen 5.2. en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang indien [gedaagden] c.s. niet of niet volledig binnen twee weken uitvoering geven aan deze veroordelingen, en verleent de Staat verlof om [gedaagden] c.s. in gijzeling te doen stellen, tot een maximum van 365 dagen;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] c.s. in de proceskosten van € 1.835,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
veroordeelt [gedaagden] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
ddg
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703422 / KG ZA 26-398
Vonnis in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst) te Den Haag,
eiser,
advocaten mr. W.I. Wisman en mr. L.J. Overwater te Den Haag,
tegen:
1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
beiden wonende aan de [adres] , te [kanaaleiland] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedaagden,
niet verschenen.
Eiser wordt hierna ‘de Staat’ genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk ‘ [gedaagden] c.s.’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Op 16 april 2026 heeft mr. L.J. Overwater namens de Staat de rechtbank een concept-dagvaarding toegestuurd en verzocht om [gedaagden] c.s. op korte termijn te mogen dagvaarden. De rechtbank heeft daarvoor op 17 april 2026 toestemming verleend. Deze toestemming is opgenomen in het dagbepalingsbericht van 17 april 2026.
1.2.
De concept-dagvaarding met daarbij het dagbepalingsbericht waarin staat vermeld dat de zitting op 13 mei 2026 om 11.00 uur plaatsvindt, is op 17 april 2026 namens de Staat aan [gedaagden] c.s. per e-mail toegestuurd. Dat zij deze ook hebben ontvangen blijkt eruit dat zij op 21 april 2026 de conceptdagvaarding en het datumbepalingsbericht (als productie 2) bij hun zogenoemde ‘verweerschrift’ (waarover hierna meer) met overige producties aan de rechtbank hebben toegestuurd.
1.3.
De Staat heeft de dagvaarding op 20 april 2026 openbaar laten betekenen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag.
1.4.
[gedaagden] c.s. zijn ter zitting niet verschenen. Namens de Staat is ter zitting toegelicht dat een bericht van de deurwaarder waaruit blijkt van de betekening van de dagvaarding aan [gedaagden] c.s. (nog) niet is ontvangen. De Staat heeft toegelicht dat een kopie van de betekende dagvaarding met daarbij de aan de rechtbank gerichte brief waarin staat vermeld op welke punten de definitieve dagvaarding afwijkt van de concept-dagvaarding op 21 april 2026 om 16.49 uur aan [gedaagden] c.s. is toegezonden. Dit is verzonden naar het e-mailadres waar ook eerdere correspondentie, waaronder het bericht met de concept-dagvaarding en stuitingsbrieven, naartoe zijn gestuurd. De Staat heeft ter zitting gepleit aan de hand van een korte (overgelegde) pleitnotitie. De Staat heeft bij de in de dagvaarding opgenomen eis volhard.
2Verstekverlening
2.1.
[gedaagden] c.s. zijn behoorlijk opgeroepen tegen de terechtzitting van 13 mei 2026. Zij hebben de concept-dagvaarding met het dagbepalingsbericht ontvangen en waren dan ook bekend met de (datum, tijd en plaats van de) terechtzitting. Zij hebben op voorhand ook een uitvoerig verweerschrift met producties naar de rechtbank gestuurd. Daarbij is er ook geen reden om aan te nemen dat [gedaagden] c.s. de betekende dagvaarding niet hebben ontvangen, nu deze is gestuurd naar het e-mailadres waar van de zijde van de Staat veelvuldig correspondentie naar [gedaagden] c.s. is toegestuurd, zoals stuitingsbrieven met het oog op verbeurde dwangsommen, waarvan de ontvangst door [gedaagden] c.s. herhaaldelijk is bevestigd.
2.2.
Hoewel [gedaagden] c.s. behoorlijk zijn opgeroepen tegen de terechtzitting van 13 mei 2026, zijn zij daar niet verschenen. Dat [gedaagden] c.s. voorafgaand aan de zitting een uitvoerig verweerschrift (met producties) hebben ingediend, maakt niet dat zij als ‘verschenen partij’ aangemerkt kunnen worden. Daarvan kan pas sprake zijn als een partij na uitroeping van de zaak ter zitting verschijnt. Omdat dat niet is gebeurd, zal tegen [gedaagden] c.s. verstek worden verleend. De voorzieningenrechter zal het verweerschrift met producties dat [gedaagden] c.s. naar de rechtbank hebben gestuurd, niet bij de beoordeling betrekken.
3De vordering
3.1.
De Staat heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding. De Staat vordert samengevat:
A) [gedaagden] c.s. te bevelen om binnen twee weken volledig en met bewijsstukken gestaafde opgaaf te doen van (i) alle actuele binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten en overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens, (ii) de binnenlandse en buitenlandse banken waar [gedaagden] c.s. bankieren inclusief een specificatie van het saldo op hun bankrekeningen, en (iii) hun huidige vermogensbestanddelen, waaronder alle geheel of gedeeltelijk aan [gedaagden] c.s. toebehorende voor verhaal vatbare goederen inclusief de bestemming van de overwaarde van de door [gedaagden] c.s. verkochte onroerende zaken in Laren, Frankrijk en Zeist;
B) [gedaagden] c.s. te bevelen om iedere relevante en substantiële wijziging in de hoogte of de samenstelling van hun inkomen en vermogen die na voormelde opgave zal plaatsvinden, binnen twee weken, concreet, gespecificeerd en gedocumenteerd schriftelijke aan de Belastingdienst te melden, tot aan het moment dat [gedaagden] c.s. hun volledige dwangsomschuld aan de Belastingdienst hebben voldaan;
C) veroordeling om binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis aan de onder (A) en (B) omschreven bevelen te voldoen, op straffe van lijfsdwang gerekend vanaf de dag dat [gedaagden] c.s. met de nakoming van deze verplichting in gebreke blijven tot aan de dag dat [gedaagden] c.s. voldoen aan het onder (A) en (B) gevorderde, dan wel tot een periode van ten hoogste een jaar;
D) veroordeling van [gedaagden] c.s. in de kosten van de procedure;
E) veroordeling van [gedaagden] c.s. in de nakosten;
F) verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
3.2.
De Staat legt in de kern het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 februari 2020 zijn [gedaagden] c.s. veroordeeld om binnen vier weken gegevens, inlichtingen en/of verklaringen die nodig zijn voor de vaststelling van hun belastingplicht duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] c.s. daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 500.000,00. Dit vonnis is op 20 februari 2020 aan [gedaagden] c.s. betekend. [gedaagden] c.s. zijn zonder succes in hoger beroep en in cassatie opgekomen tegen de beslissing van de voorzieningenrechter, zodat deze onherroepelijk is geworden. [gedaagden] c.s. hebben geen gevolg gegeven aan de veroordeling, waardoor zij het maximum van € 500.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd. De Staat wil deze dwangsomveroordeling executeren. Nu de deurwaarder gerechtigd is om beslag te leggen, zijn [gedaagden] c.s. verplicht om informatie aan te leveren over hun bronnen van inkomsten, de overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens en over de banken waar door hen wordt gebankierd. Aan de informatieplicht komt een ruime werking toe, en deze strekt zich uit tot zowel binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten. Verder geldt dat de schuldenaar ook verplicht kan worden om inzage te geven in zijn vermogenspositie (Hoge Raad 20 september 1991, NJ 1992,552 Tripels/Masson). De door de Staat gevorderde informatie zal worden benut ten behoeve van verhaal ter voldoening van de verschuldigde civielrechtelijke dwangsommen. Omdat [gedaagden] c.s. tot op heden geen medewerking hebben verleend aan het vonnis van 18 februari 2020 en oplegging van een dwangsom niet het beoogde effect heeft gesorteerd, ziet de Staat zich genoodzaakt een beroep te doen op het ultimum remedium van lijfsdwang om de tenuitvoerlegging van het vonnis te kunnen bewerkstelligen.
4De verdere beoordeling
rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Op grond van artikel 6 sub e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende onrechtmatige daad, voor zover het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of voor gaat doen. [gedaagden] c.s. handelen op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek onrechtmatig jegens de Staat (Belastingdienst) door na te laten te voldoen aan hun – bij vonnis vastgestelde en op grond van artikel 47 en 49 Algemene wet inzake rijksbelastingen geldende – verplichtingen die verband houden met de Nederlandse belastingheffing, de als gevolg hiervan verschuldigd geworden dwangsommen, en de op hen rustende informatieverplichtingen om aan de Belastingdienst (als schuldeiser) verhaalsinformatie aan te leveren. Ook komt de voorzieningenrechter rechtsmacht toe op grond van artikel 9 sub c Rv over geschillen die voldoende met de rechtssfeer van Nederland zijn verbonden, en waarvan het onaanvaardbaar is om van eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter in een vreemde staat onderwerpt. Van die situatie is sprake nu [gedaagden] c.s. woonachtig zijn in [kanaaleiland] (waarbij spoedige medewerking bij aan de fiscaliteit gerelateerde zaken van de Belastingdienst niet te verwachten is), terwijl de procedure ziet op de naleving van een Nederlands vonnis in Nederland in verband met verplichtingen op grond van de Nederlandse belastingwetgeving. De zaak is daarmee voldoende verbonden met de Nederlandse rechtssfeer.
4.2.
Nu [gedaagden] c.s. staan ingeschreven op een woonadres te [kanaaleiland] (het buitenland), is de rechtbank Den Haag op grond van artikel 109 Rv bevoegd.
Vorderingen goeddeels toewijsbaar
4.3.
De vorderingen komen de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en worden daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – toegewezen, met dien verstande dat de lijfsdwang die de Staat heeft gevorderd en die zal worden toegewezen, gelet op het belang van het fixeren van een einddatum, in tijdsduur zal worden beperkt tot één jaar, zoals subsidiair is gevorderd.
4.4.
[gedaagden] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- dagvaarding € 151,97
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.835,97
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen [gedaagden] c.s.;
5.2.
beveelt [gedaagden] c.s. om binnen twee weken na betekening van dit vonnis volledig en met bewijsstukken gestaafde opgaaf te doen van (i) alle actuele binnenlandse en buitenlandse bronnen van inkomsten en overige voor vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens, (ii) de binnenlandse en buitenlandse banken waar [gedaagden] c.s. bankieren inclusief een specificatie van het saldo op hun bankrekeningen, en (iii) hun huidige vermogensbestanddelen, waaronder alle geheel of gedeeltelijk aan [gedaagden] c.s. toebehorende voor verhaal vatbare goederen inclusief de bestemming van de overwaarde van de door [gedaagden] c.s. verkochte onroerende zaken in Laren, Frankrijk en Zeist;
5.3.
beveelt [gedaagden] c.s. om na betekening van dit vonnis iedere relevante en substantiële wijziging in de hoogte of de samenstelling van hun inkomen en vermogen die na voormelde opgave zal plaatsvinden, binnen twee weken, concreet, gespecificeerd en gedocumenteerd schriftelijke aan de Belastingdienst te melden, tot aan het moment dat [gedaagden] c.s. hun volledige dwangsomschuld aan de Belastingdienst hebben voldaan;
5.4.
verklaart onderdelen 5.2. en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang indien [gedaagden] c.s. niet of niet volledig binnen twee weken uitvoering geven aan deze veroordelingen, en verleent de Staat verlof om [gedaagden] c.s. in gijzeling te doen stellen, tot een maximum van 365 dagen;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] c.s. in de proceskosten van € 1.835,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
veroordeelt [gedaagden] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
ddg