Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22109

2026-07-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.24679 en NL26.24680
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.24679 en NL26.24680
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Letland. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet op grond van artikel 16 van de Dublinverordening in behandeling heeft genomen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.906 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.24679 (beroep) en NL26.24680 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. E. Berger)



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen omdat hij Letland verantwoordelijk acht voor de aanvraag.



1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. Y. Yatti als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam] als tolk.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet op grond van artikel 16 van de Dublinverordening in behandeling heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit



4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.


4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser een visum van Letland heeft gekregen. Dit visum was geldig van 23 december 2025 tot en met 17 januari 2026. Eiser is op 23 december 2025 met het visum naar Nederland gereisd. Eisers visum was dus minder dan zes maanden verlopen toen eiser asiel aanvroeg in Nederland. Op 20 februari 2026 heeft Nederland daarom een overnameverzoek verstuurd naar Letland. De autoriteiten van Letland zijn op 21 april 2026 met dit verzoek akkoord gegaan. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid van Letland vast is komen te staan.



Bevat het bestreden besluit een onjuiste datum van het claimakkoord?




5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit een onjuiste datum van het claimakkoord bevat. In het bestreden besluit staat dat Letland op 21 april 2026 het claimverzoek heeft geaccepteerd. Op 20 april was echter al een fictief akkoord tot stand gekomen, omdat toen de twee maanden termijn was verlopen. Volgens eiser is dit een zorgvuldigheidsgebrek.




5.1.
De rechtbank stelt vast dat het claimverzoek op 20 februari 2026 door de autoriteiten van Letland is ontvangen. Uit het dossier blijkt verder dat Letland op 20 april 2026 akkoord is gegaan met het claimverzoek. Dit is ook door eiser ter zitting erkend. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting gesteld dat in het bestreden besluit weliswaar de datum 21 april 2026 is genoemd, maar dat dit een verschrijving van verweerder is. De rechtbank volgt verweerder. Gelet op artikel 22, eerste lid van de Dublinverordening en artikel 42, aanhef en onder a van de Dublinverordening heeft Letland binnen twee maanden en dus op tijd gereageerd op het claimverzoek. De enkele verschrijving van verweerder in het bestreden besluit doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.



Had verweerder eisers asielaanvraag op grond van het arrest C.K. in behandeling moeten nemen?




6. Ter zitting heeft de waarnemer van de gemachtigde van eiser een beroep gedaan op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en aangevoerd dat eisers gezondheid door de overdracht aan Letland aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren. Verweerder heeft daarom ten onrechte besloten om eiser over te dragen aan Letland. De waarnemer van de gemachtigde van eiser heeft ook een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2026 en op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 13 juli 2026.




6.1.
De rechtbank volgt eiser niet. In het bestreden besluit en ook ter zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet met documenten heeft aangetoond dat de overdracht zelf zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht heeft gesteld, blijkt uit de door eiser overgelegde medische stukken niet wat het risico voor eisers gezondheid is als hij wordt overgedragen aan Letland. Daarbij overweegt de rechtbank dat in de onderliggende zaken van de uitspraken waar eiser zich op beroept, er bij de vreemdeling een suiciderisico was geconstateerd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.



Had verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 16 van de Dublinverordening?




7. Eiser voert aan dat hij ernstig ziek is en afhankelijk van de zorg van zijn broer, die hier in Nederland woont. Daarom had verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen. In tegenstelling tot wat verweerder stelt, voert eiser aan dat hij wel duidelijk heeft gemaakt wat de zorgtaken van zijn broer zijn.




7.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder naar aanleiding van de laatst overgelegde medische stukken van Kleur GGZ, erkend dat sprake is van een ernstige ziekte zoals bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening. Eisers afhankelijkheid van zijn broer is volgens de gemachtigde van verweerder echter onvoldoende onderbouwd.



7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het medisch dossier van het GZA en uit de stukken van Kleur GGZ blijkt dat eiser onder meer last heeft van depressie en paniekaanvallen. Als eiser een paniekaanval heeft, dan kan hij niet meer communiceren. De aanwezigheid van eisers broer is volgens Kleur GGZ een beschermende factor. Verder blijkt uit de medische stukken dat eiser een darmaandoening heeft, waarvoor eiser eerder dit jaar is geopereerd en waarvoor nog meer medische behandelingen staan gepland. Naast deze medische stukken heeft eiser twee schriftelijke verklaringen van zijn broer overgelegd, waarin zijn broer heeft uitgelegd dat hij eiser helpt met dagelijkse activiteiten, het innemen van medicatie, eiser iedere week naar zijn medische- en psychiatrische afspraken brengt en emotionele steun geeft aan eiser wanneer hij paniekaanvallen heeft. Gelet op bovengenoemde stukken in samenhang bezien volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eiser zijn afhankelijkheid van zijn broer onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover verweerder stelt dat eiser eerder in Dubai en vervolgens in Turkije verbleef en zich toen ook zonder familie staande kon houden, overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft gesteld dat zijn medische problemen zich pas hebben geuit toen hij in Turkije was en dat hij toen werd bijgestaan door twee in Turkije woonachtige zussen. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen. Sinds het moment dat eiser ziek werd, heeft hij dus altijd steun van zijn familie ontvangen.

8. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet op grond van artikel 16 van de Dublinverordening in behandeling heeft genomen, komt de rechtbank niet toe aan de beroepsgrond over artikel 17 van de Dublinverordening.



Conclusie en gevolgen



9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.



9.2.
Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.



9.3.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 april 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verordening (EU) nr. 604/2013.


Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.


Arrest van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.


ECLI:NL:RVS:2026:3225.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19369.


Gezondheidszorg Asielzoekers.


Kleur GGZ (Geestelijke Gezondheidszorg) biedt cultuursensitieve psychiatrische zorg specifiek voor asielzoekers.