Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22103
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42675 & NL26.43470
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening. Asiel. Uitzetting naar Turkije. Verzoek afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12968 Rechtbank Den Haag 21-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19392 Rechtbank Den Haag 13-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.202 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.42675 en NL26.43470
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ince),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
In het besluit van 16 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft beroep (NL26.42674) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.42675 en NL26.43470).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit.
2. Op 3 maart 2023 heeft verzoeker zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. In het besluit van 27 april 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals die luidde tot 12 juni 2026. Dit besluit staat in rechte vast omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Op 12 mei 2026 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
3. Vervolgens heeft verzoeker op 1 juli 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. In het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vw zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat er geen sprake is van nieuwe relevante elementen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
4. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer NL26.42675 strekt ertoe te voorkomen dat verzoeker wordt uitgezet voordat op het beroep is beslist. Het verzoek in de zaak met nummer NL26.43470 is ingediend naar aanleiding van een door verzoeker verondersteld besluit op een derde asielaanvraag dat op 30 juli 2026 telefonisch zou zijn bekendgemaakt. Verweerder heeft echter meegedeeld dat geen sprake is van een aanvullend besluit. Wel heeft verzoeker op 30 juli 2026 opnieuw een asielwens kenbaar gemaakt. Dit is vervolgens aangemerkt als een aanvullende verklaring over de opvolgende asielaanvraag. Hierop heeft verzoeker verzocht om het verzoek met nummer NL26.43470 te beschouwen als te zijn gericht tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting. Gelet hierop beschouwt de voorzieningenrechter dit verzoek als een aanvulling op het eerdere verzoek.
5. Verzoeker voert aan dat zijn uitzetting naar Turkije achterwege moet blijven omdat de autoriteiten van Italië verantwoordelijk zijn voor zijn asielaanvraag. Ter onderbouwing daarvan heeft hij diverse stukken overgelegd van de Italiaanse autoriteiten en van zijn Italiaanse advocaat. Daarnaast voert verzoeker aan dat uitzetting naar Turkije in strijd zou zijn met het verbod op onmenselijke behandeling. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een afschrift van een Turks verzoek om strafvervolging overgelegd. Verder voert verzoeker aan dat verweerder niet heeft onderkend dat zijn gezondheid is verslechterd.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om de uitzetting van verzoeker te verbieden. Met de inhoudelijke behandeling van verzoekers asielaanvragen is Nederland verantwoordelijk geworden. Daarnaast zijn er niet alsnog nieuwe elementen aangevoerd die afdoen aan de beoordeling van de eerste asielaanvraag.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Duidelijk is dat verweerder beoogt om verzoeker op 7 augustus 2026 uit te zetten. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb is een zitting om die reden achterwege gelaten.
8. Uit de uitspraken in verzoekers bewaringsprocedure blijkt dat verzoeker procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad in Italië hangende een asielaanvraag aldaar, en dat dit op 11 mei 2026 is geëindigd. Uit de door verzoeker in deze procedure overgelegde stukken, die in de Italiaanse taal zijn opgesteld en in het Nederlands zijn toegelicht door zijn gemachtigde, kan niet worden opgemaakt dat de Italiaanse autoriteiten thans verantwoordelijk zijn voor verzoekers opvolgende asielaanvraag. Dit betreft deels stukken uit verzoekers eerdere Italiaanse asielprocedure, deels stukken waarin zijn Italiaanse advocaat om inlichtingen vraagt en een brief van 30 juli 2026 van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken aan een lokaal hoofdpolitiebureau waarin wordt gesteld dat Italië verantwoordelijk zou zijn. Het is echter niet duidelijk waarop deze laatste mededeling is gebaseerd. Bovendien is niet gebleken van een claimverzoek en heeft Nederland verzoekers latere asielaanvraag inhoudelijk in behandeling genomen.
9. Daarnaast staat in rechte vast dat verzoekers stelling dat hij in Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij een aanhanger is van de Gülenbeweging ongeloofwaardig is. Dit volgt immers uit het besluit van 27 april 2026. Uit wat verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd, kan niet alsnog worden afgeleid dat uitzetting in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In een gehoor van 5 augustus 2026 heeft verzoeker geen enkele uitleg kunnen geven over het Turkse verzoek tot strafvervolging wegens oppositionele activiteiten. Niet valt in te zien waarom dit stuk pas nu is verkregen terwijl er in de periode 15 juli 2016 tot 4 augustus 2026 nooit stukken zijn verkregen. Daarbij heeft het Bureau Documenten van verweerder een in 2022 door verzoeker overgelegd arrestatiebevel beoordeeld als ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven’, en een eerder overgelegd krantenartikel als ‘niet echt’. Evenmin valt in te zien waarom kennelijk verzoekers broer, die ook overigens niet als een objectieve bron kan worden beschouwd, eerst op 4 augustus 2026 tegen verzoeker aangifte zou doen met verwijzing naar eisers algemene houding ten tijde van de coup in 2016 en eisers vertrek naar het buitenland in 2019.
10. Ten slotte kan uit wat door verzoeker is aangevoerd niet worden afgeleid dat uitzetting naar Turkije op zichzelf, dan wel verblijf in Turkije om medische redenen zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.
11. De conclusie is dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch doorgegeven aan de gemachtigde van verzoeker op 6 augustus 2026 om 11:08 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 6 augustus 2026 om 11:10 uur.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 21 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:12968) en 13 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19392).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.42675 en NL26.43470
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ince),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
In het besluit van 16 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft beroep (NL26.42674) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.42675 en NL26.43470).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit.
2. Op 3 maart 2023 heeft verzoeker zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. In het besluit van 27 april 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals die luidde tot 12 juni 2026. Dit besluit staat in rechte vast omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Op 12 mei 2026 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
3. Vervolgens heeft verzoeker op 1 juli 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. In het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vw zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat er geen sprake is van nieuwe relevante elementen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
4. Het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer NL26.42675 strekt ertoe te voorkomen dat verzoeker wordt uitgezet voordat op het beroep is beslist. Het verzoek in de zaak met nummer NL26.43470 is ingediend naar aanleiding van een door verzoeker verondersteld besluit op een derde asielaanvraag dat op 30 juli 2026 telefonisch zou zijn bekendgemaakt. Verweerder heeft echter meegedeeld dat geen sprake is van een aanvullend besluit. Wel heeft verzoeker op 30 juli 2026 opnieuw een asielwens kenbaar gemaakt. Dit is vervolgens aangemerkt als een aanvullende verklaring over de opvolgende asielaanvraag. Hierop heeft verzoeker verzocht om het verzoek met nummer NL26.43470 te beschouwen als te zijn gericht tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting. Gelet hierop beschouwt de voorzieningenrechter dit verzoek als een aanvulling op het eerdere verzoek.
5. Verzoeker voert aan dat zijn uitzetting naar Turkije achterwege moet blijven omdat de autoriteiten van Italië verantwoordelijk zijn voor zijn asielaanvraag. Ter onderbouwing daarvan heeft hij diverse stukken overgelegd van de Italiaanse autoriteiten en van zijn Italiaanse advocaat. Daarnaast voert verzoeker aan dat uitzetting naar Turkije in strijd zou zijn met het verbod op onmenselijke behandeling. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een afschrift van een Turks verzoek om strafvervolging overgelegd. Verder voert verzoeker aan dat verweerder niet heeft onderkend dat zijn gezondheid is verslechterd.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om de uitzetting van verzoeker te verbieden. Met de inhoudelijke behandeling van verzoekers asielaanvragen is Nederland verantwoordelijk geworden. Daarnaast zijn er niet alsnog nieuwe elementen aangevoerd die afdoen aan de beoordeling van de eerste asielaanvraag.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Duidelijk is dat verweerder beoogt om verzoeker op 7 augustus 2026 uit te zetten. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb is een zitting om die reden achterwege gelaten.
8. Uit de uitspraken in verzoekers bewaringsprocedure blijkt dat verzoeker procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad in Italië hangende een asielaanvraag aldaar, en dat dit op 11 mei 2026 is geëindigd. Uit de door verzoeker in deze procedure overgelegde stukken, die in de Italiaanse taal zijn opgesteld en in het Nederlands zijn toegelicht door zijn gemachtigde, kan niet worden opgemaakt dat de Italiaanse autoriteiten thans verantwoordelijk zijn voor verzoekers opvolgende asielaanvraag. Dit betreft deels stukken uit verzoekers eerdere Italiaanse asielprocedure, deels stukken waarin zijn Italiaanse advocaat om inlichtingen vraagt en een brief van 30 juli 2026 van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken aan een lokaal hoofdpolitiebureau waarin wordt gesteld dat Italië verantwoordelijk zou zijn. Het is echter niet duidelijk waarop deze laatste mededeling is gebaseerd. Bovendien is niet gebleken van een claimverzoek en heeft Nederland verzoekers latere asielaanvraag inhoudelijk in behandeling genomen.
9. Daarnaast staat in rechte vast dat verzoekers stelling dat hij in Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij een aanhanger is van de Gülenbeweging ongeloofwaardig is. Dit volgt immers uit het besluit van 27 april 2026. Uit wat verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd, kan niet alsnog worden afgeleid dat uitzetting in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In een gehoor van 5 augustus 2026 heeft verzoeker geen enkele uitleg kunnen geven over het Turkse verzoek tot strafvervolging wegens oppositionele activiteiten. Niet valt in te zien waarom dit stuk pas nu is verkregen terwijl er in de periode 15 juli 2016 tot 4 augustus 2026 nooit stukken zijn verkregen. Daarbij heeft het Bureau Documenten van verweerder een in 2022 door verzoeker overgelegd arrestatiebevel beoordeeld als ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven’, en een eerder overgelegd krantenartikel als ‘niet echt’. Evenmin valt in te zien waarom kennelijk verzoekers broer, die ook overigens niet als een objectieve bron kan worden beschouwd, eerst op 4 augustus 2026 tegen verzoeker aangifte zou doen met verwijzing naar eisers algemene houding ten tijde van de coup in 2016 en eisers vertrek naar het buitenland in 2019.
10. Ten slotte kan uit wat door verzoeker is aangevoerd niet worden afgeleid dat uitzetting naar Turkije op zichzelf, dan wel verblijf in Turkije om medische redenen zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.
11. De conclusie is dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch doorgegeven aan de gemachtigde van verzoeker op 6 augustus 2026 om 11:08 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 6 augustus 2026 om 11:10 uur.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 21 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:12968) en 13 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19392).