Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22098
2026-07-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.28555
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AA, 15c Libië, relatief lager niveau van willekeurig geweld. Aanvullend besluit na wijziging beleid, geschilbeslechting. Aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond omdat er geen motieven naar voren zijn gebracht die verband houden met vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM. Risico bij gedwongen terugkeer onvoldoende onderbouwd.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8250 Rechtbank Den Haag 02-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7309 Rechtbank Den Haag 31-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9570 Rechtbank Den Haag 30-05-2025
- ECLI:EU:C:2021:472
- ECLI:EU:C:2023:843
- ECLI:NL:RVS:2024:2927 Raad van State 17-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:1054 Raad van State 22-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.093 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28555
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 3 augustus 2025 heeft verweerder verzocht om aanhouding van het beroep om nader onderzoek te doen in het licht van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. De geplande zitting van 6 augustus 2025 heeft geen doorgang gevonden.
Op 20 september 2025 heeft er een aanvullend gehoor plaatsgevonden.
Verweerder heeft op 20 november 2025 een aanvullend besluit genomen.
Eiser heeft op 17 december 2025 een reactie op het aanvullend besluit ingediend.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.28556), op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Fayez als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en komt uit de regio [locatie] . Eiser is geboren op [geboortedatum] en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser heeft een conflict met de eigenaar van een voetbalclub waarbij zijn grond in beslag is genomen. Eiser heeft hiertegen aangifte gedaan en de rechtbank in Libië heeft eiser in het gelijk gesteld. Eiser is vervolgens op dagelijkse basis bedreigd door gemaskerde mannen. Hij vreesde voor de veiligheid van zijn kinderen en heeft Libië in 2022 verlaten. Eiser is via Tunesië en Algerije naar Nederland gereisd. Daarna is eiser naar Libië teruggekeerd om de begrafenis van zijn vader bij te wonen. In 2024 is eiser weer naar Nederland gekomen om bij zijn kinderen te zijn. In Nederland heeft eisers vrouw een scheiding aangevraagd. Zij heeft het gezag over de kinderen.
Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Libisch paspoort (positief beoordeeld)
Rijbewijs (negatief beoordeeld)
Geboorteakte (positief beoordeeld)
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst
2.1.
Verweerder heeft dit asielmotief geloofwaardig geacht. Eisers problemen met de eigenaar van de voetbalclub heeft verweerder niet als asielmotief aangemerkt omdat eiser meermaals expliciet heeft benadrukt dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij bij zijn kinderen wil zijn, en niet vanwege een bestaande dreiging in Libië. Volgens verweerder heeft de reden van eisers asielaanvraag dan ook geen raakvlak met het vluchtelingschap zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.2.
Het asielmotief van eiser leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop en omdat eiser volgens verweerder geen aangelegenheden naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor de vraag of hij recht heeft op een asielvergunning, is de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het bestreden omsluit bevat ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Het aanvullend besluit
3. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep ook gericht tegen het aanvullende besluit van 20 november 2025. In dit besluit handhaaft verweerder zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet leiden tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade. Verweerder voert hiertoe aanvullend aan dat er in [locatie] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c (15c), van de Kwalificatierichtlijn. Dit betekent dat eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser is hier met zijn verklaringen in het aanvullend gehoor volgens verweerder niet in geslaagd.
Beoordeling door de rechtbank
Gebrek in het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in [locatie] geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. In het aanvullend besluit heeft verweerder dit standpunt niet gehandhaafd en zich op grond van de meest actuele situatie in Libië op het standpunt gesteld dat er in [locatie] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het bestreden besluit is daarom gebrekkig tot stand gekomen. Gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven.
Tussenconclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Geschilbeslechting
6. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in het bestreden besluit, het aanvullend besluit en zijn toelichting ter zitting, en, van de zijde van eiser, het beroepschrift en de daarin opgenomen beroepsgronden, de reactie op het aanvullend besluit, en zijn toelichting ter zitting.
Kennelijk ongegrond
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Hij heeft namelijk wel motieven naar voren gebracht die verband houden met Vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet kunnen worden aangemerkt als relevante elementen omdat ze geen betrekking hebben op het vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM (zie paragraaf C2/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)).
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser alleen aangelegenheden naar voren heeft gebracht die niet relevant zijn voor de vraag of eiser recht heeft op een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw. Verweerder wijst er in dit kader allereerst terecht op dat eiser in 2022 zijn eerste asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Terwijl eiser in Nederland was overleed zijn vader waardoor hij deze asielaanvraag op 18 januari 2023 heeft ingetrokken. In het nader gehoor verklaart eiser dat hij vervolgens vrijwillig is teruggekeerd naar Libië om de begrafenis van zijn vader bij te wonen (pagina 5 nader gehoor). Verweerder stelt zich hierover naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit erop duidt dat eiser geen internationale bescherming behoeft vanwege de gestelde problemen met de grond.
7.3.
Bovendien wijst verweerder er terecht op dat eiser zowel in het aanmeldgehoor als in het nader gehoor heeft verklaard dat de voornaamste reden van zijn asielaanvraag is dat hij bij zijn kinderen in Nederland wil zijn. Zo heeft eiser op de vraag wat de reden is dat hij Libië heeft verlaten verklaard dat zijn kinderen hier zijn en dat hij bij zijn kinderen wil zijn (pagina 10 aanmeldgehoor), dat hij in de buurt van zijn kinderen wil zijn, en dat het hem niet uitmaakt of dit in Nederland of buiten Nederland is. De verblijfsvergunning, zo geeft eiser aan, is voor hem niet het belangrijkst, dat zijn zijn kinderen (pagina 6 nader gehoor). Ook heeft eiser verklaard dat hij met zijn kinderen kan terugkeren naar Libië, maar niet naar zijn woonplaats (pagina 9 nader gehoor). Wanneer eiser wordt gevraagd of hij asiel heeft aangevraagd om zijn kinderen terug te krijgen, antwoordt eiser instemmend en verklaart hij dat hij bij hen wil verblijven, of ze ergens anders mee naartoe wil nemen om met hun samen te leven (pagina 11 nader gehoor). Verweerder heeft in eisers verklaringen terecht geen omstandigheden gezien die kunnen worden aangemerkt als aangelegenheid die ter zake doen voor zijn asielaanvraag. Zijn verklaringen houden immers geen verband met de vraag of hij bescherming nodig heeft vanwege een gegronde vrees voor vervolging of een risico op schending van fundamentele mensenrechten. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Qadhafi-loyalist
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of hij kan worden aangemerkt als Qadhafi-loyalist omdat Qadhafi-loyalisten een risicoprofiel vormen in het beleid van verweerder. In zijn aanvullende gronden heeft eiser daarnaast nog aangevoerd dat zijn vader een [functie] was in het regime van Qadhafi, in welk kader eiser ook een brief en een foto heeft overgelegd. Op de zitting heeft eiser nog verklaard dat hij na de val van het regime Qadhafi is vastgehouden en is verhoord.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en dat er geen aanleiding is om nader te onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser niet heeft verklaard dat hij een Qadhafi-loyalist is. Ook heeft eiser verklaard nooit persoonlijke problemen te hebben ervaren vanwege zijn politieke overtuiging en heeft eiser op de vraag wat er zou gebeuren als hij zou terugkeren naar Libië enkel gewezen op de problemen met de grond (pagina 7 en 8 nader gehoor). Ook in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor en het nader gehoor heeft eiser niks naar voren gebracht over het zijn van Qadhafi-loyalist. Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser meerdere keren is gevraagd of hij alles naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft hier bevestigend op geantwoord (o.a. pagina 6 en 12 nader gehoor). Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. De enkele eerst ter zitting afgelegde verklaring dat hij na de val van het Qadhafi regime is vastgehouden en verhoord is daarvoor onvoldoende. Ook in de door eiser in beroep overgelegde documenten heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om het zijn van Qadhafi-loyalist nader te onderzoeken. Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat niet is gebleken dat de man die op deze documenten wordt benoemd daadwerkelijk eisers vader is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in [locatie] sprake is van de hoogste gradatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn zodat alleen eisers aanwezigheid in [locatie] al voldoende is om aan te nemen dat hij bij terugkeer een risico loopt op willekeurig geweld. Subsidiair stelt eiser dat hij aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt op willekeurig geweld. Eiser verwijst hierbij naar de omstandigheid dat zijn vader een [functie] was in het regime van Qadhafi, dat eiser het leven van een Britse ambassadeur heeft gered, dat hij problemen heeft met de gewapende groep van Haftar en dat zijn grond onder dwang is ingenomen.
Juridisch kader
10. Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een burger in het betrokken land, alleen al door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit geweld kan volgens paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc worden onderverdeeld in drie gradaties: een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, een relatief hoger niveau van willekeurig geweld en een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld wanneer de mate van dit geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat eenieder al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. Als er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Als er sprake is van een relatief hoger niveau of lager niveau van willekeurig geweld is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dat 2) juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming (de glijdende schaal).
Beoordeling door de rechtbank
11. Verweerder heeft naar aanleiding van het Algemeen Ambtsbericht Libië van juli 2025 (hierna: Algemeen Ambtsbericht) aanleiding gezien om het beleid ten aanzien van Libië aan te passen (WBV 2025/21). Voor [locatie] is verweerder van oordeel dat er sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Verweerder verwijst hierbij naar de Kamerbrief landenbeleid Libië van 27 oktober 2025 (referentie [kenmerk 1] ) en de daarbij behorende beslisnota landenbeleid Libië van 23 september 2025 (referentie [kenmerk 2] ).
11.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat er in [locatie] sprake is van de meest uitzonderlijke gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn niet concreet met landeninformatie heeft onderbouwd. Eiser heeft gewezen op een Country Guidance rapport van de UK home Office van april 2025, maar heeft niet aangegeven om welk rapport het exact gaat en uit welke passages volgt dat er in [locatie] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Bovendien is in de ‘Country Policy and information note: humanitarian situation’ en de ‘Country policy and information note, security situation’ van de UK Home Office van april 2025 juist expliciet vermeld dat de humanitaire situatie en de veiligheidssituatie niet zodanig zijn dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat (pagina 4 van beide rapporten). Daarnaast blijkt uit verwijzingen in het Algemeen Ambtsbericht dat verweerder bekend is met de informatie uit deze twee rapporten en dat dit ook bij de beoordeling van verweerder is betrokken. Eiser heeft niet uitgelegd waarom deze beoordeling van verweerder onzorgvuldig is geweest.
11.2.
Eiser heeft verder gewezen op pagina 43 en 44 van het Algemeen Ambtsbericht. Hierin staat onder andere dat er van maart 2023 tot en met juni 2025 66 incidenten van protesten gevechten, geweld als gevolg van explosieven/geweld op afstand en geweld tegen burgers zijn geregistreerd. Bij deze incidenten vielen ten minste 39 doden. Bij 36 van die incidenten waren (met 19 doden) burgers het belangrijkste of enige doelwit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat er sprake is van de hoogste gradatie van 15c. Niet is gebleken dat de incidenten op zo’n grote schaal plaatsvinden dat alleen iemands aanwezigheid in het oosten van Libië al resulteert in een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft ook niet gemotiveerd waarom deze verwijzing tot de conclusie moet leiden dat geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals verweerder stelt.
11.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er in [locatie] sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico op schade loopt.
11.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheden. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor immers alleen voorbeelden van gericht geweld naar voren gebracht. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn problemen meer persoonlijk zijn (pagina 5 aanvullend gehoor) en heeft eiser op de vraag of hij enkel risico loopt om slachtoffer te worden van geweld gericht op hem als persoon bevestigend geantwoord (pagina 7 aanvullend gehoor). Bovendien betwist eiser niet dat hij in andere delen van Libië wel veilig kan verblijven. Dit blijkt ook uit eisers verklaringen waarin hij zegt dat hij niet kan terugkeren naar zijn woonplaats, maar wel ergens anders (pagina 8 nader gehoor) en dat eiser in een ander deel van Libië kan wonen (pagina 11 nader gehoor). Gelet op eisers verklaringen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De beroepsgrond slaagt niet.
Risico bij (gedwongen) terugkeer
12. Eiser heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat een gedwongen terugkeer naar Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is er volgens eiser niet in geslaagd om elke twijfel over een risico op schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Eiser heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 2 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:8250), de uitspraak van zittingsplaats Groningen van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7309) en pagina 131 en 132 van het Algemeen Ambtsbericht.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiser bij gedwongen terugkeer naar Libië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat eiser eerder naar Libië is teruggekeerd en dat hij heeft verklaard geen problemen te hebben ondervonden en niets zou hebben vernomen van de gewapende groepering. Ook eisers broer, die eisers huis in Libië bezocht, is niet bedreigd (pagina 8 nader gehoor). Over de inbeslagname van zijn stuk grond door de overheid heeft eiser verder verklaard dat deze zonder probleem van hem is afgepakt en dat hij daar een vergoeding voor krijgt (pagina 8 nader gehoor). Voorts blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht weliswaar dat er gevallen bekend zijn waarbij een persoon terugkeerde naar Libië en vervolgens problemen heeft ondervonden, waaronder detentie, maar, zo stelt verweerder terecht, dit maakt niet dat aannemelijk is dat dit ook bij eiser zal gebeuren. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit het Algemeen Ambtsbericht niet volgt dat dit zodanig veel voorkomt dat alle mensen bij terugkeer een risico lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Zo noemt het Ambtsbericht een persoon die bij terugkeer problemen heeft ondervonden die verband hielden met seksuele oriëntatie en religieuze overtuiging. Verder wordt er melding gemaakt van problemen na gedwongen terugkeer van twee vrouwen die zonder voogd op reis naar Europa waren voor deelname aan een conferentie. Verweerder wijst er terecht op dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met deze gevallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op hetgeen onder 4 en 5 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op wat onder 7 tot en met 12.1. is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 juni 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kan blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit en het aanvullend besluit, tenzij anders vermeld.
Eiser verwijst hierbij naar een rapport van de UK Home Office van april 2025, de jarenlange aanwezigheid van de United Nations Support Mission in Libië en het Algemeen Ambtsbericht Libië van juli 2025, p. 43-44, 50 en 120.
Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 30 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9570).
Zie ook de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472, CF en DN) en 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843, X en Y) en de uitleg daarvan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927), 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153), 22 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1054) en 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153).
Eiser heeft verklaard dat zijn huis in brand is gestoken, dat zijn vader [functie] is geweest onder Qadhafi, dat hij problemen heeft vanwege en stuk grond, en dat hij het leven van de Britse ambassadeur heeft gered.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28555
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 3 augustus 2025 heeft verweerder verzocht om aanhouding van het beroep om nader onderzoek te doen in het licht van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. De geplande zitting van 6 augustus 2025 heeft geen doorgang gevonden.
Op 20 september 2025 heeft er een aanvullend gehoor plaatsgevonden.
Verweerder heeft op 20 november 2025 een aanvullend besluit genomen.
Eiser heeft op 17 december 2025 een reactie op het aanvullend besluit ingediend.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.28556), op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Fayez als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiser heeft de Libische nationaliteit en komt uit de regio [locatie] . Eiser is geboren op [geboortedatum] en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser heeft een conflict met de eigenaar van een voetbalclub waarbij zijn grond in beslag is genomen. Eiser heeft hiertegen aangifte gedaan en de rechtbank in Libië heeft eiser in het gelijk gesteld. Eiser is vervolgens op dagelijkse basis bedreigd door gemaskerde mannen. Hij vreesde voor de veiligheid van zijn kinderen en heeft Libië in 2022 verlaten. Eiser is via Tunesië en Algerije naar Nederland gereisd. Daarna is eiser naar Libië teruggekeerd om de begrafenis van zijn vader bij te wonen. In 2024 is eiser weer naar Nederland gekomen om bij zijn kinderen te zijn. In Nederland heeft eisers vrouw een scheiding aangevraagd. Zij heeft het gezag over de kinderen.
Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Libisch paspoort (positief beoordeeld)
Rijbewijs (negatief beoordeeld)
Geboorteakte (positief beoordeeld)
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst
2.1.
Verweerder heeft dit asielmotief geloofwaardig geacht. Eisers problemen met de eigenaar van de voetbalclub heeft verweerder niet als asielmotief aangemerkt omdat eiser meermaals expliciet heeft benadrukt dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij bij zijn kinderen wil zijn, en niet vanwege een bestaande dreiging in Libië. Volgens verweerder heeft de reden van eisers asielaanvraag dan ook geen raakvlak met het vluchtelingschap zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.2.
Het asielmotief van eiser leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop en omdat eiser volgens verweerder geen aangelegenheden naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor de vraag of hij recht heeft op een asielvergunning, is de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het bestreden omsluit bevat ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Het aanvullend besluit
3. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep ook gericht tegen het aanvullende besluit van 20 november 2025. In dit besluit handhaaft verweerder zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet leiden tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade. Verweerder voert hiertoe aanvullend aan dat er in [locatie] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c (15c), van de Kwalificatierichtlijn. Dit betekent dat eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser is hier met zijn verklaringen in het aanvullend gehoor volgens verweerder niet in geslaagd.
Beoordeling door de rechtbank
Gebrek in het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in [locatie] geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. In het aanvullend besluit heeft verweerder dit standpunt niet gehandhaafd en zich op grond van de meest actuele situatie in Libië op het standpunt gesteld dat er in [locatie] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het bestreden besluit is daarom gebrekkig tot stand gekomen. Gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven.
Tussenconclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Geschilbeslechting
6. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in het bestreden besluit, het aanvullend besluit en zijn toelichting ter zitting, en, van de zijde van eiser, het beroepschrift en de daarin opgenomen beroepsgronden, de reactie op het aanvullend besluit, en zijn toelichting ter zitting.
Kennelijk ongegrond
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Hij heeft namelijk wel motieven naar voren gebracht die verband houden met Vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet kunnen worden aangemerkt als relevante elementen omdat ze geen betrekking hebben op het vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM (zie paragraaf C2/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)).
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser alleen aangelegenheden naar voren heeft gebracht die niet relevant zijn voor de vraag of eiser recht heeft op een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw. Verweerder wijst er in dit kader allereerst terecht op dat eiser in 2022 zijn eerste asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Terwijl eiser in Nederland was overleed zijn vader waardoor hij deze asielaanvraag op 18 januari 2023 heeft ingetrokken. In het nader gehoor verklaart eiser dat hij vervolgens vrijwillig is teruggekeerd naar Libië om de begrafenis van zijn vader bij te wonen (pagina 5 nader gehoor). Verweerder stelt zich hierover naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit erop duidt dat eiser geen internationale bescherming behoeft vanwege de gestelde problemen met de grond.
7.3.
Bovendien wijst verweerder er terecht op dat eiser zowel in het aanmeldgehoor als in het nader gehoor heeft verklaard dat de voornaamste reden van zijn asielaanvraag is dat hij bij zijn kinderen in Nederland wil zijn. Zo heeft eiser op de vraag wat de reden is dat hij Libië heeft verlaten verklaard dat zijn kinderen hier zijn en dat hij bij zijn kinderen wil zijn (pagina 10 aanmeldgehoor), dat hij in de buurt van zijn kinderen wil zijn, en dat het hem niet uitmaakt of dit in Nederland of buiten Nederland is. De verblijfsvergunning, zo geeft eiser aan, is voor hem niet het belangrijkst, dat zijn zijn kinderen (pagina 6 nader gehoor). Ook heeft eiser verklaard dat hij met zijn kinderen kan terugkeren naar Libië, maar niet naar zijn woonplaats (pagina 9 nader gehoor). Wanneer eiser wordt gevraagd of hij asiel heeft aangevraagd om zijn kinderen terug te krijgen, antwoordt eiser instemmend en verklaart hij dat hij bij hen wil verblijven, of ze ergens anders mee naartoe wil nemen om met hun samen te leven (pagina 11 nader gehoor). Verweerder heeft in eisers verklaringen terecht geen omstandigheden gezien die kunnen worden aangemerkt als aangelegenheid die ter zake doen voor zijn asielaanvraag. Zijn verklaringen houden immers geen verband met de vraag of hij bescherming nodig heeft vanwege een gegronde vrees voor vervolging of een risico op schending van fundamentele mensenrechten. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Qadhafi-loyalist
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of hij kan worden aangemerkt als Qadhafi-loyalist omdat Qadhafi-loyalisten een risicoprofiel vormen in het beleid van verweerder. In zijn aanvullende gronden heeft eiser daarnaast nog aangevoerd dat zijn vader een [functie] was in het regime van Qadhafi, in welk kader eiser ook een brief en een foto heeft overgelegd. Op de zitting heeft eiser nog verklaard dat hij na de val van het regime Qadhafi is vastgehouden en is verhoord.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en dat er geen aanleiding is om nader te onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser niet heeft verklaard dat hij een Qadhafi-loyalist is. Ook heeft eiser verklaard nooit persoonlijke problemen te hebben ervaren vanwege zijn politieke overtuiging en heeft eiser op de vraag wat er zou gebeuren als hij zou terugkeren naar Libië enkel gewezen op de problemen met de grond (pagina 7 en 8 nader gehoor). Ook in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor en het nader gehoor heeft eiser niks naar voren gebracht over het zijn van Qadhafi-loyalist. Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser meerdere keren is gevraagd of hij alles naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft hier bevestigend op geantwoord (o.a. pagina 6 en 12 nader gehoor). Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken of eiser als Qadhafi-loyalist kan worden aangemerkt. De enkele eerst ter zitting afgelegde verklaring dat hij na de val van het Qadhafi regime is vastgehouden en verhoord is daarvoor onvoldoende. Ook in de door eiser in beroep overgelegde documenten heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om het zijn van Qadhafi-loyalist nader te onderzoeken. Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat niet is gebleken dat de man die op deze documenten wordt benoemd daadwerkelijk eisers vader is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in [locatie] sprake is van de hoogste gradatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn zodat alleen eisers aanwezigheid in [locatie] al voldoende is om aan te nemen dat hij bij terugkeer een risico loopt op willekeurig geweld. Subsidiair stelt eiser dat hij aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt op willekeurig geweld. Eiser verwijst hierbij naar de omstandigheid dat zijn vader een [functie] was in het regime van Qadhafi, dat eiser het leven van een Britse ambassadeur heeft gered, dat hij problemen heeft met de gewapende groep van Haftar en dat zijn grond onder dwang is ingenomen.
Juridisch kader
10. Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een burger in het betrokken land, alleen al door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit geweld kan volgens paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc worden onderverdeeld in drie gradaties: een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, een relatief hoger niveau van willekeurig geweld en een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld wanneer de mate van dit geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat eenieder al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. Als er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Als er sprake is van een relatief hoger niveau of lager niveau van willekeurig geweld is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dat 2) juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming (de glijdende schaal).
Beoordeling door de rechtbank
11. Verweerder heeft naar aanleiding van het Algemeen Ambtsbericht Libië van juli 2025 (hierna: Algemeen Ambtsbericht) aanleiding gezien om het beleid ten aanzien van Libië aan te passen (WBV 2025/21). Voor [locatie] is verweerder van oordeel dat er sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Verweerder verwijst hierbij naar de Kamerbrief landenbeleid Libië van 27 oktober 2025 (referentie [kenmerk 1] ) en de daarbij behorende beslisnota landenbeleid Libië van 23 september 2025 (referentie [kenmerk 2] ).
11.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat er in [locatie] sprake is van de meest uitzonderlijke gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn niet concreet met landeninformatie heeft onderbouwd. Eiser heeft gewezen op een Country Guidance rapport van de UK home Office van april 2025, maar heeft niet aangegeven om welk rapport het exact gaat en uit welke passages volgt dat er in [locatie] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Bovendien is in de ‘Country Policy and information note: humanitarian situation’ en de ‘Country policy and information note, security situation’ van de UK Home Office van april 2025 juist expliciet vermeld dat de humanitaire situatie en de veiligheidssituatie niet zodanig zijn dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat (pagina 4 van beide rapporten). Daarnaast blijkt uit verwijzingen in het Algemeen Ambtsbericht dat verweerder bekend is met de informatie uit deze twee rapporten en dat dit ook bij de beoordeling van verweerder is betrokken. Eiser heeft niet uitgelegd waarom deze beoordeling van verweerder onzorgvuldig is geweest.
11.2.
Eiser heeft verder gewezen op pagina 43 en 44 van het Algemeen Ambtsbericht. Hierin staat onder andere dat er van maart 2023 tot en met juni 2025 66 incidenten van protesten gevechten, geweld als gevolg van explosieven/geweld op afstand en geweld tegen burgers zijn geregistreerd. Bij deze incidenten vielen ten minste 39 doden. Bij 36 van die incidenten waren (met 19 doden) burgers het belangrijkste of enige doelwit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat er sprake is van de hoogste gradatie van 15c. Niet is gebleken dat de incidenten op zo’n grote schaal plaatsvinden dat alleen iemands aanwezigheid in het oosten van Libië al resulteert in een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft ook niet gemotiveerd waarom deze verwijzing tot de conclusie moet leiden dat geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals verweerder stelt.
11.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er in [locatie] sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico op schade loopt.
11.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheden. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor immers alleen voorbeelden van gericht geweld naar voren gebracht. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn problemen meer persoonlijk zijn (pagina 5 aanvullend gehoor) en heeft eiser op de vraag of hij enkel risico loopt om slachtoffer te worden van geweld gericht op hem als persoon bevestigend geantwoord (pagina 7 aanvullend gehoor). Bovendien betwist eiser niet dat hij in andere delen van Libië wel veilig kan verblijven. Dit blijkt ook uit eisers verklaringen waarin hij zegt dat hij niet kan terugkeren naar zijn woonplaats, maar wel ergens anders (pagina 8 nader gehoor) en dat eiser in een ander deel van Libië kan wonen (pagina 11 nader gehoor). Gelet op eisers verklaringen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De beroepsgrond slaagt niet.
Risico bij (gedwongen) terugkeer
12. Eiser heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat een gedwongen terugkeer naar Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is er volgens eiser niet in geslaagd om elke twijfel over een risico op schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Eiser heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 2 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:8250), de uitspraak van zittingsplaats Groningen van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7309) en pagina 131 en 132 van het Algemeen Ambtsbericht.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiser bij gedwongen terugkeer naar Libië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat eiser eerder naar Libië is teruggekeerd en dat hij heeft verklaard geen problemen te hebben ondervonden en niets zou hebben vernomen van de gewapende groepering. Ook eisers broer, die eisers huis in Libië bezocht, is niet bedreigd (pagina 8 nader gehoor). Over de inbeslagname van zijn stuk grond door de overheid heeft eiser verder verklaard dat deze zonder probleem van hem is afgepakt en dat hij daar een vergoeding voor krijgt (pagina 8 nader gehoor). Voorts blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht weliswaar dat er gevallen bekend zijn waarbij een persoon terugkeerde naar Libië en vervolgens problemen heeft ondervonden, waaronder detentie, maar, zo stelt verweerder terecht, dit maakt niet dat aannemelijk is dat dit ook bij eiser zal gebeuren. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit het Algemeen Ambtsbericht niet volgt dat dit zodanig veel voorkomt dat alle mensen bij terugkeer een risico lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Zo noemt het Ambtsbericht een persoon die bij terugkeer problemen heeft ondervonden die verband hielden met seksuele oriëntatie en religieuze overtuiging. Verder wordt er melding gemaakt van problemen na gedwongen terugkeer van twee vrouwen die zonder voogd op reis naar Europa waren voor deelname aan een conferentie. Verweerder wijst er terecht op dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met deze gevallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op hetgeen onder 4 en 5 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op wat onder 7 tot en met 12.1. is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 juni 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kan blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit en het aanvullend besluit, tenzij anders vermeld.
Eiser verwijst hierbij naar een rapport van de UK Home Office van april 2025, de jarenlange aanwezigheid van de United Nations Support Mission in Libië en het Algemeen Ambtsbericht Libië van juli 2025, p. 43-44, 50 en 120.
Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 30 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9570).
Zie ook de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472, CF en DN) en 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843, X en Y) en de uitleg daarvan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927), 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153), 22 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1054) en 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153).
Eiser heeft verklaard dat zijn huis in brand is gestoken, dat zijn vader [functie] is geweest onder Qadhafi, dat hij problemen heeft vanwege en stuk grond, en dat hij het leven van de Britse ambassadeur heeft gered.