Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22091

2026-07-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.52508
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.52508
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel, Eritrea, ondertekening van het besluit, toetsingskader, vrees voor vervolging/ ernstige schade vanwege detentie en overschrijding van de termijn van het uitreisvisum, ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.080 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.52508


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M. Weerman en mr. J.L.A.H. van Halten).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk terecht gesteld dat niet is gebleken dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft de minister het juiste toetsingskader toegepast en ziet de rechtbank geen gebrek in de ondertekening van het besluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eiseres heeft op [datum] 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend vanwege de publicatie van een nieuw algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea op 19 december 2025. Aan partijen is verzocht om de rechtbank te informeren of het nieuwe ambtsbericht gevolgen heeft voor het bestreden besluit in deze zaak en, zo ja, welke. Naar aanleiding van de heropening heeft de minister op 5 maart 2026 zijn reactie kenbaar gemaakt. Eiseres heeft hierop gereageerd op 10 april 2026 en verzocht om een nadere zitting.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is vertrokken uit Eritrea vanwege de desertie van haar dochter. Haar dochter is in 2021 gevlucht uit militaire dienst en illegaal vertrokken uit Eritrea. Eiseres is daarna in 2021 gearresteerd en drie maanden gedetineerd geweest en na het betalen van 50.000 nakfa vrijgekomen. Eiseres is in [datum] 2023 met een visum voor Duitsland op legale wijze uit Eritrea vertrokken. Bij terugkeer vreest eiseres alleen te zijn, weer gedetineerd te worden vanwege de desertie van haar dochter en omdat zij een lange tijd in het buitenland heeft verbleven. Ook heeft eiseres medische problemen (met een oog) waardoor zij niet terug kan naar Eritrea.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. in detentie gezeten vanwege de desertie van haar dochter uit de militaire dienst.


4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Ook dat eiseres in detentie heeft gezeten vanwege de desertie van haar dochter uit de militaire dienst acht de minister geloofwaardig. De minister stelt dat uit de verklaringen van eiseres echter niet blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Wel krijgt eiseres uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voor de periode van [datum] 2025 tot [datum] 2026, omdat zij medische behandelingen ondergaat voor haar ogen.



Ondertekening van het besluit

5. Eiseres voert aan dat een formeel gebrek aan het besluit kleeft, omdat het besluit niet is ondertekend. Dit gebrek kan volgens eiseres niet worden gepasseerd, omdat niet kan worden gecontroleerd of het besluit door een bevoegd persoon is genomen.




5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is ondertekening van het bestreden besluit niet vereist, nu het bestreden besluit is afgedaan op grond van een regulier afdoeningsmandaat op grond van artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en niet op grond van een ondertekeningsmandaat als bedoeld in artikel 10:11 van de Awb. Bij een regulier afdoeningsmandaat is ondertekening van het in mandaat genomen besluit namelijk niet nodig om als bevoegd genomen besluit te gelden. Daar komt bij dat het voor eiseres mogelijk is om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het besluit staat immers de naam van de betrokken beslismedewerker en ook in het colofon van het besluit staat dat de beslismedewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming, A&B Bedrijfsbureau Zevenaar. Daarmee is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiseres. Van een gebrek door het ontbreken van een handtekening onder het bestreden besluit is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.



Toetsingskader en integrale eindbeoordeling

6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen integrale eindbeoordeling heeft gemaakt van het asielrelaas van eiseres. Hierdoor heeft de minister ten onrechte niet het principe van ‘voordeel van twijfel’ toegepast. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025. Ook heeft de minister eiseres ten onrechte tegengeworpen dat zij niet binnen 48 uur asiel heeft aangevraagd




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft het asielrelaas van eiseres geloofwaardig geacht, zodat niet kan worden gevolgd dat geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zou hebben plaatsgevonden. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, waarin volgens de rechtbank geen integrale beoordeling over het asielrelaas is gemaakt voordat een conclusie over de geloofwaardigheid is getrokken, treft dan ook geen doel. Verder heeft de minister eiseres niet tegengeworpen dat zij niet binnen 48 uur asiel heeft aangevraagd. In dit geval is de asielaanvraag namelijk afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en 30b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. De rechtbank ziet ook anderszins geen grond voor het oordeel dat de wijze van beoordeling leidt tot een met het Unierecht strijdige beoordeling.



Vrees voor vervolging of risico op schending artikel 3 van het EVRM

7. Eiseres voert aan dat haar uitreisvisum is verlopen waardoor zij bij terugkeer vanwege haar niet tijdige terugkeer risico loopt om in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025 roept twijfel op over de afwezigheid van een risico bij vrijwillige terugkeer na een legale uitreis en noemt een asielaanvraag in het buitenland als een algemene risicofactor. Omdat eiseres asiel heeft aangevraagd en naar Duitsland is gereisd (naar haar dochter die daar bescherming geniet wegens haar desertie c.q. dienstplicht), loopt zij gezien de willekeur wel degelijk een risico. Daarnaast heeft de minister onvoldoende betrokken dat eiseres al een schending van artikel 3 van het EVRM heeft meegemaakt, namelijk de detentie wegens haar gedeserteerde dochter. Ook behoeft eiseres een medisch noodzakelijke behandeling welke niet in Eritrea is te verkrijgen.




7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De rechtbank ligt dit hieronder nader toe.



Detentie




7.2.
De minister stelt terecht dat eiseres geen reëel risico loopt om opnieuw gedetineerd te worden en daarmee in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie zal terecht komen. Eiseres heeft haar vrees om weer gedetineerd te worden vanwege de desertie van haar kinderen niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft na de desertie van al haar kinderen en de detentie, wegens de desertie van haar dochter, een uitreisvisum aangevraagd en verkregen. De minister stelt terecht dat het verkrijgen van een dergelijk visum een privilege is, aangezien het voor de gemiddelde Eritreeër moeilijk is om een dergelijk visum te verkrijgen. Omdat eiseres na haar detentie toch een uitreisvisum heeft verkregen, kan worden aangenomen dat de Eritrese autoriteiten haar goed gezind zijn. Verder merkt de minister terecht op dat eiseres heeft verklaard dat zij in de tweede helft van 2021 na betaling is vrijgelaten, en pas in [datum] 2023 het land heeft verlaten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in gevaar is geweest en er voor haar een noodzaak was om onmiddellijk uit Eritrea te vertrekken. In de anderhalf jaar na de vrijlating van eiseres, heeft eiseres niets van de autoriteiten vernomen noch heeft haar familie iets vernomen. Bovendien heeft eiseres verklaard met toestemming van de Zoba, legaal en gecontroleerd (met plaatsing uitreisstempel in paspoort), Eritrea te hebben verlaten. De minister stelt dan ook terecht dat er geen indicaties zijn dat de autoriteiten actief naar eiseres op zoek zijn.



7.3.
De verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van december 2025, waarin op pagina 33 wordt beschreven dat familieleden van dienstplichtontduikers en deserteurs ook tijdens de huidige verslagperiode met repercussies geconfronteerd konden worden, slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres past in één van de in het ambtsbericht genoemde profielen en hierdoor in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat of zal komen te staan bij terugkeer. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij onder de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Zo heeft eiseres na de detentie nog anderhalf jaar zonder problemen in Eritrea verbleven, heeft zij een uitreisvisum aangevraagd en gekregen en heeft zij Eritrea legaal en gecontroleerd verlaten.



Overschrijding van de termijn van het uitreisvisum




7.4.
De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het gestelde overschrijden van de termijn van het uitreisvisum. Eiseres heeft allereerst niet nader onderbouwd dat aan het uitreisvisum een bepaalde termijn was verbonden. Eiseres had dit wel kunnen onderbouwen door haar paspoort te overleggen, maar heeft haar paspoort bewust weggegooid om niet teruggestuurd te kunnen worden. Bovendien volgt uit openbare landeninformatie dat verschillende bronnen expliciet hebben aangegeven dat aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn was verbonden. Uit de bronnen blijkt dat op het uitreisvisum van personen die het land legaal verlieten een geldigheidsdatum stond vermeld welke inhield dat de houder van het uitreisvisum voor die datum Eritrea moest hebben verlaten. Na vertrek kon de houder op elk willekeurig moment terugkeren naar Eritrea. Hieruit volgt dus geen bijzonder risico voor eiseres. Eiseres heeft ook niet op andere wijze onderbouwd dat zij wel binnen een bepaalde periode moest terugkeren. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat aan het uitreisvisum een terugkeertermijn was verbonden en dat zij om die reden bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.



7.5.
De verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, slaagt niet. Op pagina 54 staat beschreven dat als de migrant na legale uitreis in het buitenland asiel had aangevraagd, dit bijvoorbeeld een duidelijke risicofactor was voor problemen met de autoriteiten. Maar ook staat in het ambtsbericht op dezelfde pagina dat drie andere bronnen toevoegden dat terugkeer naar Eritrea na legale uitreis veiliger was en dat deze personen vaak zonder problemen konden terugkeren.





Conclusie en gevolgen


8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ABRvS 15 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1090.


Rb. Den Haag (zp. Groningen) 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846.


Algemeen ambtsbericht Eritrea van het Ministerie van Buitenlandse zaken van december 2023, pagina 20 en 21.


Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, pagina 33 en 54.


Algemeen ambtsbericht Eritrea van het Ministerie van Buitenlandse zaken van december 2023, pagina 19 en algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, pagina 24 en 25.


Pagina 11 van het nader gehoor.


Pagina 12 van het nader gehoor.


Het hoogste regionale bestuursniveau, vergelijkbaar met een provincie.


Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, pagina 26.