Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22084
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39677
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Visumzaak, verzoek om een voorlopige voorziening, geen zwaarwegend spoedeisend belang en ernstige twijfel aan rechtmatigheid besluit, verzoek afgewezen
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12829 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:310 Rechtbank Den Haag 08-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.952 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39677
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2009, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
In het besluit van 6 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoeker heeft op 15 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Achtergrond
1. Verzoeker heeft op 22 juni 2026 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf voor een bezoek aan zijn familie in Nederland.
Het bestreden besluit
2. In het bestreden besluit heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, verzoeker niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten (ook wel vestigingsgevaar genoemd).
Het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister hem moet behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf, dan wel de minister op te dragen voor 24 juli 2026 op het bezwaar te beslissen.
3.1.
Verzoeker legt aan dit verzoek ten grondslag dat aan zijn moeder voor hetzelfde familiebezoek wél een visum voor kort verblijf is verleend. Hij meent dat hij het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf voldoende heeft toegelicht, temeer nu zijn moeder voor hetzelfde doel naar Nederland reist en haar visumaanvraag wel is ingewilligd. Verzoeker meent daarnaast dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat sprake is van vestigingsgevaar. Hij heeft geen enkele intentie zich in Nederland te vestigen en wenst slechts met zijn moeder een bezoek te brengen aan zijn familie in Nederland. Verzoeker gaat in Marokko naar school en heeft een sterk sociaal leven in Marokko. Hij woont samen met zijn moeder en is ook afhankelijk van haar. Bovendien blijft zijn vader achter in Marokko. Er is daarmee sprake van een sterke sociale binding. Daarnaast voert hij aan dat de minister, nog los van de sociale en economische binding met Marokko, moet bezien of er op zichzelf reden is om te twijfelen aan de tijdige terugkeer van verzoeker naar Marokko. Verzoeker meent dat die twijfel in zijn geval ontbreekt. Hij wijst er verder op dat sprake is van een betrouwbare garantsteller (zijn oom).
De beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb tijdens een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Voordat de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Omdat verzoeker een visum heeft aangevraagd voor een familiebezoek in de zomervakantie, aan zijn moeder voor hetzelfde doel een visum voor kort verblijf is verleend dat geldig is tot 18 augustus 2026 en onduidelijk is of de minister vóór het aflopen van de visum zal beslissen, neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van een spoedeisend belang.
6. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter stelt hierbij voorop dat de (primair) gevraagde voorlopige voorziening om verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf geen voorlopig karakter heeft en daarmee verstrekkend is. Toewijzing van dit verzoek zal er namelijk toe leiden dat verzoeker Nederland in kan reizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van deze voorlopige voorziening zijn onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister verzoeker tijdens de bezwaarprocedure in staat moet stellen om naar Nederland te reizen. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt én sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet van een zwaarwegend spoedeisend belang is gebleken. Verzoeker heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn familiebezoek enkel in de zomervakantie kan plaatsvinden. De omstandigheid dat aan de moeder van verzoeker wel een visum voor kort verblijf is verleend en de moeder volgens verzoeker alleen naar Nederland zal komen als ook aan hem een visum wordt verleend, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om toch een zwaarwegend spoedeisend belang aan te nemen. De minister heeft er hierbij op kunnen wijzen dat de moeder van verzoeker eerder een visum heeft aangevraagd en verzoeker toen zelf geen visum heeft aangevraagd en dat daarnaast niet is gebleken dat zij niet op een ander moment gezamenlijk (opnieuw) een visum aan kunnen vragen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker en zijn moeder uitkijken naar het voorgenomen vakantiebezoek, maar gelet op het voorgaande maakt dit niet dat zij een zwaarwegend spoedeisend belang hebben.
8. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat niet alle afwijzingsgronden in het bestreden besluit stand kunnen houden, kan bovendien niet sterk worden getwijfeld over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het verweerschrift niet wordt ingegaan op de in het bestreden besluit gehanteerde afwijzingsgronden dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en verzoeker niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Nu aan de moeder van verzoeker voor hetzelfde verblijfsdoel wel een visum is verleend en niet is gebleken dat de moeder van verzoeker met betrekking tot haar middelen van bestaan in een andere positie verkeert dan verzoeker, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom deze afwijzingsgronden aan verzoeker worden tegengeworpen.
8.2.
De minister heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel aan verzoeker kunnen tegenwerpen dat sprake is van vestigingsgevaar. De minister heeft zich hierbij terecht op het standpunt gesteld dat hij de visumaanvragen van verzoeker en zijn moeder elk op hun eigen merites dient te beoordelen en dat de inwilliging van de visumaanvraag van de moeder nog niet automatisch betekent dat ook aan verzoeker een visum had moeten worden verleend. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat er in het geval van verzoeker sprake is van een geringe economische en sociale binding met Marokko en dat om die reden redelijke twijfel bestaat over zijn tijdige terugkeer naar Marokko. De minister heeft in dit verband kunnen betrekken dat verzoeker jong is, ongehuwd en geen kinderen heeft. Ook heeft verzoeker geen werk, maar is hij nog student. Verder is niet gebleken dat verzoeker belast is met de zorg voor familieleden of om andere redenen gebonden is aan Marokko. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat wegens de gestelde afhankelijkheid van zijn moeder, de omstandigheid dat zijn vader tijdens het familiebezoek in Marokko achterblijft en zijn gestelde grote sociale netwerk in Marokko toch een dusdanige sociale binding moet worden aangenomen dat de minister het vestigingsgevaar niet mocht tegenwerpen. Ook in de stelling dat sprake is van een betrouwbare garantsteller heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om van de visumweigering af te zien. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat de door verzoeker aangehaalde uitspraken niet tot een ander oordeel leiden, nu verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om vergelijkbare gevallen gaat.
9. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker met het subsidiaire verzoek heeft verzocht te bepalen dat de minister uiterlijk op 24 juli 2026 op het bezwaarschrift moet beslissen. Deze termijn is al verstreken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de minister een andere beslistermijn op te leggen. De voorlopige voorzieningenprocedure is namelijk niet bedoeld om de voortgang in de bezwaarprocedure te bespoedigen. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die maken dat aanleiding bestaat te bepalen dat de minister toch voor het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar dient te beslissen. De voorzieningenrechter merkt hierover wel nog het volgende op. De minister heeft aanvankelijk aan de voorzieningenrechter toegezegd uiterlijk op 31 juli 2026 op het bezwaar te beslissen, maar heeft dat niet gedaan. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven dat er op 23 juli 2026 een vragenlijst naar verzoeker is gestuurd en dat niet van hem kan worden verwacht dat hij al op het bezwaar zou beslissen voordat de vragenlijst zou worden geretourneerd. Verzoeker stelt dat hij deze vragenlijst niet heeft ontvangen en deze vragenlijst is ook niet aan het dossier toegevoegd. De minister dient – voor zover dat niet is gebeurd – de vragenlijst alsnog aan verzoeker te sturen en hem in de gelegenheid te stellen hier op te reageren. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de minister, zodra de vragenlijst door verzoeker is geretourneerd, alsnog zo snel mogelijk op het bezwaar beslist.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
11. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2026:12829 en zittingsplaats Groningen van 8 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:310.
In het procesdossier zit een interne aantekening van de beslismedewerker waarin wordt vermeld dat de ouders van verzoeker “geen middelen van bestaan of eigen solvabiliteit” hebben overgelegd.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39677
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2009, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
In het besluit van 6 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoeker heeft op 15 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Achtergrond
1. Verzoeker heeft op 22 juni 2026 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf voor een bezoek aan zijn familie in Nederland.
Het bestreden besluit
2. In het bestreden besluit heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, verzoeker niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten (ook wel vestigingsgevaar genoemd).
Het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister hem moet behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf, dan wel de minister op te dragen voor 24 juli 2026 op het bezwaar te beslissen.
3.1.
Verzoeker legt aan dit verzoek ten grondslag dat aan zijn moeder voor hetzelfde familiebezoek wél een visum voor kort verblijf is verleend. Hij meent dat hij het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf voldoende heeft toegelicht, temeer nu zijn moeder voor hetzelfde doel naar Nederland reist en haar visumaanvraag wel is ingewilligd. Verzoeker meent daarnaast dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat sprake is van vestigingsgevaar. Hij heeft geen enkele intentie zich in Nederland te vestigen en wenst slechts met zijn moeder een bezoek te brengen aan zijn familie in Nederland. Verzoeker gaat in Marokko naar school en heeft een sterk sociaal leven in Marokko. Hij woont samen met zijn moeder en is ook afhankelijk van haar. Bovendien blijft zijn vader achter in Marokko. Er is daarmee sprake van een sterke sociale binding. Daarnaast voert hij aan dat de minister, nog los van de sociale en economische binding met Marokko, moet bezien of er op zichzelf reden is om te twijfelen aan de tijdige terugkeer van verzoeker naar Marokko. Verzoeker meent dat die twijfel in zijn geval ontbreekt. Hij wijst er verder op dat sprake is van een betrouwbare garantsteller (zijn oom).
De beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb tijdens een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Voordat de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Omdat verzoeker een visum heeft aangevraagd voor een familiebezoek in de zomervakantie, aan zijn moeder voor hetzelfde doel een visum voor kort verblijf is verleend dat geldig is tot 18 augustus 2026 en onduidelijk is of de minister vóór het aflopen van de visum zal beslissen, neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van een spoedeisend belang.
6. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter stelt hierbij voorop dat de (primair) gevraagde voorlopige voorziening om verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf geen voorlopig karakter heeft en daarmee verstrekkend is. Toewijzing van dit verzoek zal er namelijk toe leiden dat verzoeker Nederland in kan reizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van deze voorlopige voorziening zijn onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister verzoeker tijdens de bezwaarprocedure in staat moet stellen om naar Nederland te reizen. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt én sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet van een zwaarwegend spoedeisend belang is gebleken. Verzoeker heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn familiebezoek enkel in de zomervakantie kan plaatsvinden. De omstandigheid dat aan de moeder van verzoeker wel een visum voor kort verblijf is verleend en de moeder volgens verzoeker alleen naar Nederland zal komen als ook aan hem een visum wordt verleend, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om toch een zwaarwegend spoedeisend belang aan te nemen. De minister heeft er hierbij op kunnen wijzen dat de moeder van verzoeker eerder een visum heeft aangevraagd en verzoeker toen zelf geen visum heeft aangevraagd en dat daarnaast niet is gebleken dat zij niet op een ander moment gezamenlijk (opnieuw) een visum aan kunnen vragen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker en zijn moeder uitkijken naar het voorgenomen vakantiebezoek, maar gelet op het voorgaande maakt dit niet dat zij een zwaarwegend spoedeisend belang hebben.
8. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat niet alle afwijzingsgronden in het bestreden besluit stand kunnen houden, kan bovendien niet sterk worden getwijfeld over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het verweerschrift niet wordt ingegaan op de in het bestreden besluit gehanteerde afwijzingsgronden dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en verzoeker niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Nu aan de moeder van verzoeker voor hetzelfde verblijfsdoel wel een visum is verleend en niet is gebleken dat de moeder van verzoeker met betrekking tot haar middelen van bestaan in een andere positie verkeert dan verzoeker, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom deze afwijzingsgronden aan verzoeker worden tegengeworpen.
8.2.
De minister heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel aan verzoeker kunnen tegenwerpen dat sprake is van vestigingsgevaar. De minister heeft zich hierbij terecht op het standpunt gesteld dat hij de visumaanvragen van verzoeker en zijn moeder elk op hun eigen merites dient te beoordelen en dat de inwilliging van de visumaanvraag van de moeder nog niet automatisch betekent dat ook aan verzoeker een visum had moeten worden verleend. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat er in het geval van verzoeker sprake is van een geringe economische en sociale binding met Marokko en dat om die reden redelijke twijfel bestaat over zijn tijdige terugkeer naar Marokko. De minister heeft in dit verband kunnen betrekken dat verzoeker jong is, ongehuwd en geen kinderen heeft. Ook heeft verzoeker geen werk, maar is hij nog student. Verder is niet gebleken dat verzoeker belast is met de zorg voor familieleden of om andere redenen gebonden is aan Marokko. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat wegens de gestelde afhankelijkheid van zijn moeder, de omstandigheid dat zijn vader tijdens het familiebezoek in Marokko achterblijft en zijn gestelde grote sociale netwerk in Marokko toch een dusdanige sociale binding moet worden aangenomen dat de minister het vestigingsgevaar niet mocht tegenwerpen. Ook in de stelling dat sprake is van een betrouwbare garantsteller heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om van de visumweigering af te zien. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat de door verzoeker aangehaalde uitspraken niet tot een ander oordeel leiden, nu verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om vergelijkbare gevallen gaat.
9. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker met het subsidiaire verzoek heeft verzocht te bepalen dat de minister uiterlijk op 24 juli 2026 op het bezwaarschrift moet beslissen. Deze termijn is al verstreken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de minister een andere beslistermijn op te leggen. De voorlopige voorzieningenprocedure is namelijk niet bedoeld om de voortgang in de bezwaarprocedure te bespoedigen. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die maken dat aanleiding bestaat te bepalen dat de minister toch voor het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar dient te beslissen. De voorzieningenrechter merkt hierover wel nog het volgende op. De minister heeft aanvankelijk aan de voorzieningenrechter toegezegd uiterlijk op 31 juli 2026 op het bezwaar te beslissen, maar heeft dat niet gedaan. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven dat er op 23 juli 2026 een vragenlijst naar verzoeker is gestuurd en dat niet van hem kan worden verwacht dat hij al op het bezwaar zou beslissen voordat de vragenlijst zou worden geretourneerd. Verzoeker stelt dat hij deze vragenlijst niet heeft ontvangen en deze vragenlijst is ook niet aan het dossier toegevoegd. De minister dient – voor zover dat niet is gebeurd – de vragenlijst alsnog aan verzoeker te sturen en hem in de gelegenheid te stellen hier op te reageren. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de minister, zodra de vragenlijst door verzoeker is geretourneerd, alsnog zo snel mogelijk op het bezwaar beslist.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
11. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2026:12829 en zittingsplaats Groningen van 8 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:310.
In het procesdossier zit een interne aantekening van de beslismedewerker waarin wordt vermeld dat de ouders van verzoeker “geen middelen van bestaan of eigen solvabiliteit” hebben overgelegd.