Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22078
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.41583
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en onder b, van de Vw. Zicht op uitzetting geen vereiste bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw. Voor zover de minister bij vreemdelingenbewaring op deze grondslag verplicht is om (snel) uitzettingshandelingen te verrichten is dat in onderhavige zaak voldoende voortvarend. Beroep ongegrond
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2016:1552 Raad van State 06-06-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.387 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41583
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Procesverloop
De minister heeft op 11 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1981.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 juni 2026 (in de zaak NL26.31236) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan haar uitzetting. Er wordt door de minister maandelijks gerappelleerd en er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiseres, maar deze handelingen hebben niet geleid tot de afgifte van een laissez-passer. Bovendien zal de presentatie in persoon bij de Ghanese autoriteiten op 29 juli 2026 slechts een formaliteit zijn en hoogstwaarschijnlijk ook niet leiden tot de afgifte van een laissez-passer. De minister heeft verzuimd om de uitzetting te bespoedigen waardoor ook het reëel zicht op uitzetting komt te vervalen, aldus eiseres.
4.1.
In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk zicht op uitzetting is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. Voor een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is zicht op uitzetting geen voorwaarde. Zolang nog niet definitief is beslist op de asielaanvraag van eiseres kan zij immers niet worden uitgezet. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 22 juni 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiseres. Daarnaast heeft de minister op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten. Ook stond op 29 juli 2026 een presentatie in persoon gepland. Voor zover de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw al verplicht is om (snel) uitzettingshandelingen te verrichten is dat voldoende voortvarend.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41583
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Procesverloop
De minister heeft op 11 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1981.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 juni 2026 (in de zaak NL26.31236) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan haar uitzetting. Er wordt door de minister maandelijks gerappelleerd en er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiseres, maar deze handelingen hebben niet geleid tot de afgifte van een laissez-passer. Bovendien zal de presentatie in persoon bij de Ghanese autoriteiten op 29 juli 2026 slechts een formaliteit zijn en hoogstwaarschijnlijk ook niet leiden tot de afgifte van een laissez-passer. De minister heeft verzuimd om de uitzetting te bespoedigen waardoor ook het reëel zicht op uitzetting komt te vervalen, aldus eiseres.
4.1.
In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk zicht op uitzetting is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. Voor een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is zicht op uitzetting geen voorwaarde. Zolang nog niet definitief is beslist op de asielaanvraag van eiseres kan zij immers niet worden uitgezet. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 22 juni 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiseres. Daarnaast heeft de minister op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten. Ook stond op 29 juli 2026 een presentatie in persoon gepland. Voor zover de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw al verplicht is om (snel) uitzettingshandelingen te verrichten is dat voldoende voortvarend.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552.