Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22005
2026-07-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.14312
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Sierra Leone; kwetsbaarheid bij de setting van het nader gehoor (vrouwelijke gehoormedewerker gewild vanwege seksueel misbruik); gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer (vrees voor gendergerelateerd geweld als alleenstaande vrouw en opnieuw seksueel misbruik door oom); traumatabeleid; privéleven art. 8 EVRM; schrijnende situatie art. 3.6ba Vb 2000; beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:NL:RVS:2026:3048 Raad van State 27-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3046 Raad van State 27-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2018:3090 Raad van State 24-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.615 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14312
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D. Lut).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van eiseres tijdens het nader gehoor. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sierra Leone een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van haar privéleven niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM en er geen sprake is van een schrijnende situatie. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort de achtergrond van de onderhavige zaak. De redenen waarom eiseres een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind, onder 12, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is geboren in Sierra Leone en behoort tot de [bevolkingsgroep] . Zij is in [datum] 2016 gehuwd met een Nederlander, [naam] . Op basis van dit huwelijk is zij in 2018 naar Nederland gereisd en in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Nadat haar echtgenoot in [datum] 2021 spoorloos was verdwenen, is deze verblijfsvergunning bij besluit van [datum] 2023 ingetrokken. Eiseres is inmiddels een echtscheidingsprocedure gestart.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij vanaf haar dertiende tot aan haar huwelijk in 2016 door haar oom seksueel is misbruikt. Zij heeft hierover uit angst voor haar oom, die haar met de dood bedreigde, lange tijd met niemand gesproken. Nadat zij haar moeder en later haar vader hierover had ingelicht, heeft haar vader een huwelijk voor haar gearrangeerd met [naam] . Bij terugkeer naar Sierra Leone vreest eiseres opnieuw slachtoffer te worden van seksueel misbruik door haar oom [naam] . Zij heeft als alleenstaande vrouw geen familie bij wie zij terecht kan. Daarbij heeft zij geen toekomst zonder een sociaal netwerk in Sierra Leone.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Het seksueel misbruik door oom [naam] .
5.1.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister stelt zich echter op het standpunt dat deze motieven niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sierra Leone opnieuw te vrezen heeft voor haar oom of anderszins een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van eiseres bij de setting van het nader gehoor?
6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar kwetsbaarheid bij de inrichting van het nader gehoor. Zij voert aan dat reeds voorafgaand aan het gehoor bekend was dat haar asielrelaas zag op langdurig seksueel misbruik binnen de familiesfeer en dat zij moeite had hierover te verklaren. Volgens eiseres rustte daarom op de minister een verzwaarde zorgplicht om een veilige gehoorsetting te waarborgen, waaronder een vrouwelijke gehoormedewerker. Van haar kon, gelet op haar kwetsbaarheid, niet worden verwacht dat zij zelf om een vrouwelijke setting zou verzoeken. Verder voert eiseres aan dat de minister haar verklaringen vervolgens heeft tegengeworpen als onvoldoende concreet, terwijl die volgens haar juist moeten worden bezien tegen de achtergrond van haar kwetsbaarheid en de gekozen gehoorsetting.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt dat aan eiseres expliciet is gevraagd of zij bepaalde onderwerpen liever niet in aanwezigheid van een mannelijke gehoormedewerker of tolk wilde bespreken. Eiseres heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De minister heeft daarom geen vrouwelijke gehoormedewerker of tolk hoeven in te zetten. Daarnaast blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat de gehoormedewerker aan het begin van het gehoor heeft gevraagd of eiseres zich voldoende veilig voelde om haar verhaal te vertellen. Eiseres heeft daarop verklaard dat zij zich niet helemaal comfortabel voelde, maar dat zij haar verhaal desondanks wilde vertellen. De gehoormedewerker heeft vervolgens aangegeven dat eiseres op ieder moment kon aangeven als het gehoor haar te zwaar viel en tijdens het gehoor zijn meerdere pauzes ingelast. De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar standpunt dat de gekozen gehoorsetting ertoe heeft geleid dat de minister haar verklaringen ten onrechte onvoldoende concreet heeft geacht. Daarbij is van belang dat de minister de verklaringen van eiseres over het seksueel misbruik geloofwaardig heeft geacht. In geschil is uitsluitend of eiseres haar gestelde vrees bij terugkeer voldoende heeft geconcretiseerd. Op zitting heeft de rechtbank eiseres gevraagd welke relevante verklaringen zij als gevolg van de gehoorsetting niet heeft kunnen afleggen en welk doel een nieuw gehoor nog zou dienen. Eiseres heeft erop gewezen dat haar in het voornemen is tegengeworpen dat zij geen antwoord kan geven op de vraag wanneer en hoe vaak ze is bedreigd door haar oom. De minister heeft op zitting toegelicht dat dit niet doorslaggevend is voor de vraag of zij de vrees voor haar oom voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit blijkt ook uit het bestreden besluit, waar de minister niet meer terugkomt op deze tegenwerping, maar stelt dat uit de verklaringen van het nader gehoor niet is gebleken dat zij te vrezen heeft voor voortzetting van het seksueel geweld door haar oom bij terugkeer. Daarvoor geeft de minister in het bestreden besluit als reden dat eiseres heeft verklaard niet meer in contact te staan met haar familieleden in haar land van herkomst en sinds de uithuwelijking er geen seksueel geweld meer heeft plaatsgevonden. Ook uit de door eiseres ingediende correcties en aanvullingen blijkt niet dat zij meer heeft willen verklaren dan zij in het nader gehoor heeft gedaan. De aanvullende verklaringen die eiseres in de correcties en aanvullingen naar voren brengt zien namelijk op gebeurtenissen rondom de abortussen, die niet met het seksueel misbruik door haar oom te maken hebben, en haar verblijf in Nederland en bevatten geen nadere concretisering van de gestelde vrees bij terugkeer naar Sierra Leone.
Heeft eiseres een gegronde vrees voor vervolging of loopt zij een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft nagelaten inhoudelijk te beoordelen of zij in aanmerking komt voor bescherming als vluchteling. Zij voert aan dat gendergerelateerd geweld een vorm van vervolging kan vormen en dat zij als alleenstaande vrouw en voormalig slachtoffer van seksueel misbruik bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Daarnaast vreest zij voor haar oom [naam] , die haar tijdens haar minderjarigheid seksueel heeft misbruikt. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte een te zware bewijslast gehanteerd door te verlangen dat zij aantoont dat haar opnieuw iets zal overkomen. Eiseres stelt dat haar eerdere ervaringen met seksueel misbruik, de gedwongen uithuwelijking, haar kwetsbare positie als feitelijk alleenstaande vrouw en de algemene situatie van vrouwen in Sierra Leone in onderlinge samenhang hadden moeten worden beoordeeld. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de door haar overgelegde artikelen waaruit volgens haar blijkt dat vrouwen in Sierra Leone onvoldoende bescherming genieten tegen gendergerelateerd geweld.
Toetsingskader
7.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond het volgende voorop. Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is of die een reëel risico op ernstige schade loopt. Verdragsvluchteling kan – onder meer – zijn de vreemdeling die een gegronde vrees voor vervolging heeft omdat zij behoort tot een bepaalde sociale groep. Eiseres heeft betoogd dat zij als alleenstaande vrouw en als slachtoffer van gendergerelateerd en seksueel geweld tot een dergelijke sociale groep behoort. In de eerste plaats is het uitgangspunt dat eiseres haar vrees voor de door haar gestelde problemen concretiseert. Dat betekent dat eerst moet worden vastgesteld óf eiseres een gegronde vrees heeft, dus of eiseres daadwerkelijk bij terugkeer met die problemen te maken zal krijgen. Pas als dat zo is, komt de vraag aan de orde of die problemen een daad van vervolging zijn en plaatsvinden omdat eiseres behoort tot een bepaalde sociale groep (bij de beoordeling van vluchtelingschap), dan wel of zij een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM (bij de beoordeling van het reëel risico op ernstige schade). De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres haar vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De beoordeling van de rechtbank beperkt zich daarom allereerst tot de vraag of de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.
7.2.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat haar vrees uit twee onderdelen bestaat. Ten eerste vreest zij als alleenstaande vrouw bij terugkeer opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Ten tweede vreest zij opnieuw slachtoffer te worden van seksueel misbruik door haar oom. De rechtbank zal deze onderdelen hierna afzonderlijk bespreken.
Vrees voor gendergerelateerd geweld als alleenstaande vrouw
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar algemene vrees voor gendergerelateerd geweld onvoldoende heeft geconcretiseerd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat vrouwen in Sierra Leone niet veilig zijn, dat zij zich als alleenstaande vrouw niet veilig zou voelen en dat van alles kan gebeuren, maar dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom juist zij persoonlijk bij terugkeer een reëel risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Dat eiseres in het verleden gedurende langere tijd seksueel is misbruikt en dat zij zich daardoor kwetsbaar voelt, maakt op zichzelf nog niet aannemelijk dat zij bij terugkeer opnieuw met dergelijk geweld te maken zal krijgen. Ook het ontbreken van een sociaal netwerk in Sierra Leone, is daartoe onvoldoende. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat slachtoffers van seksueel geweld extra kwetsbaar zijn en daardoor een groter risico lopen opnieuw slachtoffer te worden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres deze stelling niet heeft geconcretiseerd en niet heeft toegespitst op haar persoonlijke situatie. De door eiseres overgelegde artikelen over gendergerelateerd geweld zien met name op de algemene positie van vrouwen in Sierra Leone en de beschikbaarheid van bescherming tegen dergelijk geweld. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat eiseres persoonlijk bij terugkeer met dergelijk geweld te maken zal krijgen. Nu eiseres haar vrees onvoldoende heeft geïndividualiseerd en geconcretiseerd, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of zij behoort tot een bepaalde sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag en evenmin aan de vraag of de Sierra Leoonse autoriteiten effectieve bescherming kunnen bieden.
Vrees voor seksueel misbruik door oom [naam]
7.4.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer opnieuw te vrezen heeft voor haar oom [naam] . Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat het seksueel misbruik is geëindigd nadat eiseres in 2016 is gehuwd. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij na het bekend worden van het misbruik geen problemen heeft ondervonden waarmee haar oom haar eerder had bedreigd. Ook blijkt uit haar verklaringen niet dat haar oom haar sindsdien nog heeft bedreigd of dat hij thans naar haar op zoek is. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij geen contact meer heeft met familieleden in Sierra Leone. Eiseres heeft op zitting toegelicht dat zij bang is dat zij bij terugkeer, bij gebrek aan een sociaal netwerk, opnieuw afhankelijk zal worden van haar oom. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiseres inmiddels een volwassen vrouw is en dat niet is gebleken dat zij zich niet elders in Sierra Leone zou kunnen vestigen. Daarbij is van belang dat het misbruik plaatsvond in een specifieke context waarin eiseres minderjarig was en bij haar oom in huis woonde. Die situatie bestaat niet meer. Ook heeft de minister betekenis mogen toekennen aan het feit dat eiseres Sierra Leone niet heeft verlaten vanwege het seksueel misbruik door haar oom, maar vanwege haar huwelijk met [naam] en de daarmee samenhangende mogelijkheid om naar Nederland te reizen. Voor zover de minister bij de beoordeling betekenis heeft toegekend aan het verblijf van eiseres in [stad] , overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat aan dit korte verblijf geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend, mede omdat haar oom mogelijk niet wist waar zij verbleef en zij toen nog samen was met haar echtgenoot. Uit het verweerschrift en de toelichting ter zitting blijkt echter dat de minister dit verblijf slechts als één van de omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de gestelde vrees. De rechtbank ziet, gelet op het arrest Ebilum, aanleiding om te beoordelen of het wegevallen van deze tegenwerping van invloed is op de aannemelijkheid van de vrees. De rechtbank is van oordeel dat het wegvallen van deze tegenwerping de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees niet anders maakt. Immers, de kern is dat eiseres na haar huwelijk geen problemen meer heeft ondervonden aan de zijde van haar oom en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze bij terugkeer in dezelfde situatie terecht zal komen als waar het misbruik in heeft plaatsgevonden.
Dat eiseres stelt dat voor subsidiaire bescherming niet is vereist dat het misbruik zich met zekerheid zal herhalen, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft immers niet de eis gesteld dat eiseres moet aantonen dat het misbruik zich met zekerheid zal herhalen. De minister heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit volgt dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op hernieuwd seksueel misbruik. Dit standpunt volgt de rechtbank.
Conclusie over deze beroepsgrond
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Komt eiseres in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van traumabeleid?
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij niet voldoet aan het traumatabeleid en dat geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe voert zij aan dat zij slachtoffer is geweest van langdurig seksueel misbruik gedurende haar minderjarigheid, zij geen bescherming genoot van haar familie en als gevolg daarvan is uitgehuwelijkt. Volgens eiseres betreft dit een ingrijpende traumatische gebeurtenis die binnen de ratio van het traumatabeleid valt. Verder voert zij aan dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Volgens eiseres leidt strikte toepassing van het beleid tot onevenredige gevolgen, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de ernst en duur van het seksueel geweld en haar kwetsbare positie als minderjarige.
9.1.
Het traumatabeleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, is van toepassing indien de door de vreemdeling meegemaakte traumatische gebeurtenis is veroorzaakt door een actor als bedoeld in dat beleid. In de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn de actoren vastgelegd. Dit zijn de autoriteiten van het land van herkomst, de politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of groeperingen waartegen de overheid niet in staat is of niet bereid is bescherming te bieden. Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek. De bewijslast hiervoor berust dus bij de vreemdeling. Dit is anders als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten, in dat geval wordt het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek aangenomen. Als de vreemdeling echter buiten zijn schuld niet in staat is geweest om het land van herkomst binnen de termijn van zes maanden te verlaten, moet deze aannemelijk maken dat er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst.
9.2.
De kern van het traumatabeleid is dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als hij zich vanwege traumatische gebeurtenissen in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. De achtergrond van dit beleid is dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst als dit ertoe kan leiden dat deze geconfronteerd kan worden met de ongestraft gebleven daders (actors). Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Sierra Leone heeft verlaten vanwege het seksueel misbruik. Immers dit is gestopt in 2016 en zij heeft Sierra Leone in 2018 verlaten. Bovendien is geen sprake van een actor als bedoeld in het beleid. De rechtbank is het met eiseres eens dat haar niet kan worden tegengeworpen dat ze het gestelde trauma niet met medische stukken heeft onderbouwd, omdat het seksueel misbruik geloofwaardig is geacht. Dit maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders, omdat de voorwaarden van het beleid cumulatief geformuleerd zijn. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, hoe ingrijpend ook, niet zodanig bijzonder zijn dat aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat het tijdsverloop tussen de traumatische gebeurtenissen en het vertrek uit Sierra Leone en de psychologische gevolgen van het trauma onderdeel vormen van het traumabeleid. In het feit dat het misbruik structureel was, het gebeurde toen eiseres minderjarig was en zij geen bescherming van haar familie ontving heeft de minister dan ook geen reden hoeven zien om van het traumatabeleid af te wijken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiseres op grond van haar privéleven in aanmerking voor bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM?
10. Eiseres betoogt dat de minister een onjuiste en onvolledige toets heeft verricht bij de beoordeling van haar beroep op artikel 8 van het EVRM. Hiertoe voert zij aan dat een integrale belangenafweging had moeten plaatsvinden waarbij de duur van haar rechtmatig verblijf, haar integratie, maatschappelijke participatie en banden met Sierra Leone in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Volgens eiseres wordt ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan het feit dat zij het grootste deel van haar leven in Sierra Leone heeft gewoond. Zij wijst op haar rechtmatig verblijf sinds 2018, het behalen van het inburgeringsexamen en dat zij werkt. Als zij voor de intrekking van haar eerdere verblijfsvergunning een aanvraag om voortgezet verblijf had ingediend, dan had zij voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Dit onderstreept de intensiteit van haar banden met Nederland en had in de belangenafweging moeten worden betrokken. Daar komt bij dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bijzondere omstandigheden van eiseres, namelijk dat zij als minderjarige langdurig seksueel is misbruikt, vervolgens gedwongen is uitgehuwelijkt en dat zij geen ouders heeft die haar bij terugkeer kunnen opvangen. Daarnaast voert eiseres aan dat de minister een eigen onderzoeksplicht heeft en niet enkel mocht verwijzen naar het besluit van 2 november 2023. Anders dan de minister stelt komt namelijk aan de banden die zij na de intrekking van haar verblijfsvergunning in 2022 wel betekenis toe. Verder heeft de minister de weging van het economisch belang van de staat niet toegespitst op het geval van eiseres. Daardoor is de belangenafweging onvoldoende gemotiveerd. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 mei 2026, aldus eiseres.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting heeft toegelicht dat haar betoog over een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf niet als zelfstandige beroepsgrond moet worden opgevat, maar moet worden gelezen als een beroep op haar in Nederland opgebouwde privéleven. De rechtbank zal dit daarom beoordelen in het kader van artikel 8 van het EVRM.
10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van in Nederland opgebouwd privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Partijen zijn het niet eens over de vraag of eiseres op grond hiervan verblijf moet worden toegestaan. De rechtbank stelt voorop dat de minister bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM een belangenafweging moet maken tussen enerzijds het belang van eiseres bij uitoefening van haar privéleven in Nederland en anderzijds het belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval worden betrokken.
10.3.
De rechtbank volgt eiseres allereerst niet in de stelling dat de minister geen kenbare belangenafweging heeft verricht. De minister heeft in het besluit verwezen naar de belangenafweging die is gemaakt in het besluit van 2 november 2023. De rechtbank acht deze verwijzing niet onzorgvuldig. Daarbij is van belang dat eiseres geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat die eerdere beoordeling niet langer actueel zou zijn. Dat eiseres sindsdien verder is geïntegreerd, betekent niet dat de minister die beoordeling niet meer als uitgangspunt mocht nemen. De minister heeft de belangenafweging bovendien in het verweerschrift nader toegelicht.
De minister heeft in het voordeel van eiseres betrokken dat zij sinds 2018 in Nederland verblijft, haar inburgeringsexamen heeft behaald en hier werkt. Dat eiseres een arbeidsverleden heeft opgebouwd en economisch participeert, heeft de minister dus bij de belangenafweging betrokken. Daarbij heeft de minister echter mogen betrekken dat de reguliere verblijfsvergunning van eiseres met ingang van 19 februari 2022 is ingetrokken. Aan het privéleven dat eiseres na die datum heeft opgebouwd, komt daarom slechts beperkt gewicht toe. Dat eiseres mogelijk in het verleden heeft voldaan aan de voorwaarden van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ maakt dit niet anders. Immers, eiseres heeft niet een daartoe strekkende aanvraag ingediend en verkregen. Aan een mogelijke aanspraak kan zij geen rechten ontlenen.
Verder heeft de minister in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat zij het grootste deel van haar leven in Sierra Leone heeft gewoond. Eiseres is daar geboren en opgegroeid en is pas op volwassen leeftijd naar Nederland gekomen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres bekend is met de taal, cultuur en gebruiken in Sierra Leone en dat zij in staat moet worden geacht daar opnieuw een leven op te bouwen. Dat eiseres stelt geen familieleden meer te hebben in Sierra Leone en dat de traumatische gebeurtenissen daar hebben plaatsgevonden, maakt niet dat de minister geen betekenis mocht toekennen aan haar langdurige verblijf en banden met Sierra Leone. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat deze omstandigheden een concrete subjectieve belemmering vormen om zich daar opnieuw te vestigen.
Voor zover eiseres betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar economische positie, volgt de rechtbank haar niet. Uit de rechtspraak van de Afdeling, zoals aangehaald door eiseres, volgt dat het economisch belang in de belangenafweging moet worden betrokken en dat deze afweging moet worden toegespitst op de persoon van de vreemdeling. De minister heeft dit belang in het verweerschrift toegelicht en daarbij niet alleen gewezen op het algemene belang dat samenhangt met een mogelijke aanspraak op publiek gefinancierde voorzieningen, maar heeft ook de individuele omstandigheden van eiseres betrokken. De minister heeft immers onderkend dat eiseres werkt en dat dit in haar voordeel weegt. Dat daarnaast rekening is gehouden met de mogelijke druk op algemene voorzieningen, maakt niet dat de belangenafweging onvoldoende op de situatie van eiseres is toegespitst. Aan dit belang is bovendien geen doorslaggevend gewicht toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een schrijnend geval?
11. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte niet kenbaar heeft beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie. Hiertoe voert zij aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2018 volgt dat de minister bij een beroep op schrijnendheid de relevante praktijkdocumenten en beleidskaders moet betrekken. Volgens eiseres heeft zij gewezen op verschillende bijzondere omstandigheden, waaronder haar langdurige verblijf in Nederland, haar integratie (inburgering en arbeid), haar traumatische ervaringen, kwetsbaarheid en persoonlijke en psychische gevolgen. Deze omstandigheden hadden volgens eiseres in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte volstaan met het standpunt dat zij geen omstandigheden heeft aangedragen die voor toetsing in aanmerking komen en heeft hij ten onrechte niet ambtshalve beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister op grond van artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 bij een eerste (asiel)aanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan verlenen indien sprake is van een schrijnende situatie. In geschil is of de minister gehouden was ambtshalve te beoordelen of sprake is van een schrijnende situatie dan wel of het aan eiseres is om daarvoor relevante omstandigheden aan te dragen.
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiseres is om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij meent dat in haar geval sprake is van een schrijnende situatie. Eiseres heeft deze omstandigheden eerst in beroep nader naar voren gebracht. De enkele verwijzing naar een motiveringsplicht van de minister in de zienswijze betekent niet dat de minister gehouden was ambtshalve een volledige beoordeling van mogelijke schrijnendheid te verrichten.
De minister heeft in het verweerschrift alsnog gereageerd op de door eiseres in beroep genoemde omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, geen schrijnende situatie opleveren. De minister heeft in dit kader gewezen op Informatiebericht 2019/18 waaruit blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een schrijnende situatie, omstandigheden die zich in het land van herkomst hebben voorgedaan niet worden betrokken. Dit betekent dat de traumatische ervaringen van eiseres in Sierra Leone niet worden betrokken. De overige door eiseres genoemde omstandigheden zien op haar verblijf en integratie in Nederland en haar beroep op privéleven. Deze omstandigheden zijn reeds betrokken bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM.
Voor zover eiseres betoogt dat de minister had moeten toetsen aan de praktijkdocumenten waarnaar zij verwijst, volgt de rechtbank eiseres daarin niet. De minister heeft toegelicht dat het betreffende toetsingskader is vervangen door het Informatiebericht 2019/18 over de ambtshalve toets van schrijnende situaties. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit nieuwe toetsingskader niet kan worden toegepast of dat de beoordeling van de minister op grond daarvan onjuist is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.A. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
https://theconversation.com/why-sierra-leonean-women-dont-feel-protected-by-domestic-violence-laws-109436 en https://www.wathi.org/wathinote-droits-humains-sierra-leone2023/the-challenges-of-women-in-sierra-leone-the-borgen-projectfebruary-2022
Dat staat in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026
Dat volgt uit artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 1(A), aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag.
HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.
Zie paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.
ECLI:NL:RVS:2026:3048.
ABRvS 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046.
ECLI:NL:RVS:2018:3090.
Informatiebericht 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14312
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D. Lut).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van eiseres tijdens het nader gehoor. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sierra Leone een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van haar privéleven niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM en er geen sprake is van een schrijnende situatie. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort de achtergrond van de onderhavige zaak. De redenen waarom eiseres een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind, onder 12, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is geboren in Sierra Leone en behoort tot de [bevolkingsgroep] . Zij is in [datum] 2016 gehuwd met een Nederlander, [naam] . Op basis van dit huwelijk is zij in 2018 naar Nederland gereisd en in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Nadat haar echtgenoot in [datum] 2021 spoorloos was verdwenen, is deze verblijfsvergunning bij besluit van [datum] 2023 ingetrokken. Eiseres is inmiddels een echtscheidingsprocedure gestart.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij vanaf haar dertiende tot aan haar huwelijk in 2016 door haar oom seksueel is misbruikt. Zij heeft hierover uit angst voor haar oom, die haar met de dood bedreigde, lange tijd met niemand gesproken. Nadat zij haar moeder en later haar vader hierover had ingelicht, heeft haar vader een huwelijk voor haar gearrangeerd met [naam] . Bij terugkeer naar Sierra Leone vreest eiseres opnieuw slachtoffer te worden van seksueel misbruik door haar oom [naam] . Zij heeft als alleenstaande vrouw geen familie bij wie zij terecht kan. Daarbij heeft zij geen toekomst zonder een sociaal netwerk in Sierra Leone.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Het seksueel misbruik door oom [naam] .
5.1.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister stelt zich echter op het standpunt dat deze motieven niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sierra Leone opnieuw te vrezen heeft voor haar oom of anderszins een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van eiseres bij de setting van het nader gehoor?
6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar kwetsbaarheid bij de inrichting van het nader gehoor. Zij voert aan dat reeds voorafgaand aan het gehoor bekend was dat haar asielrelaas zag op langdurig seksueel misbruik binnen de familiesfeer en dat zij moeite had hierover te verklaren. Volgens eiseres rustte daarom op de minister een verzwaarde zorgplicht om een veilige gehoorsetting te waarborgen, waaronder een vrouwelijke gehoormedewerker. Van haar kon, gelet op haar kwetsbaarheid, niet worden verwacht dat zij zelf om een vrouwelijke setting zou verzoeken. Verder voert eiseres aan dat de minister haar verklaringen vervolgens heeft tegengeworpen als onvoldoende concreet, terwijl die volgens haar juist moeten worden bezien tegen de achtergrond van haar kwetsbaarheid en de gekozen gehoorsetting.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt dat aan eiseres expliciet is gevraagd of zij bepaalde onderwerpen liever niet in aanwezigheid van een mannelijke gehoormedewerker of tolk wilde bespreken. Eiseres heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De minister heeft daarom geen vrouwelijke gehoormedewerker of tolk hoeven in te zetten. Daarnaast blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat de gehoormedewerker aan het begin van het gehoor heeft gevraagd of eiseres zich voldoende veilig voelde om haar verhaal te vertellen. Eiseres heeft daarop verklaard dat zij zich niet helemaal comfortabel voelde, maar dat zij haar verhaal desondanks wilde vertellen. De gehoormedewerker heeft vervolgens aangegeven dat eiseres op ieder moment kon aangeven als het gehoor haar te zwaar viel en tijdens het gehoor zijn meerdere pauzes ingelast. De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar standpunt dat de gekozen gehoorsetting ertoe heeft geleid dat de minister haar verklaringen ten onrechte onvoldoende concreet heeft geacht. Daarbij is van belang dat de minister de verklaringen van eiseres over het seksueel misbruik geloofwaardig heeft geacht. In geschil is uitsluitend of eiseres haar gestelde vrees bij terugkeer voldoende heeft geconcretiseerd. Op zitting heeft de rechtbank eiseres gevraagd welke relevante verklaringen zij als gevolg van de gehoorsetting niet heeft kunnen afleggen en welk doel een nieuw gehoor nog zou dienen. Eiseres heeft erop gewezen dat haar in het voornemen is tegengeworpen dat zij geen antwoord kan geven op de vraag wanneer en hoe vaak ze is bedreigd door haar oom. De minister heeft op zitting toegelicht dat dit niet doorslaggevend is voor de vraag of zij de vrees voor haar oom voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit blijkt ook uit het bestreden besluit, waar de minister niet meer terugkomt op deze tegenwerping, maar stelt dat uit de verklaringen van het nader gehoor niet is gebleken dat zij te vrezen heeft voor voortzetting van het seksueel geweld door haar oom bij terugkeer. Daarvoor geeft de minister in het bestreden besluit als reden dat eiseres heeft verklaard niet meer in contact te staan met haar familieleden in haar land van herkomst en sinds de uithuwelijking er geen seksueel geweld meer heeft plaatsgevonden. Ook uit de door eiseres ingediende correcties en aanvullingen blijkt niet dat zij meer heeft willen verklaren dan zij in het nader gehoor heeft gedaan. De aanvullende verklaringen die eiseres in de correcties en aanvullingen naar voren brengt zien namelijk op gebeurtenissen rondom de abortussen, die niet met het seksueel misbruik door haar oom te maken hebben, en haar verblijf in Nederland en bevatten geen nadere concretisering van de gestelde vrees bij terugkeer naar Sierra Leone.
Heeft eiseres een gegronde vrees voor vervolging of loopt zij een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft nagelaten inhoudelijk te beoordelen of zij in aanmerking komt voor bescherming als vluchteling. Zij voert aan dat gendergerelateerd geweld een vorm van vervolging kan vormen en dat zij als alleenstaande vrouw en voormalig slachtoffer van seksueel misbruik bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Daarnaast vreest zij voor haar oom [naam] , die haar tijdens haar minderjarigheid seksueel heeft misbruikt. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte een te zware bewijslast gehanteerd door te verlangen dat zij aantoont dat haar opnieuw iets zal overkomen. Eiseres stelt dat haar eerdere ervaringen met seksueel misbruik, de gedwongen uithuwelijking, haar kwetsbare positie als feitelijk alleenstaande vrouw en de algemene situatie van vrouwen in Sierra Leone in onderlinge samenhang hadden moeten worden beoordeeld. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de door haar overgelegde artikelen waaruit volgens haar blijkt dat vrouwen in Sierra Leone onvoldoende bescherming genieten tegen gendergerelateerd geweld.
Toetsingskader
7.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond het volgende voorop. Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is of die een reëel risico op ernstige schade loopt. Verdragsvluchteling kan – onder meer – zijn de vreemdeling die een gegronde vrees voor vervolging heeft omdat zij behoort tot een bepaalde sociale groep. Eiseres heeft betoogd dat zij als alleenstaande vrouw en als slachtoffer van gendergerelateerd en seksueel geweld tot een dergelijke sociale groep behoort. In de eerste plaats is het uitgangspunt dat eiseres haar vrees voor de door haar gestelde problemen concretiseert. Dat betekent dat eerst moet worden vastgesteld óf eiseres een gegronde vrees heeft, dus of eiseres daadwerkelijk bij terugkeer met die problemen te maken zal krijgen. Pas als dat zo is, komt de vraag aan de orde of die problemen een daad van vervolging zijn en plaatsvinden omdat eiseres behoort tot een bepaalde sociale groep (bij de beoordeling van vluchtelingschap), dan wel of zij een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM (bij de beoordeling van het reëel risico op ernstige schade). De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres haar vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De beoordeling van de rechtbank beperkt zich daarom allereerst tot de vraag of de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.
7.2.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat haar vrees uit twee onderdelen bestaat. Ten eerste vreest zij als alleenstaande vrouw bij terugkeer opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Ten tweede vreest zij opnieuw slachtoffer te worden van seksueel misbruik door haar oom. De rechtbank zal deze onderdelen hierna afzonderlijk bespreken.
Vrees voor gendergerelateerd geweld als alleenstaande vrouw
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar algemene vrees voor gendergerelateerd geweld onvoldoende heeft geconcretiseerd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat vrouwen in Sierra Leone niet veilig zijn, dat zij zich als alleenstaande vrouw niet veilig zou voelen en dat van alles kan gebeuren, maar dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom juist zij persoonlijk bij terugkeer een reëel risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld. Dat eiseres in het verleden gedurende langere tijd seksueel is misbruikt en dat zij zich daardoor kwetsbaar voelt, maakt op zichzelf nog niet aannemelijk dat zij bij terugkeer opnieuw met dergelijk geweld te maken zal krijgen. Ook het ontbreken van een sociaal netwerk in Sierra Leone, is daartoe onvoldoende. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat slachtoffers van seksueel geweld extra kwetsbaar zijn en daardoor een groter risico lopen opnieuw slachtoffer te worden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres deze stelling niet heeft geconcretiseerd en niet heeft toegespitst op haar persoonlijke situatie. De door eiseres overgelegde artikelen over gendergerelateerd geweld zien met name op de algemene positie van vrouwen in Sierra Leone en de beschikbaarheid van bescherming tegen dergelijk geweld. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat eiseres persoonlijk bij terugkeer met dergelijk geweld te maken zal krijgen. Nu eiseres haar vrees onvoldoende heeft geïndividualiseerd en geconcretiseerd, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of zij behoort tot een bepaalde sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag en evenmin aan de vraag of de Sierra Leoonse autoriteiten effectieve bescherming kunnen bieden.
Vrees voor seksueel misbruik door oom [naam]
7.4.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer opnieuw te vrezen heeft voor haar oom [naam] . Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat het seksueel misbruik is geëindigd nadat eiseres in 2016 is gehuwd. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij na het bekend worden van het misbruik geen problemen heeft ondervonden waarmee haar oom haar eerder had bedreigd. Ook blijkt uit haar verklaringen niet dat haar oom haar sindsdien nog heeft bedreigd of dat hij thans naar haar op zoek is. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij geen contact meer heeft met familieleden in Sierra Leone. Eiseres heeft op zitting toegelicht dat zij bang is dat zij bij terugkeer, bij gebrek aan een sociaal netwerk, opnieuw afhankelijk zal worden van haar oom. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiseres inmiddels een volwassen vrouw is en dat niet is gebleken dat zij zich niet elders in Sierra Leone zou kunnen vestigen. Daarbij is van belang dat het misbruik plaatsvond in een specifieke context waarin eiseres minderjarig was en bij haar oom in huis woonde. Die situatie bestaat niet meer. Ook heeft de minister betekenis mogen toekennen aan het feit dat eiseres Sierra Leone niet heeft verlaten vanwege het seksueel misbruik door haar oom, maar vanwege haar huwelijk met [naam] en de daarmee samenhangende mogelijkheid om naar Nederland te reizen. Voor zover de minister bij de beoordeling betekenis heeft toegekend aan het verblijf van eiseres in [stad] , overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat aan dit korte verblijf geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend, mede omdat haar oom mogelijk niet wist waar zij verbleef en zij toen nog samen was met haar echtgenoot. Uit het verweerschrift en de toelichting ter zitting blijkt echter dat de minister dit verblijf slechts als één van de omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de gestelde vrees. De rechtbank ziet, gelet op het arrest Ebilum, aanleiding om te beoordelen of het wegevallen van deze tegenwerping van invloed is op de aannemelijkheid van de vrees. De rechtbank is van oordeel dat het wegvallen van deze tegenwerping de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees niet anders maakt. Immers, de kern is dat eiseres na haar huwelijk geen problemen meer heeft ondervonden aan de zijde van haar oom en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze bij terugkeer in dezelfde situatie terecht zal komen als waar het misbruik in heeft plaatsgevonden.
Dat eiseres stelt dat voor subsidiaire bescherming niet is vereist dat het misbruik zich met zekerheid zal herhalen, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft immers niet de eis gesteld dat eiseres moet aantonen dat het misbruik zich met zekerheid zal herhalen. De minister heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit volgt dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op hernieuwd seksueel misbruik. Dit standpunt volgt de rechtbank.
Conclusie over deze beroepsgrond
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Komt eiseres in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van traumabeleid?
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij niet voldoet aan het traumatabeleid en dat geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe voert zij aan dat zij slachtoffer is geweest van langdurig seksueel misbruik gedurende haar minderjarigheid, zij geen bescherming genoot van haar familie en als gevolg daarvan is uitgehuwelijkt. Volgens eiseres betreft dit een ingrijpende traumatische gebeurtenis die binnen de ratio van het traumatabeleid valt. Verder voert zij aan dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Volgens eiseres leidt strikte toepassing van het beleid tot onevenredige gevolgen, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de ernst en duur van het seksueel geweld en haar kwetsbare positie als minderjarige.
9.1.
Het traumatabeleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, is van toepassing indien de door de vreemdeling meegemaakte traumatische gebeurtenis is veroorzaakt door een actor als bedoeld in dat beleid. In de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn de actoren vastgelegd. Dit zijn de autoriteiten van het land van herkomst, de politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of groeperingen waartegen de overheid niet in staat is of niet bereid is bescherming te bieden. Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek. De bewijslast hiervoor berust dus bij de vreemdeling. Dit is anders als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten, in dat geval wordt het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek aangenomen. Als de vreemdeling echter buiten zijn schuld niet in staat is geweest om het land van herkomst binnen de termijn van zes maanden te verlaten, moet deze aannemelijk maken dat er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst.
9.2.
De kern van het traumatabeleid is dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als hij zich vanwege traumatische gebeurtenissen in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. De achtergrond van dit beleid is dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst als dit ertoe kan leiden dat deze geconfronteerd kan worden met de ongestraft gebleven daders (actors). Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Sierra Leone heeft verlaten vanwege het seksueel misbruik. Immers dit is gestopt in 2016 en zij heeft Sierra Leone in 2018 verlaten. Bovendien is geen sprake van een actor als bedoeld in het beleid. De rechtbank is het met eiseres eens dat haar niet kan worden tegengeworpen dat ze het gestelde trauma niet met medische stukken heeft onderbouwd, omdat het seksueel misbruik geloofwaardig is geacht. Dit maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders, omdat de voorwaarden van het beleid cumulatief geformuleerd zijn. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, hoe ingrijpend ook, niet zodanig bijzonder zijn dat aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het beleid af te wijken. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat het tijdsverloop tussen de traumatische gebeurtenissen en het vertrek uit Sierra Leone en de psychologische gevolgen van het trauma onderdeel vormen van het traumabeleid. In het feit dat het misbruik structureel was, het gebeurde toen eiseres minderjarig was en zij geen bescherming van haar familie ontving heeft de minister dan ook geen reden hoeven zien om van het traumatabeleid af te wijken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiseres op grond van haar privéleven in aanmerking voor bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM?
10. Eiseres betoogt dat de minister een onjuiste en onvolledige toets heeft verricht bij de beoordeling van haar beroep op artikel 8 van het EVRM. Hiertoe voert zij aan dat een integrale belangenafweging had moeten plaatsvinden waarbij de duur van haar rechtmatig verblijf, haar integratie, maatschappelijke participatie en banden met Sierra Leone in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Volgens eiseres wordt ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan het feit dat zij het grootste deel van haar leven in Sierra Leone heeft gewoond. Zij wijst op haar rechtmatig verblijf sinds 2018, het behalen van het inburgeringsexamen en dat zij werkt. Als zij voor de intrekking van haar eerdere verblijfsvergunning een aanvraag om voortgezet verblijf had ingediend, dan had zij voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Dit onderstreept de intensiteit van haar banden met Nederland en had in de belangenafweging moeten worden betrokken. Daar komt bij dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bijzondere omstandigheden van eiseres, namelijk dat zij als minderjarige langdurig seksueel is misbruikt, vervolgens gedwongen is uitgehuwelijkt en dat zij geen ouders heeft die haar bij terugkeer kunnen opvangen. Daarnaast voert eiseres aan dat de minister een eigen onderzoeksplicht heeft en niet enkel mocht verwijzen naar het besluit van 2 november 2023. Anders dan de minister stelt komt namelijk aan de banden die zij na de intrekking van haar verblijfsvergunning in 2022 wel betekenis toe. Verder heeft de minister de weging van het economisch belang van de staat niet toegespitst op het geval van eiseres. Daardoor is de belangenafweging onvoldoende gemotiveerd. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 mei 2026, aldus eiseres.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting heeft toegelicht dat haar betoog over een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf niet als zelfstandige beroepsgrond moet worden opgevat, maar moet worden gelezen als een beroep op haar in Nederland opgebouwde privéleven. De rechtbank zal dit daarom beoordelen in het kader van artikel 8 van het EVRM.
10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van in Nederland opgebouwd privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Partijen zijn het niet eens over de vraag of eiseres op grond hiervan verblijf moet worden toegestaan. De rechtbank stelt voorop dat de minister bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM een belangenafweging moet maken tussen enerzijds het belang van eiseres bij uitoefening van haar privéleven in Nederland en anderzijds het belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval worden betrokken.
10.3.
De rechtbank volgt eiseres allereerst niet in de stelling dat de minister geen kenbare belangenafweging heeft verricht. De minister heeft in het besluit verwezen naar de belangenafweging die is gemaakt in het besluit van 2 november 2023. De rechtbank acht deze verwijzing niet onzorgvuldig. Daarbij is van belang dat eiseres geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat die eerdere beoordeling niet langer actueel zou zijn. Dat eiseres sindsdien verder is geïntegreerd, betekent niet dat de minister die beoordeling niet meer als uitgangspunt mocht nemen. De minister heeft de belangenafweging bovendien in het verweerschrift nader toegelicht.
De minister heeft in het voordeel van eiseres betrokken dat zij sinds 2018 in Nederland verblijft, haar inburgeringsexamen heeft behaald en hier werkt. Dat eiseres een arbeidsverleden heeft opgebouwd en economisch participeert, heeft de minister dus bij de belangenafweging betrokken. Daarbij heeft de minister echter mogen betrekken dat de reguliere verblijfsvergunning van eiseres met ingang van 19 februari 2022 is ingetrokken. Aan het privéleven dat eiseres na die datum heeft opgebouwd, komt daarom slechts beperkt gewicht toe. Dat eiseres mogelijk in het verleden heeft voldaan aan de voorwaarden van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ maakt dit niet anders. Immers, eiseres heeft niet een daartoe strekkende aanvraag ingediend en verkregen. Aan een mogelijke aanspraak kan zij geen rechten ontlenen.
Verder heeft de minister in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat zij het grootste deel van haar leven in Sierra Leone heeft gewoond. Eiseres is daar geboren en opgegroeid en is pas op volwassen leeftijd naar Nederland gekomen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres bekend is met de taal, cultuur en gebruiken in Sierra Leone en dat zij in staat moet worden geacht daar opnieuw een leven op te bouwen. Dat eiseres stelt geen familieleden meer te hebben in Sierra Leone en dat de traumatische gebeurtenissen daar hebben plaatsgevonden, maakt niet dat de minister geen betekenis mocht toekennen aan haar langdurige verblijf en banden met Sierra Leone. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat deze omstandigheden een concrete subjectieve belemmering vormen om zich daar opnieuw te vestigen.
Voor zover eiseres betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar economische positie, volgt de rechtbank haar niet. Uit de rechtspraak van de Afdeling, zoals aangehaald door eiseres, volgt dat het economisch belang in de belangenafweging moet worden betrokken en dat deze afweging moet worden toegespitst op de persoon van de vreemdeling. De minister heeft dit belang in het verweerschrift toegelicht en daarbij niet alleen gewezen op het algemene belang dat samenhangt met een mogelijke aanspraak op publiek gefinancierde voorzieningen, maar heeft ook de individuele omstandigheden van eiseres betrokken. De minister heeft immers onderkend dat eiseres werkt en dat dit in haar voordeel weegt. Dat daarnaast rekening is gehouden met de mogelijke druk op algemene voorzieningen, maakt niet dat de belangenafweging onvoldoende op de situatie van eiseres is toegespitst. Aan dit belang is bovendien geen doorslaggevend gewicht toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een schrijnend geval?
11. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte niet kenbaar heeft beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie. Hiertoe voert zij aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2018 volgt dat de minister bij een beroep op schrijnendheid de relevante praktijkdocumenten en beleidskaders moet betrekken. Volgens eiseres heeft zij gewezen op verschillende bijzondere omstandigheden, waaronder haar langdurige verblijf in Nederland, haar integratie (inburgering en arbeid), haar traumatische ervaringen, kwetsbaarheid en persoonlijke en psychische gevolgen. Deze omstandigheden hadden volgens eiseres in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte volstaan met het standpunt dat zij geen omstandigheden heeft aangedragen die voor toetsing in aanmerking komen en heeft hij ten onrechte niet ambtshalve beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister op grond van artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 bij een eerste (asiel)aanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan verlenen indien sprake is van een schrijnende situatie. In geschil is of de minister gehouden was ambtshalve te beoordelen of sprake is van een schrijnende situatie dan wel of het aan eiseres is om daarvoor relevante omstandigheden aan te dragen.
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiseres is om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij meent dat in haar geval sprake is van een schrijnende situatie. Eiseres heeft deze omstandigheden eerst in beroep nader naar voren gebracht. De enkele verwijzing naar een motiveringsplicht van de minister in de zienswijze betekent niet dat de minister gehouden was ambtshalve een volledige beoordeling van mogelijke schrijnendheid te verrichten.
De minister heeft in het verweerschrift alsnog gereageerd op de door eiseres in beroep genoemde omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, geen schrijnende situatie opleveren. De minister heeft in dit kader gewezen op Informatiebericht 2019/18 waaruit blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een schrijnende situatie, omstandigheden die zich in het land van herkomst hebben voorgedaan niet worden betrokken. Dit betekent dat de traumatische ervaringen van eiseres in Sierra Leone niet worden betrokken. De overige door eiseres genoemde omstandigheden zien op haar verblijf en integratie in Nederland en haar beroep op privéleven. Deze omstandigheden zijn reeds betrokken bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM.
Voor zover eiseres betoogt dat de minister had moeten toetsen aan de praktijkdocumenten waarnaar zij verwijst, volgt de rechtbank eiseres daarin niet. De minister heeft toegelicht dat het betreffende toetsingskader is vervangen door het Informatiebericht 2019/18 over de ambtshalve toets van schrijnende situaties. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit nieuwe toetsingskader niet kan worden toegepast of dat de beoordeling van de minister op grond daarvan onjuist is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.A. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
https://theconversation.com/why-sierra-leonean-women-dont-feel-protected-by-domestic-violence-laws-109436 en https://www.wathi.org/wathinote-droits-humains-sierra-leone2023/the-challenges-of-women-in-sierra-leone-the-borgen-projectfebruary-2022
Dat staat in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026
Dat volgt uit artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 1(A), aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag.
HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.
Zie paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.
ECLI:NL:RVS:2026:3048.
ABRvS 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046.
ECLI:NL:RVS:2018:3090.
Informatiebericht 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.