Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21990
2026-08-07
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 26/5038
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vovo afgewezen. Aanvraag Pw afgewezen omdat verzoeker niet is verschenen op gesprek. Vwr heeft aannemelijk gemaakt dat de uitnodigingsbrief persoonlijk is bezorgd. Getuige op zitting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.868 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5038
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. U. Arslan),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. I. Atay, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Als door het college meegebrachte getuige is verschenen, [naam], toezichthouder bij de gemeente Den Haag.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek heeft betrekking op de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Daarvan is niet gebleken.
4. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker niet is geweest op de afspraak van 4 mei 2026 en ook niets heeft laten horen. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.
5. Verzoeker voert aan dat hij de brief van 1 mei 2026, waarbij hij is uitgenodigd voor een gesprek op 4 mei 2026 om 9:00 uur, niet heeft ontvangen.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodigingsbrief van 1 mei 2026 bij verzoeker is bezorgd. Het is vaste rechtspraak dat, als de geadresseerde van een niet-aangetekend verzonden brief stelt deze brief niet te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat deze brief wel op het adres van verzoeker is ontvangen. Het in een brievenbus deponeren van een brief wordt voor de toepassing van artikel 3:41 van de Awb gelijkgesteld met een niet-aangetekende verzending per post. Bij betwisting van de deponering is het aan het college om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is bezorgd. In het dossier bevindt zich een door toezichthouder [naam] opgemaakt en ondertekend rapport van 5 mei 2026. In dit rapport is onder meer vermeld dat hij op vrijdag 1 mei 2026 om 08:30 uur voornoemde uitnodigingsbrief persoonlijk in de brievenbus van het opgegeven uitkeringsadres heeft bezorgd. [naam] is ter zitting als getuige gehoord en heeft, na het afleggen van de belofte als bedoeld in artikel 8:33, vierde lid, van de Awb, desgevraagd verklaard dat hij op 1 mei 2026 om 8:30 uur de uitnodigingsbrief in de brievenbus heeft gedeponeerd op het uitkeringsadres. Gelet op het rapport en de verklaring heeft het college aannemelijk gemaakt dat de uitnodigingsbrief van 1 mei 2026 op het door verzoeker opgegeven woonadres is gedeponeerd. De enkele stelling van verzoeker dat hij de uitnodigingsbrief niet heeft ontvangen is onvoldoende om dat wat in het rapport over de persoonlijke bezorging is vermeld en wat overeenkomt met wat de getuige ter zitting heeft verklaard, voor onjuist te houden.
5.2.
Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat, ondanks het niet verschijnen op het gesprek op 4 mei 2026, het recht op bijstand wel vastgesteld kan worden gelet op de overgelegde bankafschriften, slaagt deze beroepsgrond niet. Nog los van de vraag of alle gegevens daarmee compleet zijn heeft het college, blijkens het rapport van 5 mei 2026 willen onderzoeken of verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres. Door niet te verschijnen op het gesprek op 4 mei 2026 heeft het college dit niet kunnen onderzoeken en het recht op bijstand ook niet kunnen vaststellen. Het college heeft daarnaast ter zitting toegelicht dat er ook vragen zijn over diverse stortingen op de bankrekening van verzoeker. Verder is ook onduidelijk hoe verzoeker na de intrekking van de bijstand per 1 januari 2026 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven na heroverweging in bezwaar, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van , ECLI:NL;CRVB:2020:2237
Awb = Algemene wet bestuursrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5038
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. U. Arslan),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. I. Atay, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Als door het college meegebrachte getuige is verschenen, [naam], toezichthouder bij de gemeente Den Haag.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek heeft betrekking op de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Daarvan is niet gebleken.
4. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker niet is geweest op de afspraak van 4 mei 2026 en ook niets heeft laten horen. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.
5. Verzoeker voert aan dat hij de brief van 1 mei 2026, waarbij hij is uitgenodigd voor een gesprek op 4 mei 2026 om 9:00 uur, niet heeft ontvangen.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodigingsbrief van 1 mei 2026 bij verzoeker is bezorgd. Het is vaste rechtspraak dat, als de geadresseerde van een niet-aangetekend verzonden brief stelt deze brief niet te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat deze brief wel op het adres van verzoeker is ontvangen. Het in een brievenbus deponeren van een brief wordt voor de toepassing van artikel 3:41 van de Awb gelijkgesteld met een niet-aangetekende verzending per post. Bij betwisting van de deponering is het aan het college om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is bezorgd. In het dossier bevindt zich een door toezichthouder [naam] opgemaakt en ondertekend rapport van 5 mei 2026. In dit rapport is onder meer vermeld dat hij op vrijdag 1 mei 2026 om 08:30 uur voornoemde uitnodigingsbrief persoonlijk in de brievenbus van het opgegeven uitkeringsadres heeft bezorgd. [naam] is ter zitting als getuige gehoord en heeft, na het afleggen van de belofte als bedoeld in artikel 8:33, vierde lid, van de Awb, desgevraagd verklaard dat hij op 1 mei 2026 om 8:30 uur de uitnodigingsbrief in de brievenbus heeft gedeponeerd op het uitkeringsadres. Gelet op het rapport en de verklaring heeft het college aannemelijk gemaakt dat de uitnodigingsbrief van 1 mei 2026 op het door verzoeker opgegeven woonadres is gedeponeerd. De enkele stelling van verzoeker dat hij de uitnodigingsbrief niet heeft ontvangen is onvoldoende om dat wat in het rapport over de persoonlijke bezorging is vermeld en wat overeenkomt met wat de getuige ter zitting heeft verklaard, voor onjuist te houden.
5.2.
Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat, ondanks het niet verschijnen op het gesprek op 4 mei 2026, het recht op bijstand wel vastgesteld kan worden gelet op de overgelegde bankafschriften, slaagt deze beroepsgrond niet. Nog los van de vraag of alle gegevens daarmee compleet zijn heeft het college, blijkens het rapport van 5 mei 2026 willen onderzoeken of verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres. Door niet te verschijnen op het gesprek op 4 mei 2026 heeft het college dit niet kunnen onderzoeken en het recht op bijstand ook niet kunnen vaststellen. Het college heeft daarnaast ter zitting toegelicht dat er ook vragen zijn over diverse stortingen op de bankrekening van verzoeker. Verder is ook onduidelijk hoe verzoeker na de intrekking van de bijstand per 1 januari 2026 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven na heroverweging in bezwaar, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van , ECLI:NL;CRVB:2020:2237
Awb = Algemene wet bestuursrecht