Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21976

2026-08-06 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.46848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.46848
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanvullend terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod. Beroep gegrond. Het is aan de minister om een geactualiseerde non-refoulement beoordeling te maken en de medische omstandigheden van eiser te betrekken bij de vraag of nog van het eerdere terugkeerbesluit naar Sierra Leone kan worden uitgegaan. De minister heeft dit niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat de minister in dit geval ook geen onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van eiser als hij zou moeten terugkeer naar Guinee of Ivoorkust. Dit betekent dat geen actuele beoordeling van het non-refoulementrisico is uitgevoerd.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.461 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.46848


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),



en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G. Drijer).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een aanvullend terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod van tien jaar aan eiser. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aanvullend terugkeerbesluit en het zwaar inreisverbod van tien jaar niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser is in 2000 naar Nederland gekomen. Op 9 februari 2006 heeft hij een asielvergunning voor bepaalde tijd gekregen met ingang van 18 juni 2001. Gelijktijdig heeft hij een asielvergunning voor onbepaalde tijd gekregen met ingang van 18 juni 2004. Op 4 april 2018 is deze asielvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 20 mei 2015 vanwege openbare orde aspecten. Gelijktijdig is een terugkeerbesluit opgelegd voor Sierra Leone. Bepaald is dat eiser Nederland en de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. Eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven.



2.1.
Op 30 mei 2025 heeft de AVIM de minister een brief gestuurd met het voorstel om aan eiser een zwaar inreisverbod van tien jaar en een besluit tot signalering op te leggen.



2.2.
Met het bestreden besluit van 17 september 2025 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit voor Guinee en Ivoorkust, een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar opgelegd.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Bestreden besluit



3. Bij vonnis van 18 december 2024 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser is schuldig bevonden aan een straatroof, gepleegd op 18 augustus 2024. Het strafblad van eiser toont dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een reeks van strafbare feiten. Eiser heeft geen verblijfsrecht meer in Nederland en dient onmiddellijk uit de Europese Unie te vertrekken. De minister vult het terugkeerbesluit van 4 april 2018 naar Sierra Leone aan met de landen Guinee en Ivoorkust als mogelijke landen van terugkeer. Aan eiser is eveneens een zwaar inreisverbod opgelegd. Eiser is volgens de minister een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. In de omstandigheid dat eiser volwassen kinderen heeft in Nederland en getrouwd was in Nederland, ziet de minister geen aanleiding om het inreisverbod achterwege te laten. Ook ziet de minister geen aanleiding om van het inreisverbod af te zien op grond van humanitaire redenen. Daarnaast legt de minister een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar op. Tot slot stelt de minister dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.



Overwegingen





Toepasselijk recht


4. Op deze zaak is het recht - voor zover van belang - van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.



Griffierecht


5. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding dat verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.Terugkeerbesluit
6. Eiser stelt zich op de zitting op het standpunt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Sierra Leone. Eiser maakt zich ernstige zorgen bij terugkeer, vanwege zijn medicijnen. Uit het artikel 64 Vw dossier volgt dat er geen medische zorg aanwezig is voor eiser in Sierra Leone. Eiser is chronisch ziek, zijn schizofrenie gaat niet verbeteren en de minister moet zijn medische toestand meenemen.

6.1.

De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat niet is aangetoond dat de medische problematiek van eiser aan het terugkeerbesluit in de weg staat. Eiser kan tijdens zijn vertrekprocedure een artikel 64 Vw aanvraag doen. In het verweerschrift is daaraan toegevoegd dat terecht is verwezen naar het eerdere terugkeerbesluit. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit kon geen actuele toets over een mogelijke artikel 3 EVRM schending worden gegeven. Eiser zat namelijk nog in detentie vanwege een opgelegde ISD-maatregel. Aan het einde van de detentie kan, bij een uitzettingsdreiging, een actuele 3 EVRM beoordeling worden uitgevoerd. Daar komt bij dat het risico op non-refoulement slechts realistisch kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Aangezien geen sprake is van een uitzettingsdreiging en eiser toerekenbaar zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond is volgens de minister in het besluit terecht naar het eerdere opgelegde terugkeerbesluit verwezen.
7. De rechtbank stelt voorop dat het aan de minister is om het aanvullend terugkeerbesluit zorgvuldig voor te bereiden en dat hij daarvoor de nodige kennis moet vergaren over de relevante feiten en omstandigheden. Daarbij moet hij ook nagaan of sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat niet langer kan worden uitgegaan van het eerdere besluit. Dit maakt dat de minister de vreemdeling voor het nemen van een aanvullend terugkeerbesluit in beginsel niet alleen moet horen over de voorgenomen aanwijzing van een land van terugkeer, maar ook over de vraag of er sprake is van gewijzigde omstandigheden die relevant zijn voor de (on)rechtmatigheid van het verblijf van de vreemdeling. De vreemdeling kan dan tijdens dat gehoor ook hierover zijn zienswijze naar voren brengen. Op die manier heeft de vreemdeling de mogelijkheid om alle feiten en omstandigheden aan te voeren die relevant zijn voor zijn situatie. Dit stelt de minister vervolgens in staat om bij het nemen van een aanvullend terugkeerbesluit rekening te houden met alle relevante elementen.



7.1.

De rechtbank overweegt dat uit onder meer de arresten van het Hof in de zaken X, Medicinale Cannabis en Ararat volgt dat de minister verplicht is om bij het vaststellen van het terugkeerbesluit rekening te houden met de gezondheidssituatie van eiser en verplicht is om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank volgt daarom het standpunt van de minister niet dat hij geen actuele refoulementbeoordeling hoeft te maken omdat eiser, vanwege zijn ISD-maatregel, (nog) niet wordt uitgezet.
8. De rechtbank stelt vast dat partijen niet van mening verschillen dat aan eiser op 4 april 2018 een terugkeerbesluit is opgelegd met als terugkeerland Sierra Leone. Daarna is aan eiser meermaals uitstel van vertrek verleend, omdat eiser bij terugkeer naar Sierra Leone in een medische noodsituatie terechtkomt wanneer medische behandeling uitblijft en onduidelijk is of de noodzakelijke medische behandeling in Sierra Leone aanwezig is. Het uitstel van vertrek is laatstelijk verleend van 23 oktober 2023 tot 23 oktober 2024. Tijdens het uitstel van vertrek is het terugkeerbesluit van 4 april 2018 opgeschort. De op 5 december 2024 ingediende artikel 64 Vw aanvraag is door de minister afgewezen omdat geen uitzetting dreigt vanwege zijn verblijf in de ISD.



8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister, zoals onder 6. is weergegeven, ook bij het opleggen van een aanvullend terugkeerbesluit moet nagaan of sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat niet langer van het eerdere terugkeerbesluit naar Sierra Leone kan worden uitgegaan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de enkele verwijzing in het verweerschrift naar het eerder genomen terugkeerbesluit uit 2018, dat volgens de minister in rechte vaststaat en niet meer ter discussie staat, niet volstaat. In het licht van de onder 7. genoemde omstandigheden is het aan de minister om een geactualiseerde beoordeling te maken en de medische omstandigheden van eiser te betrekken bij de vraag of nog van het eerdere terugkeerbesluit naar Sierra Leone kan worden uitgegaan. Omdat de minister dit niet heeft gedaan, slaagt de beroepsgrond.


8.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in dit geval ook geen onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van eiser als hij zou moeten terugkeer naar Guinee of Ivoorkust. Dit betekent dat geen actuele beoordeling van het non-refoulementrisico is uitgevoerd. De minister was hiertoe, gelet op het voorgaande, wel gehouden. Dat de identiteit en/of nationaliteit van eiser niet vaststaat, doet daar niet aan af. De rechtbank verwijst daarvoor naar het recente arrest Hardeker. Daaruit volgt dat het mogelijk is om meerdere landen van terugkeer te vermelden in een terugkeerbesluit, zolang de verwijdering van de vreemdeling in het licht van de non-refoulementbeoordeling mogelijk is naar ten minste één van de in dat besluit genoemde landen. Aangezien er voor Guinee, Ivoorkust én Sierra Leone geen non-refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, is sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.


8.3.
De rechtbank overweegt tot slot dat zij zelf ook geen actuele refoulementbeoordeling kan maken, omdat geen actuele medische gegevens van eiser zijn betrokken in de besluitvorming.Inreisverbod
9. De rechtbank overweegt dat het inreisverbod onlosmakelijk is verbonden met de vertrekplicht van eiser en of hij in staat is terug te keren. Omdat de minister geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt en de rechtbank daar niet toe in staat is houdt het inreisverbod ook geen stand.Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf te voorzien. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hij krijgt daarom een vergoeding van zijn proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Beslissing



De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Inclusief de Europese Economische Ruimte en Zwitserland.


Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.


Inrichting voor Stelselmatige Daders.


Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Vreemdelingenwet 2000.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3564.


Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).


HvJEU, 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.


HvJEU, 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.


HvJEU, 25 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:518.


Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 3:46 van de Awb.


Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.