Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21973
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.8642
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - MOB - beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.038 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8642
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.G. Meyboom-de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank op 6 maart 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld sinds het bericht van de minister op 6 maart 2026 geen contact meer te hebben gehad met eiser.
2.1.
Volgens rechtspraak van de Afdeling moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.
2.2.
Gelet op de informatie van de gemachtigde van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8642
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.G. Meyboom-de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank op 6 maart 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld sinds het bericht van de minister op 6 maart 2026 geen contact meer te hebben gehad met eiser.
2.1.
Volgens rechtspraak van de Afdeling moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.
2.2.
Gelet op de informatie van de gemachtigde van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.