Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21968
2026-07-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.24318
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel. Problemen met de Egyptische autoriteiten vanwege toegedichte affiliatie met de Moslimbroederschap blijft naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan – vanwege zijn geloofwaardig geachte politieke overtuiging – is niet aannemelijk. Dat eiser in de toekomst zijn politieke overtuiging zal uiten en daardoor alsnog in de negatieve belangstelling zal komen te staan acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6689 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2197 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:EU:C:2023:688
- ECLI:NL:RVS:2024:63 Raad van State 17-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.038 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24318
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela en mr. F.D. In den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft op 30 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 6 juni 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
Op 14 oktober 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk. Verweerder kon niet verschijnen.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om 1) eiser in de gelegenheid te stellen om aan te geven of het mogelijk is om het origineel van de op 14 oktober 2025 overgelegde stukken te verkrijgen en 2) verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie te geven op deze stukken.
Partijen hebben vervolgens hun reacties ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.
Op 5 december 2025 heeft eiser stukken overgelegd en aangegeven dat deze origineel zijn. Eiser heeft verzocht om het onderzoek te heropenen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen de (alsnog) overgelegde documenten door Bureau Documenten te laten onderzoeken.
Bureau Documenten heeft op 11 maart 2026 een verklaring van onderzoek opgesteld.
Bij brief van 12 maart 2026 heeft verweerder medegedeeld te blijven bij zijn standpunten zoals reeds eerder naar voren gebracht. Eiser heeft daarop geen reactie ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens opnieuw het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979. Hij heeft op 20 februari 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag. In 2015 heeft eiser deelgenomen aan een demonstratie tegen president Sisi. Eiser heeft verklaard dat hij in april 2018 werd opgepakt bij het verlaten van de moskee. Hij werd ervan beschuldigd lid te zijn van de Moslimbroederschap. Hij werd meegenomen en 7 dagen vastgehouden op het politiebureau. Vervolgens werd eiser overgeplaatst naar een gevangenis, waar hij ongeveer 20 dagen heeft vastgezeten. Tijdens de detentieperiode werd eiser ondervraagd en mishandeld. In mei 2018 werd hij teruggebracht naar het plaatselijke politiebureau en vrijgelaten. Eiser heeft verder verklaard dat hij in november 2018 van zijn neef hoorde dat de politie naar hem op zoek was. Eiser is via de woning van zijn neven ontsnapt. In oktober 2019 heeft eiser Egypte verlaten.
1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 20 maart 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 23 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6689) heeft de rechtbank, zittingsplaats Den Haag, kort gezegd geoordeeld dat verweerder de asielaanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Redengevend daartoe is dat eiser in juli 2022 in Nederland is aangekomen en hij pas in februari 2023 asiel heeft aangevraagd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder de problemen van eiser met de Egyptische autoriteiten ongeloofwaardig heeft kunnen achten, maar dat verweerders standpunt met betrekking tot eisers politieke overtuiging onvoldoende was gemotiveerd. Dit nu niet was gemotiveerd wat eisers politieke overtuiging inhield en onvoldoende was onderzocht of er sprake zal zijn van een toegedichte politieke overtuiging op grond waarvan eiser bij terugkeer naar Egypte een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd en verweerder heeft opgedragen opnieuw te beslissen. Bij uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2197) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft op 25 november 2024 en 19 december 2024 schriftelijke vragen aan eiser gesteld. Eiser heeft daarop antwoord gegeven. Verweerder heeft, na een voornemen op 13 maart 2025, het bestreden besluit genomen. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. politieke overtuiging;
3. problemen met de Egyptische autoriteiten.
2.1.
Verweerder heeft elementen 1 en 2 geloofwaardig geacht, maar element 3 niet. Hieraan legt verweerder – ingevolge het bepaalde in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) – ten grondslag dat geen oprechte inspanning is geleverd om de aanvraag te staven, onvoldoende documenten zijn overgelegd en daarvoor geen goede verklaring is gegeven, de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk is ingediend en daarvoor geen goede verklaring is gegeven. In de geloofwaardig geachte elementen doet zich volgens verweerder geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen vanwege zijn politieke overtuiging. Eisers vrees dat hem het lidmaatschap en/of affiliatie met de Moslimbroederschap door de Egyptische autoriteiten wordt toegedicht – vanwege zijn politieke overtuiging – acht verweerder niet aannemelijk. Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Beroepsgronden
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit kort samengevat de volgende gronden aangevoerd. Eiser betoogt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn asielmotief aannemelijk te maken. Verweerder miskent dat de politieke overtuiging blijkens de eerdere uitspraak van de rechtbank onvoldoende was onderzocht. Nu dit door middel van de schriftelijke vragen alsnog is gebeurd, kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder in de procedure heeft verklaard dat hij naast de demonstratie in 2015 ook heeft deelgenomen aan kleinere demonstraties en stakingen, dat hij wel eens een bijeenkomst van de Moslimbroederschap heeft bezocht en hij in het verleden meerdere keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen en voor een aantal uur is vastgehouden. Eiser stelt voorts dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat bij de beoordeling van de asielaanvraag rekening is gehouden met de relevante landeninformatie. Eiser wijst er hierbij op dat verweerder niet heeft onderzocht welke risico’s er zijn voor vermeende leden van de Moslimbroederschap, anders dan een verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Egypte 2021 (het ambtsbericht). Tenslotte wijst eiser op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 21 september 2023 (ECLI:EU:C:2023:688) waaruit volgt dat – ook als op goede gronden de problemen ongeloofwaardig zijn geacht – bekeken dient te worden of er een risico bestaat dat de overtuiging de negatieve aandacht van de autoriteiten kan wekken. Volgens eiser heeft verweerder dit niet beoordeeld, terwijl dit risico gezien de landeninformatie wel aanwezig is.
Het oordeel van de rechtbank
Geloofwaardige politieke overtuiging
4. Uit Informatiebericht IB 2024/10 (Werkwijze politieke overtuiging) (het informatiebericht) – dat is opgesteld naar aanleiding van het arrest van het Hof van 21 september 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63) – volgt dat allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van een (geloofwaardige) politieke overtuiging. Daarvan is thans, met het onderhavige bestreden besluit, sprake. Verweerder heeft daarin gemotiveerd wat de politieke overtuiging van eiser is – namelijk dat eiser voor het verbeteren van het land is, hij het wel eens is met de ideeën van de Moslimbroederschap maar hij geen lid is, hij het eens is met de plannen om de economie te hervormen en Egypte om te vormen naar een islamitisch land, en eiser het belangrijk vindt dat een rechtvaardig persoon aan de macht is – en deze overtuiging heeft verweerder geloofwaardig geacht. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging, waaronder ook een overtuiging kan vallen die de vreemdeling wordt toegedicht door potentiële actoren van vervolging in zijn land van herkomst. De bewijslast daarvan ligt primair bij de vreemdeling. Ten aanzien van de beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging geldt dat met inachtneming van de relevante informatie over het land van herkomst moet worden beoordeeld of op grond van de gebleken (en dus geloofwaardig geachte) omstandigheden (zoals de verrichte activiteiten en de politieke overtuiging) aannemelijk is dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging staat of zal komen te staan en hierdoor een gegronde vrees heeft om daadwerkelijk te worden vervolgd bij terugkeer in zijn land van herkomst. Daarbij moet ook worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Op grond van de beschreven omstandigheden wordt – op basis van de sterkte van de overtuiging en/of de reeds in land van herkomst of land van toevlucht verrichte activiteiten – beoordeeld of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op die manier zal uiten en of hij of zij daardoor te vrezen heeft. De omstandigheid dat een vreemdeling met diens geuite politieke overtuiging of met diens activiteiten die eventueel zijn verricht om de overtuiging te uiten tijdens zijn verblijf in het land van herkomst of sinds zijn vertrek uit dat land, reeds de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging in dat land heeft getrokken, speelt ook een rol bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer.
4.1.
De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
Negatieve belangstelling voor eiser
4.2.
Ten aanzien van de elementen 2 en 3, de politieke overtuiging van eiser en de problemen met de Egyptische autoriteiten, overweegt de rechtbank dat deze tezamen zien op eisers vrees voor de Egyptische autoriteiten. De Moslimbroederschap wordt in Egypte blijkens het ambtsbericht (p. 69) officieel gezien als terroristische organisatie. Eiser vreest dat hem lidmaatschap van de Moslimbroederschap is toegedicht vanwege de problemen die hij in Egypte heeft gehad voorafgaand aan zijn vertrek (element 3). Daarnaast vreest hij dat hij bij terugkeer alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging, namelijk zijn sympathieën voor de Moslimbroederschap (element 2).
Verweerder heeft element 3 niet geloofwaardig geacht en de vrees van eiser in het kader van element 2 niet aannemelijk geacht. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. Daarbij maakt de rechtbank onderscheid tussen drie vragen.
De rechtbank gaat eerst in op de vraag of (alsnog) geloofwaardig is dat eiser in Egypte al problemen heeft ondervonden met de Egyptische autoriteiten omdat hem affiliatie met de Moslimbroederschap is toegedicht (overwegingen 4.3 t/m 4.3.2). Daaronder valt ook de vraag of eiser, onder andere door zijn deelname aan demonstraties, al in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten is komen te staan. Hierover is eerder in beroep en hoger beroep geprocedeerd. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken genoemd onder 1.1.
Daarna beoordeelt de rechtbank of aannemelijk is dat eiser bij terugkeer alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege de wijze waarop hij in het verleden uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging (overweging 4.4, 4.5 en 4.6).
Tot slot beoordeelt de rechtbank of aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege de wijze waarop hij in de toekomst (geloofwaardig) uiting wil geven aan zijn politieke overtuiging (overweging 4.7).
Eerdere problemen met de Egyptische autoriteiten vanwege toegedichte affiliatie met de Moslimbroederschap: blijft ongeloofwaardig
4.3.
Uit de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2024 volgt dat verweerder de gestelde problemen met de Egyptische autoriteiten – waaronder de gestelde arrestatie en de daaropvolgende detentie – ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daarbij is geoordeeld dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten staat, onder meer blijkend uit het feit dat eiser geruime tijd zonder problemen in Egypte heeft verbleven, hij legaal is uitgereisd en een paspoort heeft verkregen. Dit staat in rechte vast. Verweerder heeft in het kader van het onderhavige besluit dezelfde tegenwerpingen gehanteerd, en daaraan toegevoegd dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om de aanvraag te staven. Dit nu eiser eerst in de beantwoording van de schriftelijke vragen van verweerder heeft verklaard dat hij naast de demonstratie in 2015 ook heeft deelgenomen aan kleinere demonstraties en stakingen en dat hij wel eens een bijeenkomst van de Moslimbroederschap heeft bijgewoond. Hij heeft in dit verband ook verklaard dat hij diverse keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen en vastgehouden. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij dit niet eerder – ten tijde van het nader gehoor – naar voren heeft gebracht, terwijl dit wel uitdrukkelijk op eisers weg heeft gelegen. Het raakt immers de kern van eisers asielrelaas. Het is bovendien aan eiser om alle relevante feiten en omstandigheden en daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser daartoe volop de gelegenheid gehad. Aan hem is meerdere keren gevraagd of hij alles wat van belang is ten aanzien van de redenen van zijn vertrek uit Egypte heeft verklaard, wat eiser bevestigend heeft beantwoord. Er bestaat dan ook, anders dan eiser heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de samenwerkingsplicht en om deze feiten en omstandigheden alsnog geloofwaardig te achten en te betrekken bij de beoordeling. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.3.1.
In beroep heeft eiser alsnog documenten overgelegd ter staving van zijn asielrelaas. Het gaat om een onderzoeksrapport van 28 juli 2015 en een vonnis van de strafrechter te Caïro van 28 mei 2019. Met de documenten wenst eiser aannemelijk te maken dat hij heeft te vrezen voor politieke vervolging, meer in het bijzonder gelet op het strafvonnis waaruit zou volgen dat hij bij verstek is veroordeeld tot vijftien jaar ‘hard labor’, omdat hem, kort gezegd, affiliatie met de Moslimbroederschap wordt toegedicht. Bureau Documenten heeft de uiteindelijk overgelegde – naar gesteld: originele – documenten onderzocht op echtheid en is tot de conclusie gekomen dat daarover geen uitspraak kan worden gedaan, omdat voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal ontbreekt (Verklaring van onderzoek van 11 maart 2026).
De rechtbank overweegt dat, nu niet is vastgesteld dat het om authentieke documenten gaat, niet zonder meer van de inhoud daarvan kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich dan ook bij brief van 12 maart 2026, onder verwijzing naar het destijds ingediende verweerschrift van 3 november 2025, terecht op het standpunt gesteld dat aan de documenten niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien.
4.3.2.
De rechtbank overweegt daarbij dat ook de inhoud van de documenten, in het licht van eisers verklaringen, evenmin maakt dat alsnog geloofwaardig moet worden geacht dat eiser problemen heeft gehad met de Egyptische autoriteiten.
Zoals verweerder in het verweerschrift van 3 november 2025 heeft opgemerkt, heeft eiser ten tijde van het toenmalige nader gehoor nooit verklaard over een onderzoek (of aanhouding) in 2015. Eiser heeft toen enkel verklaard dat hij in 2015 (met een blinde man) naar een demonstratie is geweest en vóór 2018 geen problemen heeft gehad (p. 13). Eiser heeft toen aangegeven (p. 11) dat hij in april/mei 2018 één keer gedetineerd is geweest, dat hij in november 2018 (via de woning van zijn neven) is ontsnapt aan de Egyptische autoriteiten en dat hij daarna tot aan zijn vertrek in oktober 2019 bijna een jaar probleemloos in Egypte heeft verbleven. In de schriftelijke antwoorden op de gestelde vragen heeft eiser vervolgens verklaard dat hij een demonstratie in 2015 heeft bijgewoond, alsmede daarna kleinere demonstraties na het vrijdagmiddaggebed, weleens bijeenkomsten van de Moslimbroederschap heeft bijgewoond en hij in het verleden meerdere keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen van huis en is vastgehouden voor een aantal uur. Nimmer heeft eiser verklaard dat hij in 2015 vanuit een demonstratie is aangehouden, is meegenomen en verhoord, terwijl dit wel als zodanig naar voren komt uit het door eiser overgelegde onderzoeksrapport. Het voorgaande klemt te meer in het licht van eisers (wisselende) verklaring ter zitting dat er tussen 2015 en 2018 niets aan de hand was, dat de autoriteiten hem in 2018 probeerden aan te houden en dat zij meerdere keren bij hem thuis zijn geweest om hem te arresteren. Eiser heeft vervolgens ter zitting gesteld dat hij in het verleden een klap op zijn hoofd heeft gehad waardoor hij zich dingen niet goed kan herinneren, maar dit vindt nergens steun. Uit het rapport van Medifirst blijkt bovendien dat er geen klachten of beperkingen zijn geconstateerd die het gehoor belemmeren. Dat dit uitsluitend ziet op fysieke beperkingen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Hierbij komt dat – los van eisers verklaringen – uit het onderzoeksrapport volgt dat eiser zou zijn aangehouden na het vrijdagmiddaggebed, op 27 juli 2015, terwijl 27 juli 2015 blijkens de kalender op een maandag viel.
In het vonnis wordt gerefereerd aan dit onderzoeksrapport van 28 juli 2015, zodat het voorgaande vice versa voor het vonnis geldt. Ook is opmerkelijk dat in het strafvonnis van 28 mei 2019 staat: “The defendants, from the first [eiser] to fourth, were arrested”, terwijl ook staat vermeld dat eiser “had fled” en “failed to comply with the arrest warrants issued by the Public Prosecution on January 6, 2018, and on July 26 2018”. Dit valt namelijk niet te herleiden tot het vluchtverhaal dat eiser in Nederland heeft verteld (waaronder dat hij in april / mei 2018 was gedetineerd en is vrijgelaten, terwijl desalniettemin blijkens het vonnis daarvóór sprake zou zijn geweest van een arrestatiebevel. Niet valt in te zien waarom eiser in weerwil van een eerder arrestatiebevel op vrije voeten zou zijn gesteld, waarna op 26 juli 2018 opnieuw een arrestatiebevel zou zijn uitgevaardigd). Evenmin maakt dit inzichtelijk hoe die inhoud zich verhoudt tot de omstandigheden dat eiser bijna een jaar zonder problemen in Egypte heeft verbleven, het land legaal is uitgereisd en later een paspoort heeft verkregen bij de Egyptische ambassade in Frankrijk. Dat zijn tegenwerpingen die de rechterlijke toets al eerder hebben doorstaan. Alles in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank ook nu niet geloofwaardig dat eiser vanwege gestelde politieke activiteiten in het verleden al in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten staat.
Dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan is niet aannemelijk
4.4.
Met betrekking tot eisers politieke overtuiging heeft verweerder gevolgd dat eiser in 2015 heeft deelgenomen aan een demonstratie. Hoewel, zoals gezegd, niet geloofwaardig is dat de Egyptische autoriteiten eiser hebben vervolgd vanwege een vermeende affiliatie met de Moslimbroederschap, laat dat onverlet dat eiser sympathieën heeft voor de Moslimbroederschap en deze ook heeft geuit (middels deelname aan een demonstratie in 2015, zoals verweerder heeft aangenomen). Hierna toetst de rechtbank of eiser bij terugkeer naar Egypte alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van, ten eerste, de wijze waarop eiser in Egypte geloofwaardig uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, waaronder zijn deelname aan een demonstratie, en, ten tweede, de wijze waarop hij daaraan in de toekomst geloofwaardig uiting wenst te geven.
4.5.
Uit paragraaf C7/12.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek, volgt dat in Egypte onder meer (online) journalisten, mensenrechtenverdedigers of politieke opposanten/activisten worden aangemerkt als risicoprofiel, maar volgens verweerder is dit profiel niet op eiser van toepassing. De rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser de demonstratie in 2015 enkel heeft bijgewoond en er (naar eigen zeggen) bij deze demonstratie slechts 40 mensen aanwezig waren. Daarnaast heeft eiser verklaard geen andere activiteiten of anti-regime praktijken te hebben verricht (NG p. 17). Eiser is geen lid van of heeft specifieke taken verricht voor een organisatie zoals de Moslimbroederschap en heeft behalve de demonstratie geen uiting gegeven aan zijn politieke overtuiging. Dat eiser het eens is met de ideeën van de Moslimbroederschap is op zichzelf genomen onvoldoende. Los van de demonstratie in 2015 heeft eiser zijn politieke overtuiging verder niet geuit. Deze door eiser verrichte activiteit is echter niet significant en er is sprake van een groot tijdsverloop sinds deze activiteit, zoals verweerder heeft opgemerkt. Hierbij komt dat – zoals gezegd – de problemen van eiser met de Egyptische autoriteiten ongeloofwaardig kunnen worden geacht, eiser in de periode tussen zijn arrestatie en zijn vertrek in 2019 probleemloos in Egypte heeft kunnen verblijven, hij Egypte in oktober 2019 legaal heeft kunnen verlaten en hij bij de Egyptische ambassade in Frankrijk een paspoort heeft kunnen aanvragen. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat dit alles afbreuk doet aan de door eiser gestelde vrees.
4.6.
Verweerder dient ook te betrekken of de potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst van de uitingen van de politieke overtuiging op de hoogte kunnen zijn geraakt. Volgens eiser is het daarbij van belang dat ook vermeende leden van de Moslimbroederschap doelwit vormen. In het bestreden besluit wordt onderkend dat er een risico op vervolging bestaat voor vermeende leden en/of personen die affiliatie hebben met de Moslimbroederschap. Verweerder heeft echter kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een toegedicht lidmaatschap of affiliatie en er derhalve ook geen sprake is van een aannemelijke vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Egypte. Het enkele feit dat eiser in 2015 aanwezig was bij een demonstratie, is daarvoor onvoldoende. Uit het ambtsbericht blijkt dit niet. Verweerder heeft hier naar het oordeel van de rechtbank naar kunnen verwijzen. Bovendien heeft eiser in de reactie op de schriftelijke vragen van 19 december 2024 niet nader toegelicht waarop eiser dat standpunt baseert, ondanks dat verweerder hier om heeft gevraagd. Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar het (in de zienswijze aangehaalde) rapport van Human Rights Watch en Freedom House, maar ook hier leest de rechtbank dat niet terug. Verweerder heeft verder terecht gesteld dat de door eiser aangehaalde landeninformatie ziet op een periode waarin eiser zonder problemen in Egypte heeft verbleven, en niet ten onrechte verwezen naar de uitspraak van 23 april 2024. Voor zover eiser heeft gesteld dat zijn problemen met de Veiligheidsdienst niet zijn onderzocht, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.3 t/m 4.3.2 is overwogen.
Dat eiser zijn politieke overtuiging in de toekomst zal uiten en daardoor alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan is niet aannemelijk
4.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de autoriteiten in Egypte in de toekomst op de hoogte zullen raken van eisers politieke overtuiging. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is het allereerst aan eiser om de gestelde (toekomstige) vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Verweerder heeft in dat kader aan eiser gevraagd of hij in Nederland antiregime activiteiten verricht, of eiser bij een eventuele terugkeer in Egypte activiteiten gaat verrichten, en zo ja: wat hij dan zou willen doen, waarom en hoe, en waarom hij thans andere activiteiten zou willen verrichten dan in het verleden waar hij – behoudens de demonstratie in 2015 – nooit activiteiten heeft verricht. Eiser heeft daarop uitsluitend verklaard in Nederland geen activiteiten te verrichten ten aanzien van zijn politieke overtuiging en niet te weten of hij bij terugkeer naar Egypte activiteiten gaat ondernemen, omdat hij het risico te groot vindt zolang de Moslimbroederschap niet in de meerderheid is. Daarmee heeft eiser zijn toekomstige vrees niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser heeft verwezen naar algemene landeninformatie, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen.
Slotsom
5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen. De onder 3. weergegeven beroepsgronden slagen niet.
Uitkomst
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23-07-2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Thans: C9/12.3.2. van de Vc.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24318
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela en mr. F.D. In den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft op 30 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 6 juni 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
Op 14 oktober 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk. Verweerder kon niet verschijnen.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om 1) eiser in de gelegenheid te stellen om aan te geven of het mogelijk is om het origineel van de op 14 oktober 2025 overgelegde stukken te verkrijgen en 2) verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie te geven op deze stukken.
Partijen hebben vervolgens hun reacties ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.
Op 5 december 2025 heeft eiser stukken overgelegd en aangegeven dat deze origineel zijn. Eiser heeft verzocht om het onderzoek te heropenen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen de (alsnog) overgelegde documenten door Bureau Documenten te laten onderzoeken.
Bureau Documenten heeft op 11 maart 2026 een verklaring van onderzoek opgesteld.
Bij brief van 12 maart 2026 heeft verweerder medegedeeld te blijven bij zijn standpunten zoals reeds eerder naar voren gebracht. Eiser heeft daarop geen reactie ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens opnieuw het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979. Hij heeft op 20 februari 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag. In 2015 heeft eiser deelgenomen aan een demonstratie tegen president Sisi. Eiser heeft verklaard dat hij in april 2018 werd opgepakt bij het verlaten van de moskee. Hij werd ervan beschuldigd lid te zijn van de Moslimbroederschap. Hij werd meegenomen en 7 dagen vastgehouden op het politiebureau. Vervolgens werd eiser overgeplaatst naar een gevangenis, waar hij ongeveer 20 dagen heeft vastgezeten. Tijdens de detentieperiode werd eiser ondervraagd en mishandeld. In mei 2018 werd hij teruggebracht naar het plaatselijke politiebureau en vrijgelaten. Eiser heeft verder verklaard dat hij in november 2018 van zijn neef hoorde dat de politie naar hem op zoek was. Eiser is via de woning van zijn neven ontsnapt. In oktober 2019 heeft eiser Egypte verlaten.
1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 20 maart 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 23 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6689) heeft de rechtbank, zittingsplaats Den Haag, kort gezegd geoordeeld dat verweerder de asielaanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Redengevend daartoe is dat eiser in juli 2022 in Nederland is aangekomen en hij pas in februari 2023 asiel heeft aangevraagd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder de problemen van eiser met de Egyptische autoriteiten ongeloofwaardig heeft kunnen achten, maar dat verweerders standpunt met betrekking tot eisers politieke overtuiging onvoldoende was gemotiveerd. Dit nu niet was gemotiveerd wat eisers politieke overtuiging inhield en onvoldoende was onderzocht of er sprake zal zijn van een toegedichte politieke overtuiging op grond waarvan eiser bij terugkeer naar Egypte een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd en verweerder heeft opgedragen opnieuw te beslissen. Bij uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2197) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft op 25 november 2024 en 19 december 2024 schriftelijke vragen aan eiser gesteld. Eiser heeft daarop antwoord gegeven. Verweerder heeft, na een voornemen op 13 maart 2025, het bestreden besluit genomen. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. politieke overtuiging;
3. problemen met de Egyptische autoriteiten.
2.1.
Verweerder heeft elementen 1 en 2 geloofwaardig geacht, maar element 3 niet. Hieraan legt verweerder – ingevolge het bepaalde in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) – ten grondslag dat geen oprechte inspanning is geleverd om de aanvraag te staven, onvoldoende documenten zijn overgelegd en daarvoor geen goede verklaring is gegeven, de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk is ingediend en daarvoor geen goede verklaring is gegeven. In de geloofwaardig geachte elementen doet zich volgens verweerder geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen vanwege zijn politieke overtuiging. Eisers vrees dat hem het lidmaatschap en/of affiliatie met de Moslimbroederschap door de Egyptische autoriteiten wordt toegedicht – vanwege zijn politieke overtuiging – acht verweerder niet aannemelijk. Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Beroepsgronden
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit kort samengevat de volgende gronden aangevoerd. Eiser betoogt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn asielmotief aannemelijk te maken. Verweerder miskent dat de politieke overtuiging blijkens de eerdere uitspraak van de rechtbank onvoldoende was onderzocht. Nu dit door middel van de schriftelijke vragen alsnog is gebeurd, kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder in de procedure heeft verklaard dat hij naast de demonstratie in 2015 ook heeft deelgenomen aan kleinere demonstraties en stakingen, dat hij wel eens een bijeenkomst van de Moslimbroederschap heeft bezocht en hij in het verleden meerdere keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen en voor een aantal uur is vastgehouden. Eiser stelt voorts dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat bij de beoordeling van de asielaanvraag rekening is gehouden met de relevante landeninformatie. Eiser wijst er hierbij op dat verweerder niet heeft onderzocht welke risico’s er zijn voor vermeende leden van de Moslimbroederschap, anders dan een verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Egypte 2021 (het ambtsbericht). Tenslotte wijst eiser op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 21 september 2023 (ECLI:EU:C:2023:688) waaruit volgt dat – ook als op goede gronden de problemen ongeloofwaardig zijn geacht – bekeken dient te worden of er een risico bestaat dat de overtuiging de negatieve aandacht van de autoriteiten kan wekken. Volgens eiser heeft verweerder dit niet beoordeeld, terwijl dit risico gezien de landeninformatie wel aanwezig is.
Het oordeel van de rechtbank
Geloofwaardige politieke overtuiging
4. Uit Informatiebericht IB 2024/10 (Werkwijze politieke overtuiging) (het informatiebericht) – dat is opgesteld naar aanleiding van het arrest van het Hof van 21 september 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63) – volgt dat allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van een (geloofwaardige) politieke overtuiging. Daarvan is thans, met het onderhavige bestreden besluit, sprake. Verweerder heeft daarin gemotiveerd wat de politieke overtuiging van eiser is – namelijk dat eiser voor het verbeteren van het land is, hij het wel eens is met de ideeën van de Moslimbroederschap maar hij geen lid is, hij het eens is met de plannen om de economie te hervormen en Egypte om te vormen naar een islamitisch land, en eiser het belangrijk vindt dat een rechtvaardig persoon aan de macht is – en deze overtuiging heeft verweerder geloofwaardig geacht. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging, waaronder ook een overtuiging kan vallen die de vreemdeling wordt toegedicht door potentiële actoren van vervolging in zijn land van herkomst. De bewijslast daarvan ligt primair bij de vreemdeling. Ten aanzien van de beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging geldt dat met inachtneming van de relevante informatie over het land van herkomst moet worden beoordeeld of op grond van de gebleken (en dus geloofwaardig geachte) omstandigheden (zoals de verrichte activiteiten en de politieke overtuiging) aannemelijk is dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging staat of zal komen te staan en hierdoor een gegronde vrees heeft om daadwerkelijk te worden vervolgd bij terugkeer in zijn land van herkomst. Daarbij moet ook worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Op grond van de beschreven omstandigheden wordt – op basis van de sterkte van de overtuiging en/of de reeds in land van herkomst of land van toevlucht verrichte activiteiten – beoordeeld of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op die manier zal uiten en of hij of zij daardoor te vrezen heeft. De omstandigheid dat een vreemdeling met diens geuite politieke overtuiging of met diens activiteiten die eventueel zijn verricht om de overtuiging te uiten tijdens zijn verblijf in het land van herkomst of sinds zijn vertrek uit dat land, reeds de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging in dat land heeft getrokken, speelt ook een rol bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer.
4.1.
De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
Negatieve belangstelling voor eiser
4.2.
Ten aanzien van de elementen 2 en 3, de politieke overtuiging van eiser en de problemen met de Egyptische autoriteiten, overweegt de rechtbank dat deze tezamen zien op eisers vrees voor de Egyptische autoriteiten. De Moslimbroederschap wordt in Egypte blijkens het ambtsbericht (p. 69) officieel gezien als terroristische organisatie. Eiser vreest dat hem lidmaatschap van de Moslimbroederschap is toegedicht vanwege de problemen die hij in Egypte heeft gehad voorafgaand aan zijn vertrek (element 3). Daarnaast vreest hij dat hij bij terugkeer alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging, namelijk zijn sympathieën voor de Moslimbroederschap (element 2).
Verweerder heeft element 3 niet geloofwaardig geacht en de vrees van eiser in het kader van element 2 niet aannemelijk geacht. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. Daarbij maakt de rechtbank onderscheid tussen drie vragen.
De rechtbank gaat eerst in op de vraag of (alsnog) geloofwaardig is dat eiser in Egypte al problemen heeft ondervonden met de Egyptische autoriteiten omdat hem affiliatie met de Moslimbroederschap is toegedicht (overwegingen 4.3 t/m 4.3.2). Daaronder valt ook de vraag of eiser, onder andere door zijn deelname aan demonstraties, al in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten is komen te staan. Hierover is eerder in beroep en hoger beroep geprocedeerd. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken genoemd onder 1.1.
Daarna beoordeelt de rechtbank of aannemelijk is dat eiser bij terugkeer alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege de wijze waarop hij in het verleden uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging (overweging 4.4, 4.5 en 4.6).
Tot slot beoordeelt de rechtbank of aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan vanwege de wijze waarop hij in de toekomst (geloofwaardig) uiting wil geven aan zijn politieke overtuiging (overweging 4.7).
Eerdere problemen met de Egyptische autoriteiten vanwege toegedichte affiliatie met de Moslimbroederschap: blijft ongeloofwaardig
4.3.
Uit de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2024 volgt dat verweerder de gestelde problemen met de Egyptische autoriteiten – waaronder de gestelde arrestatie en de daaropvolgende detentie – ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daarbij is geoordeeld dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten staat, onder meer blijkend uit het feit dat eiser geruime tijd zonder problemen in Egypte heeft verbleven, hij legaal is uitgereisd en een paspoort heeft verkregen. Dit staat in rechte vast. Verweerder heeft in het kader van het onderhavige besluit dezelfde tegenwerpingen gehanteerd, en daaraan toegevoegd dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om de aanvraag te staven. Dit nu eiser eerst in de beantwoording van de schriftelijke vragen van verweerder heeft verklaard dat hij naast de demonstratie in 2015 ook heeft deelgenomen aan kleinere demonstraties en stakingen en dat hij wel eens een bijeenkomst van de Moslimbroederschap heeft bijgewoond. Hij heeft in dit verband ook verklaard dat hij diverse keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen en vastgehouden. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij dit niet eerder – ten tijde van het nader gehoor – naar voren heeft gebracht, terwijl dit wel uitdrukkelijk op eisers weg heeft gelegen. Het raakt immers de kern van eisers asielrelaas. Het is bovendien aan eiser om alle relevante feiten en omstandigheden en daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser daartoe volop de gelegenheid gehad. Aan hem is meerdere keren gevraagd of hij alles wat van belang is ten aanzien van de redenen van zijn vertrek uit Egypte heeft verklaard, wat eiser bevestigend heeft beantwoord. Er bestaat dan ook, anders dan eiser heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de samenwerkingsplicht en om deze feiten en omstandigheden alsnog geloofwaardig te achten en te betrekken bij de beoordeling. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.3.1.
In beroep heeft eiser alsnog documenten overgelegd ter staving van zijn asielrelaas. Het gaat om een onderzoeksrapport van 28 juli 2015 en een vonnis van de strafrechter te Caïro van 28 mei 2019. Met de documenten wenst eiser aannemelijk te maken dat hij heeft te vrezen voor politieke vervolging, meer in het bijzonder gelet op het strafvonnis waaruit zou volgen dat hij bij verstek is veroordeeld tot vijftien jaar ‘hard labor’, omdat hem, kort gezegd, affiliatie met de Moslimbroederschap wordt toegedicht. Bureau Documenten heeft de uiteindelijk overgelegde – naar gesteld: originele – documenten onderzocht op echtheid en is tot de conclusie gekomen dat daarover geen uitspraak kan worden gedaan, omdat voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal ontbreekt (Verklaring van onderzoek van 11 maart 2026).
De rechtbank overweegt dat, nu niet is vastgesteld dat het om authentieke documenten gaat, niet zonder meer van de inhoud daarvan kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich dan ook bij brief van 12 maart 2026, onder verwijzing naar het destijds ingediende verweerschrift van 3 november 2025, terecht op het standpunt gesteld dat aan de documenten niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien.
4.3.2.
De rechtbank overweegt daarbij dat ook de inhoud van de documenten, in het licht van eisers verklaringen, evenmin maakt dat alsnog geloofwaardig moet worden geacht dat eiser problemen heeft gehad met de Egyptische autoriteiten.
Zoals verweerder in het verweerschrift van 3 november 2025 heeft opgemerkt, heeft eiser ten tijde van het toenmalige nader gehoor nooit verklaard over een onderzoek (of aanhouding) in 2015. Eiser heeft toen enkel verklaard dat hij in 2015 (met een blinde man) naar een demonstratie is geweest en vóór 2018 geen problemen heeft gehad (p. 13). Eiser heeft toen aangegeven (p. 11) dat hij in april/mei 2018 één keer gedetineerd is geweest, dat hij in november 2018 (via de woning van zijn neven) is ontsnapt aan de Egyptische autoriteiten en dat hij daarna tot aan zijn vertrek in oktober 2019 bijna een jaar probleemloos in Egypte heeft verbleven. In de schriftelijke antwoorden op de gestelde vragen heeft eiser vervolgens verklaard dat hij een demonstratie in 2015 heeft bijgewoond, alsmede daarna kleinere demonstraties na het vrijdagmiddaggebed, weleens bijeenkomsten van de Moslimbroederschap heeft bijgewoond en hij in het verleden meerdere keren door de Veiligheidsdienst is meegenomen van huis en is vastgehouden voor een aantal uur. Nimmer heeft eiser verklaard dat hij in 2015 vanuit een demonstratie is aangehouden, is meegenomen en verhoord, terwijl dit wel als zodanig naar voren komt uit het door eiser overgelegde onderzoeksrapport. Het voorgaande klemt te meer in het licht van eisers (wisselende) verklaring ter zitting dat er tussen 2015 en 2018 niets aan de hand was, dat de autoriteiten hem in 2018 probeerden aan te houden en dat zij meerdere keren bij hem thuis zijn geweest om hem te arresteren. Eiser heeft vervolgens ter zitting gesteld dat hij in het verleden een klap op zijn hoofd heeft gehad waardoor hij zich dingen niet goed kan herinneren, maar dit vindt nergens steun. Uit het rapport van Medifirst blijkt bovendien dat er geen klachten of beperkingen zijn geconstateerd die het gehoor belemmeren. Dat dit uitsluitend ziet op fysieke beperkingen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Hierbij komt dat – los van eisers verklaringen – uit het onderzoeksrapport volgt dat eiser zou zijn aangehouden na het vrijdagmiddaggebed, op 27 juli 2015, terwijl 27 juli 2015 blijkens de kalender op een maandag viel.
In het vonnis wordt gerefereerd aan dit onderzoeksrapport van 28 juli 2015, zodat het voorgaande vice versa voor het vonnis geldt. Ook is opmerkelijk dat in het strafvonnis van 28 mei 2019 staat: “The defendants, from the first [eiser] to fourth, were arrested”, terwijl ook staat vermeld dat eiser “had fled” en “failed to comply with the arrest warrants issued by the Public Prosecution on January 6, 2018, and on July 26 2018”. Dit valt namelijk niet te herleiden tot het vluchtverhaal dat eiser in Nederland heeft verteld (waaronder dat hij in april / mei 2018 was gedetineerd en is vrijgelaten, terwijl desalniettemin blijkens het vonnis daarvóór sprake zou zijn geweest van een arrestatiebevel. Niet valt in te zien waarom eiser in weerwil van een eerder arrestatiebevel op vrije voeten zou zijn gesteld, waarna op 26 juli 2018 opnieuw een arrestatiebevel zou zijn uitgevaardigd). Evenmin maakt dit inzichtelijk hoe die inhoud zich verhoudt tot de omstandigheden dat eiser bijna een jaar zonder problemen in Egypte heeft verbleven, het land legaal is uitgereisd en later een paspoort heeft verkregen bij de Egyptische ambassade in Frankrijk. Dat zijn tegenwerpingen die de rechterlijke toets al eerder hebben doorstaan. Alles in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank ook nu niet geloofwaardig dat eiser vanwege gestelde politieke activiteiten in het verleden al in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten staat.
Dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan is niet aannemelijk
4.4.
Met betrekking tot eisers politieke overtuiging heeft verweerder gevolgd dat eiser in 2015 heeft deelgenomen aan een demonstratie. Hoewel, zoals gezegd, niet geloofwaardig is dat de Egyptische autoriteiten eiser hebben vervolgd vanwege een vermeende affiliatie met de Moslimbroederschap, laat dat onverlet dat eiser sympathieën heeft voor de Moslimbroederschap en deze ook heeft geuit (middels deelname aan een demonstratie in 2015, zoals verweerder heeft aangenomen). Hierna toetst de rechtbank of eiser bij terugkeer naar Egypte alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van, ten eerste, de wijze waarop eiser in Egypte geloofwaardig uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, waaronder zijn deelname aan een demonstratie, en, ten tweede, de wijze waarop hij daaraan in de toekomst geloofwaardig uiting wenst te geven.
4.5.
Uit paragraaf C7/12.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek, volgt dat in Egypte onder meer (online) journalisten, mensenrechtenverdedigers of politieke opposanten/activisten worden aangemerkt als risicoprofiel, maar volgens verweerder is dit profiel niet op eiser van toepassing. De rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser de demonstratie in 2015 enkel heeft bijgewoond en er (naar eigen zeggen) bij deze demonstratie slechts 40 mensen aanwezig waren. Daarnaast heeft eiser verklaard geen andere activiteiten of anti-regime praktijken te hebben verricht (NG p. 17). Eiser is geen lid van of heeft specifieke taken verricht voor een organisatie zoals de Moslimbroederschap en heeft behalve de demonstratie geen uiting gegeven aan zijn politieke overtuiging. Dat eiser het eens is met de ideeën van de Moslimbroederschap is op zichzelf genomen onvoldoende. Los van de demonstratie in 2015 heeft eiser zijn politieke overtuiging verder niet geuit. Deze door eiser verrichte activiteit is echter niet significant en er is sprake van een groot tijdsverloop sinds deze activiteit, zoals verweerder heeft opgemerkt. Hierbij komt dat – zoals gezegd – de problemen van eiser met de Egyptische autoriteiten ongeloofwaardig kunnen worden geacht, eiser in de periode tussen zijn arrestatie en zijn vertrek in 2019 probleemloos in Egypte heeft kunnen verblijven, hij Egypte in oktober 2019 legaal heeft kunnen verlaten en hij bij de Egyptische ambassade in Frankrijk een paspoort heeft kunnen aanvragen. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat dit alles afbreuk doet aan de door eiser gestelde vrees.
4.6.
Verweerder dient ook te betrekken of de potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst van de uitingen van de politieke overtuiging op de hoogte kunnen zijn geraakt. Volgens eiser is het daarbij van belang dat ook vermeende leden van de Moslimbroederschap doelwit vormen. In het bestreden besluit wordt onderkend dat er een risico op vervolging bestaat voor vermeende leden en/of personen die affiliatie hebben met de Moslimbroederschap. Verweerder heeft echter kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een toegedicht lidmaatschap of affiliatie en er derhalve ook geen sprake is van een aannemelijke vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Egypte. Het enkele feit dat eiser in 2015 aanwezig was bij een demonstratie, is daarvoor onvoldoende. Uit het ambtsbericht blijkt dit niet. Verweerder heeft hier naar het oordeel van de rechtbank naar kunnen verwijzen. Bovendien heeft eiser in de reactie op de schriftelijke vragen van 19 december 2024 niet nader toegelicht waarop eiser dat standpunt baseert, ondanks dat verweerder hier om heeft gevraagd. Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar het (in de zienswijze aangehaalde) rapport van Human Rights Watch en Freedom House, maar ook hier leest de rechtbank dat niet terug. Verweerder heeft verder terecht gesteld dat de door eiser aangehaalde landeninformatie ziet op een periode waarin eiser zonder problemen in Egypte heeft verbleven, en niet ten onrechte verwezen naar de uitspraak van 23 april 2024. Voor zover eiser heeft gesteld dat zijn problemen met de Veiligheidsdienst niet zijn onderzocht, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.3 t/m 4.3.2 is overwogen.
Dat eiser zijn politieke overtuiging in de toekomst zal uiten en daardoor alsnog in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten zal komen te staan is niet aannemelijk
4.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de autoriteiten in Egypte in de toekomst op de hoogte zullen raken van eisers politieke overtuiging. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is het allereerst aan eiser om de gestelde (toekomstige) vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Verweerder heeft in dat kader aan eiser gevraagd of hij in Nederland antiregime activiteiten verricht, of eiser bij een eventuele terugkeer in Egypte activiteiten gaat verrichten, en zo ja: wat hij dan zou willen doen, waarom en hoe, en waarom hij thans andere activiteiten zou willen verrichten dan in het verleden waar hij – behoudens de demonstratie in 2015 – nooit activiteiten heeft verricht. Eiser heeft daarop uitsluitend verklaard in Nederland geen activiteiten te verrichten ten aanzien van zijn politieke overtuiging en niet te weten of hij bij terugkeer naar Egypte activiteiten gaat ondernemen, omdat hij het risico te groot vindt zolang de Moslimbroederschap niet in de meerderheid is. Daarmee heeft eiser zijn toekomstige vrees niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser heeft verwezen naar algemene landeninformatie, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen.
Slotsom
5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen. De onder 3. weergegeven beroepsgronden slagen niet.
Uitkomst
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23-07-2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Thans: C9/12.3.2. van de Vc.