Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21966
2026-07-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.38171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring 59 lid 1. Gemachtigde niet op zitting. Verzoek schriftelijke reactie afgewezen. Gronden. Geen lichter middel. Medisch dossier en artikel NOS. Aroja. Ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2611 Rechtbank Den Haag 12-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6128 Rechtbank Den Haag 19-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2019:1162 Raad van State 11-04-2019
- ECLI:EU:C:2026:148
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 Rechtbank Den Haag 04-05-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.514 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de gemachtigde van eiser in de gelegenheid moeten worden gesteld om schriftelijk te reageren?
5. Eiser heeft bij het indienen van de gronden op 16 juli 2026 verzocht om zijn beroep schriftelijk te behandelen, omdat zijn gemachtigde, noch een waarnemer, bij de zitting aanwezig kan zijn. Zijn gemachtigde is er pas op 14 juli 2026 van op de hoogte geraakt dat een kennisgeving van de maatregel was uitgegaan en dat de zitting gepland stond op 17 juli 2026. Dit is niet aan eiser toe te rekenen, want bij de kennisgeving van 8 juli 2026 die is doorgezonden naar de rechtbank is een onjuiste gemachtigde (mr. N. Birrou) vermeld. Dit terwijl al in de piketfase duidelijk was dat de gemachtigde van eiser als voorkeursadvocaat heeft opgetreden. De gemachtigde van eiser heeft van mr. N. Birrou ook vernomen dat hij kort na de kennisgeving aan de griffie van de rechtbank heeft aangegeven dat hij niet als gemachtigde optreedt voor eiser. De gemachtigde merkt hierbij op dat uit de stukken volgt dat het plan van de minister is om eiser op 15 juli 2026 uit te zetten en hij er dus van uitgaat dat dit inmiddels is gebeurd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de geplande uitzetting op 15 juli 2026 om 18.00 uur geen doorgang heeft gevonden. Eiser heeft, net als bij de vorige poging om hem uit te zetten, kort voor vertrek opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hierop is op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van het Vb 2000 door de minister beslist dat uitzetting niet achterwege blijft. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eisers gedrag er vervolgens toe heeft geleid dat de uitzetting niet is gelukt. Nadat hij eerst fingeerde scheermesjes te hebben ingeslikt, heeft hij zich daarna zodanig opstandig gedragen dat de piloot hem niet mee wilde nemen. Hij is dus niet vertrokken met de vlucht. Eiser was dan ook ter zitting aanwezig. Zijn gemachtigde was niet aanwezig.
5.2.
Eiser stelt dat zijn gemachtigde pas op 14 juli 2026 op de hoogte is geraakt van de kennisgeving en de datum van de zitting van 17 juli 2026. Dit is niet juist. Bij de stukken bevindt zich een formulier (HV21) waaruit volgt dat eisers gemachtigde aanvankelijk niet kon worden bereikt en dat om die reden mr. N. Birrou is ingeschakeld als piketadvocaat. Kort daarna is alsnog contact tot stand gekomen met de gemachtigde van eiser. Uit de informatie volgt dat eiser voorafgaand aan het gehoor met zijn gemachtigde heeft gesproken. Verder zit in het dossier een bericht van mr. N. Birrou van 13 juli 2026 om 15.04 uur waarin hij, onder meer, aangeeft dat hij die dag is benaderd door mr. J.P. van Mulken en dat mr. J.P. van Mulken daarbij heeft aangegeven dat hij de belangen van eiser zal behartigen. Uit de stukken blijkt dat op dat moment de datum van de zitting van 17 juli 2026 al bekend was. De gemachtigde van eiser had op dat moment dus al contact kunnen opnemen met de rechtbank en kunnen aangeven dat hij niet bij de zitting van 17 juli 2026 aanwezig kon zijn. Gemachtigde heeft dat niet gedaan. Verder heeft eiser gronden ingediend die ter zitting zijn besproken en is eiser ter zitting gehoord. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid niet gezegd worden dat eiser in zijn belangen is geschaad omdat hem effectieve rechtsbijstand is onthouden. Het verzoek om het beroep schriftelijk te behandelen (de rechtbank begrijpt: om gemachtigde in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op wat ter zitting is besproken) wordt dan ook afgewezen.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Eiser voert aan dat alle zes gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel, zich niet voordoen dan wel onvoldoende zijn gemotiveerd. Op wat eiser daartoe betoogt, gaat de rechtbank hierna in.
6.1.
Eiser heeft de a-grond niet feitelijk betwist. Deze grond is feitelijk juist en kan dus aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
6.2.
Volgens eiser is de b-grond onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Er wordt namelijk in de maatregel alleen gewezen op het besluit van 15 januari 2025, terwijl de minister stelt dat eiser in juni 2023 met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Verder geldt dat niet is gebleken dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit op de juiste wijze is bekendgemaakt. Wanneer immers wordt gesteld dat eiser al sinds juni 2023 zou zijn vertrokken, kan niet worden volstaan met de toezending van het besluit aan een advocaat die zichzelf nooit als gemachtigde bij de minister heeft gesteld.
6.2.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat deze grond feitelijk juist is. Deze rechtbank heeft in de eerdere uitspraak van 12 januari 2026 al geoordeeld dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025 op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat eiser na zijn asielaanvraag van 3 maart 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en het terugkeerbesluit naar de toenmalige bekende gemachtigde van eiser is gestuurd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en ook niet heeft laten weten hoe hij bereikbaar was, voor zijn risico moet blijven. De rechtbank heeft geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. Verder geldt dat eiser tot op heden niet is teruggekeerd naar Marokko en dus geen gevolg heeft gegeven aan de hem opgelegde verplichting.
6.3.
Dat betekent dat de gronden onder a en b feitelijk juist zijn. Deze zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de overige door eiser betwiste gronden niet.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Eiser is psychisch ziek, heeft schizofrenie, heeft onder behandeling gestaan bij een psycholoog en gebruikt bepaalde medicatie die hij zelf niet bij zich heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser zijn medisch dossier ingebracht. Volgens eiser is met de schizofrenie niet kenbaar rekening gehouden bij de motivering in de maatregel over het lichter middel, terwijl eiser al vaker heeft aangegeven dat de psychische zorg tekortschiet in het detentiecentrum en hij hier onder lijdt. Eiser wijst in dit verband ook op een recent artikel van de NOS. Er is niet goed gemotiveerd dat de medische dienstverlening hem adequate zorg kan verlenen en eiser niet detentieongeschikt zou zijn. Hij heeft namelijk specialistische behandeling nodig en drie keer per dag medicatie. Niet inzichtelijk is of de daartoe benodigde zorg aanwezig en beschikbaar is in het detentiecentrum. Dat geldt ook voor de voor hem benodigde medicatie.
7.1.
Wat eiser aanvoert is grotendeels een herhaling van wat hij al eerder bij deze rechtbank heeft aangevoerd en waarover is geoordeeld dat terecht niet is volstaan met een lichter middel. Ook in de huidige maatregel is voldoende door de minister gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat. Daarbij is rekening gehouden met de door eiser naar voren gebrachte psychiatrische problematiek en is er op gewezen dat eiser onder toezicht staat van een psycholoog en psychiater. Verder is gemotiveerd dat er in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en daar een behandeling kan worden aangevraagd, aangevangen of voortgezet en dat als zorg onvoldoende kan worden gegeven, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Hierbij is van belang dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij medicatie gebruikt en dat hij die medicatie in het detentiecentrum ook heeft gekregen. Eiser heeft niet voorafgaand aan het opleggen van de maatregel naar voren gebracht dat hij (vanwege zijn schizofrenie en/of benodigde behandeling of medicatie) onvoldoende zorg krijgt. Dat de schizofrenie in de maatregel niet is benoemd, maakt dan ook niet dat deze op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Het is ook niet aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser niet detentieongeschikt is, zoals eiser lijkt te stellen, maar aan eiser om aannemelijk te maken dat de in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Dat heeft hij niet gedaan, ook niet met het door hem ingebrachte medische dossier en het NOS-artikel. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat uit het medisch dossier juist volgt dat eiser de benodigde hulp en ook medicatie krijgt. Dat eiser ter zitting heeft benoemd dat hij voorafgaand aan de detentie vaker een afspraak had met zijn psycholoog doet hier niet aan af. Verder heeft eiser ter zitting gesteld dat hij drie pogingen heeft gedaan om zich van zijn leven te beroven en na die momenten geen psycholoog is langs geweest. Ook dit leidt er niet toe dat thans wel een lichter middel moet worden toegepast. In het medisch dossier wordt op 20 juni 2026 melding gemaakt van een plaatsing van eiser in een observatiecel wegens suïcidale uitlatingen en een poging tot verhanging en is vermeld dat eiser in dit verband door de psycholoog wordt bezocht. Verder is rekening gehouden met een poging tot suïcide in het verleden en staat vermeld dat eiser in verband met een verhoogd risico op suïcidaliteit bij uitzetting wordt geobserveerd en hij gedurende zijn verblijf in de observatiecel dagelijks wordt gezien door de medische dienst. Bovendien heeft eiser tijdens zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij kan spreken met een psycholoog en psychiater. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.1.1.
De rechtbank overweegt dat het er sterk op lijkt dat eiser er alles aan doet om zijn uitzetting te frustreren. Niet alleen gelet op zijn gedrag tijdens de laatste poging tot uitzetting, waarbij eiser fingeert scheermesjes te hebben ingeslikt (niet het geval) en zich zodanig gedraagt dat de gezagvoerder van het vliegtuig hem niet wil meenemen. Maar ook door de wijze waarop eiser van zijn mogelijkheden om asiel te vragen gebruik maakt. Eiser is in december 2025 in bewaring gesteld en had in die periode (maar ook daarvoor) toegang tot de asielprocedure. Hij heeft in december 2025 aangegeven geen nieuwe asielwens te hebben. Eiser heeft vervolgens op 7 april 2026, op het moment dat hij op Schiphol was om terug te keren naar Marokko, alsnog een opvolgende asielaanvraag ingediend. Dat heeft er toe geleid dat de uitzetting toen is mislukt. Na afwijzing van die aanvraag heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd op 12 juni 2026 (niet-ontvankelijk verklaard op 8 juli 2026) en laatstelijk kort voor zijn geplande uitzetting op 15 juli 2026 (beslissing artikel 3.1 van het Vb 2000 op 15 juli 2026. Dit terwijl eiser tijdens het laatst gevoerde vertrekgesprek op 9 juli 2026 aangeeft terug te willen keren naar Marokko mits hij geld meekrijgt. De rechtbank heeft eiser ter zitting gewaarschuwd dat zijn gedrag kan leiden tot een langdurige inbewaringstelling.
Arrest Aroja
8. Eiser voert aan, onder verwijzing naar het arrest Aroja, dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog langer in bewaring moet worden gehouden.
8.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In het arrest Aroja heeft het Hof van Justitie onder meer voor recht verklaard dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit dit arrest volgt niet dat de perioden van maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het geval van eiser betekent dit dat de zes maandentermijn waarbij de minister is gehouden om een verlengingsbesluit te nemen nog niet verstreken is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Met als titel: ‘Formulier externe bijzonderheden zaak’, datum 8 juli 2026.
Dit heeft als titel ‘Andere gemachtigde’.
Zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2026:2611.
https://nos.nl/artikel/2619393-kritiek-op-zorg-in-vreemdelingendetentie-nederland-hoog-niveau-van-geweld.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, 25 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6128.
Zie ABRvS 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.
Arrest van het HvJE van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 4 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10525.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de gemachtigde van eiser in de gelegenheid moeten worden gesteld om schriftelijk te reageren?
5. Eiser heeft bij het indienen van de gronden op 16 juli 2026 verzocht om zijn beroep schriftelijk te behandelen, omdat zijn gemachtigde, noch een waarnemer, bij de zitting aanwezig kan zijn. Zijn gemachtigde is er pas op 14 juli 2026 van op de hoogte geraakt dat een kennisgeving van de maatregel was uitgegaan en dat de zitting gepland stond op 17 juli 2026. Dit is niet aan eiser toe te rekenen, want bij de kennisgeving van 8 juli 2026 die is doorgezonden naar de rechtbank is een onjuiste gemachtigde (mr. N. Birrou) vermeld. Dit terwijl al in de piketfase duidelijk was dat de gemachtigde van eiser als voorkeursadvocaat heeft opgetreden. De gemachtigde van eiser heeft van mr. N. Birrou ook vernomen dat hij kort na de kennisgeving aan de griffie van de rechtbank heeft aangegeven dat hij niet als gemachtigde optreedt voor eiser. De gemachtigde merkt hierbij op dat uit de stukken volgt dat het plan van de minister is om eiser op 15 juli 2026 uit te zetten en hij er dus van uitgaat dat dit inmiddels is gebeurd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de geplande uitzetting op 15 juli 2026 om 18.00 uur geen doorgang heeft gevonden. Eiser heeft, net als bij de vorige poging om hem uit te zetten, kort voor vertrek opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hierop is op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van het Vb 2000 door de minister beslist dat uitzetting niet achterwege blijft. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eisers gedrag er vervolgens toe heeft geleid dat de uitzetting niet is gelukt. Nadat hij eerst fingeerde scheermesjes te hebben ingeslikt, heeft hij zich daarna zodanig opstandig gedragen dat de piloot hem niet mee wilde nemen. Hij is dus niet vertrokken met de vlucht. Eiser was dan ook ter zitting aanwezig. Zijn gemachtigde was niet aanwezig.
5.2.
Eiser stelt dat zijn gemachtigde pas op 14 juli 2026 op de hoogte is geraakt van de kennisgeving en de datum van de zitting van 17 juli 2026. Dit is niet juist. Bij de stukken bevindt zich een formulier (HV21) waaruit volgt dat eisers gemachtigde aanvankelijk niet kon worden bereikt en dat om die reden mr. N. Birrou is ingeschakeld als piketadvocaat. Kort daarna is alsnog contact tot stand gekomen met de gemachtigde van eiser. Uit de informatie volgt dat eiser voorafgaand aan het gehoor met zijn gemachtigde heeft gesproken. Verder zit in het dossier een bericht van mr. N. Birrou van 13 juli 2026 om 15.04 uur waarin hij, onder meer, aangeeft dat hij die dag is benaderd door mr. J.P. van Mulken en dat mr. J.P. van Mulken daarbij heeft aangegeven dat hij de belangen van eiser zal behartigen. Uit de stukken blijkt dat op dat moment de datum van de zitting van 17 juli 2026 al bekend was. De gemachtigde van eiser had op dat moment dus al contact kunnen opnemen met de rechtbank en kunnen aangeven dat hij niet bij de zitting van 17 juli 2026 aanwezig kon zijn. Gemachtigde heeft dat niet gedaan. Verder heeft eiser gronden ingediend die ter zitting zijn besproken en is eiser ter zitting gehoord. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid niet gezegd worden dat eiser in zijn belangen is geschaad omdat hem effectieve rechtsbijstand is onthouden. Het verzoek om het beroep schriftelijk te behandelen (de rechtbank begrijpt: om gemachtigde in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op wat ter zitting is besproken) wordt dan ook afgewezen.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Eiser voert aan dat alle zes gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel, zich niet voordoen dan wel onvoldoende zijn gemotiveerd. Op wat eiser daartoe betoogt, gaat de rechtbank hierna in.
6.1.
Eiser heeft de a-grond niet feitelijk betwist. Deze grond is feitelijk juist en kan dus aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
6.2.
Volgens eiser is de b-grond onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Er wordt namelijk in de maatregel alleen gewezen op het besluit van 15 januari 2025, terwijl de minister stelt dat eiser in juni 2023 met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Verder geldt dat niet is gebleken dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit op de juiste wijze is bekendgemaakt. Wanneer immers wordt gesteld dat eiser al sinds juni 2023 zou zijn vertrokken, kan niet worden volstaan met de toezending van het besluit aan een advocaat die zichzelf nooit als gemachtigde bij de minister heeft gesteld.
6.2.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat deze grond feitelijk juist is. Deze rechtbank heeft in de eerdere uitspraak van 12 januari 2026 al geoordeeld dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025 op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat eiser na zijn asielaanvraag van 3 maart 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en het terugkeerbesluit naar de toenmalige bekende gemachtigde van eiser is gestuurd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en ook niet heeft laten weten hoe hij bereikbaar was, voor zijn risico moet blijven. De rechtbank heeft geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. Verder geldt dat eiser tot op heden niet is teruggekeerd naar Marokko en dus geen gevolg heeft gegeven aan de hem opgelegde verplichting.
6.3.
Dat betekent dat de gronden onder a en b feitelijk juist zijn. Deze zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de overige door eiser betwiste gronden niet.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Eiser is psychisch ziek, heeft schizofrenie, heeft onder behandeling gestaan bij een psycholoog en gebruikt bepaalde medicatie die hij zelf niet bij zich heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser zijn medisch dossier ingebracht. Volgens eiser is met de schizofrenie niet kenbaar rekening gehouden bij de motivering in de maatregel over het lichter middel, terwijl eiser al vaker heeft aangegeven dat de psychische zorg tekortschiet in het detentiecentrum en hij hier onder lijdt. Eiser wijst in dit verband ook op een recent artikel van de NOS. Er is niet goed gemotiveerd dat de medische dienstverlening hem adequate zorg kan verlenen en eiser niet detentieongeschikt zou zijn. Hij heeft namelijk specialistische behandeling nodig en drie keer per dag medicatie. Niet inzichtelijk is of de daartoe benodigde zorg aanwezig en beschikbaar is in het detentiecentrum. Dat geldt ook voor de voor hem benodigde medicatie.
7.1.
Wat eiser aanvoert is grotendeels een herhaling van wat hij al eerder bij deze rechtbank heeft aangevoerd en waarover is geoordeeld dat terecht niet is volstaan met een lichter middel. Ook in de huidige maatregel is voldoende door de minister gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat. Daarbij is rekening gehouden met de door eiser naar voren gebrachte psychiatrische problematiek en is er op gewezen dat eiser onder toezicht staat van een psycholoog en psychiater. Verder is gemotiveerd dat er in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en daar een behandeling kan worden aangevraagd, aangevangen of voortgezet en dat als zorg onvoldoende kan worden gegeven, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Hierbij is van belang dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij medicatie gebruikt en dat hij die medicatie in het detentiecentrum ook heeft gekregen. Eiser heeft niet voorafgaand aan het opleggen van de maatregel naar voren gebracht dat hij (vanwege zijn schizofrenie en/of benodigde behandeling of medicatie) onvoldoende zorg krijgt. Dat de schizofrenie in de maatregel niet is benoemd, maakt dan ook niet dat deze op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Het is ook niet aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser niet detentieongeschikt is, zoals eiser lijkt te stellen, maar aan eiser om aannemelijk te maken dat de in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Dat heeft hij niet gedaan, ook niet met het door hem ingebrachte medische dossier en het NOS-artikel. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat uit het medisch dossier juist volgt dat eiser de benodigde hulp en ook medicatie krijgt. Dat eiser ter zitting heeft benoemd dat hij voorafgaand aan de detentie vaker een afspraak had met zijn psycholoog doet hier niet aan af. Verder heeft eiser ter zitting gesteld dat hij drie pogingen heeft gedaan om zich van zijn leven te beroven en na die momenten geen psycholoog is langs geweest. Ook dit leidt er niet toe dat thans wel een lichter middel moet worden toegepast. In het medisch dossier wordt op 20 juni 2026 melding gemaakt van een plaatsing van eiser in een observatiecel wegens suïcidale uitlatingen en een poging tot verhanging en is vermeld dat eiser in dit verband door de psycholoog wordt bezocht. Verder is rekening gehouden met een poging tot suïcide in het verleden en staat vermeld dat eiser in verband met een verhoogd risico op suïcidaliteit bij uitzetting wordt geobserveerd en hij gedurende zijn verblijf in de observatiecel dagelijks wordt gezien door de medische dienst. Bovendien heeft eiser tijdens zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij kan spreken met een psycholoog en psychiater. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.1.1.
De rechtbank overweegt dat het er sterk op lijkt dat eiser er alles aan doet om zijn uitzetting te frustreren. Niet alleen gelet op zijn gedrag tijdens de laatste poging tot uitzetting, waarbij eiser fingeert scheermesjes te hebben ingeslikt (niet het geval) en zich zodanig gedraagt dat de gezagvoerder van het vliegtuig hem niet wil meenemen. Maar ook door de wijze waarop eiser van zijn mogelijkheden om asiel te vragen gebruik maakt. Eiser is in december 2025 in bewaring gesteld en had in die periode (maar ook daarvoor) toegang tot de asielprocedure. Hij heeft in december 2025 aangegeven geen nieuwe asielwens te hebben. Eiser heeft vervolgens op 7 april 2026, op het moment dat hij op Schiphol was om terug te keren naar Marokko, alsnog een opvolgende asielaanvraag ingediend. Dat heeft er toe geleid dat de uitzetting toen is mislukt. Na afwijzing van die aanvraag heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd op 12 juni 2026 (niet-ontvankelijk verklaard op 8 juli 2026) en laatstelijk kort voor zijn geplande uitzetting op 15 juli 2026 (beslissing artikel 3.1 van het Vb 2000 op 15 juli 2026. Dit terwijl eiser tijdens het laatst gevoerde vertrekgesprek op 9 juli 2026 aangeeft terug te willen keren naar Marokko mits hij geld meekrijgt. De rechtbank heeft eiser ter zitting gewaarschuwd dat zijn gedrag kan leiden tot een langdurige inbewaringstelling.
Arrest Aroja
8. Eiser voert aan, onder verwijzing naar het arrest Aroja, dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog langer in bewaring moet worden gehouden.
8.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In het arrest Aroja heeft het Hof van Justitie onder meer voor recht verklaard dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit dit arrest volgt niet dat de perioden van maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het geval van eiser betekent dit dat de zes maandentermijn waarbij de minister is gehouden om een verlengingsbesluit te nemen nog niet verstreken is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Met als titel: ‘Formulier externe bijzonderheden zaak’, datum 8 juli 2026.
Dit heeft als titel ‘Andere gemachtigde’.
Zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2026:2611.
https://nos.nl/artikel/2619393-kritiek-op-zorg-in-vreemdelingendetentie-nederland-hoog-niveau-van-geweld.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, 25 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6128.
Zie ABRvS 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.
Arrest van het HvJE van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 4 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10525.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.