Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21959
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42854
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring – betwisting van de gronden – lichter middel – gebrek in de ophouding, waarvoor pkv wordt toegekend – beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2012:BW3351 Raad van State 12-04-2012
- ECLI:NL:RVS:2022:3338 Raad van State 18-11-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.655 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42854
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd (de maatregel) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De ophouding
2. Eiser voert aan dat de ophouding dertien minuten te lang heeft geduurd. De redenen die verweerder in de maatregel heeft genoemd voor deze termijnoverschrijding kunnen deze niet rechtvaardigen. De termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de organisatie van verweerder en dient daarom ook voor zijn rekening te komen. De belangenafweging dient daarom in het voordeel van eiser uit te vallen.
3. De ophouding mag op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 28 juli 2026 om 20:30 uur. Eiser is op 29 juli 2026 om 11:43 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 13 minuten. Hiermee is sprake van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de vreemdelingenbewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. Deze belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank betrekt hierbij dat – zoals hierna wordt overwogen – sprake is van een risico op onderduiken. Daarnaast is van belang dat er sprake is van een relatief geringe overschrijding van de maximum duur. Niet is gebleken dat eiser daarbuiten in zijn belangen is geschaad.Het gebrek maakt dan ook niet dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
5. Eiser betwist alle gronden.
6. Verweerder heeft ter zitting de grond p laten vallen.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden b, h en r terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Bij besluit van 2 maart 2026 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser op grond van het arrest Chavez-Vilchez is geëindigd op 19 oktober 2022 en tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Het betoog van eiser dat ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat eiser voor het verstrijken van de vertrektermijn bekend was met de vertrekplicht, wordt niet gevolgd. Eiser heeft immers op 13 april 2026 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 maart 2026, zodat hij in ieder geval op die datum bekend was met het besluit. Op 25 juni 2026 is beslist op het bezwaar van eiser en vanaf die datum is de vertrekplicht gaan lopen, waarna hij niet is vertrokken uit Nederland. Dat eiser gedurende een gedeelte van de vertrektermijn in strafrechtelijke detentie zat en om die reden niet kon vertrekken, wordt niet gevolgd. Uit jurisprudentie volgt dat de strafrechtelijke detentie voor rekening en risico komt van eiser. Van eiser mag worden verwacht dat hij de nodige inspanningen verricht om zijn terugkeer te bevorderen gedurende de strafrechtelijke detentie. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiser dat hij niet aan terugkeer naar Egypte wenst te werken, maar een procedure wenst te starten om zijn verblijfsrecht in Nederland te laten toetsen. Dat dit als zodanig mogelijk is, laat onverlet dat eiser hiermee te kennen heeft gegeven geen gevolg te geven aan de vertrekplicht. Verder geldt dat het door eiser genoemde adres tijdens het gehoor niet afdoet aan de feitelijke juistheid van de grond r. Het genoemde adres is immers het adres van de Stadswinkel van de gemeente Tilburg, waar eiser niet daadwerkelijk verblijft. De gronden b, h en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarom wordt aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht welke alternatieven voor de maatregel van vreemdelingenbewaring beschikbaar waren. Eiser wijst er onder meer op dat hij een concreet verblijfsadres heeft genoemd, dat hij in contact staat met diverse organisaties en hulptrajecten heeft lopen, dat hij een minderjarige Nederlandse dochter heeft en dat hij psychische klachten heeft waarvoor hij medicatie gebruikt. Tegen deze achtergrond had verweerder concreet moeten beoordelen of kon worden volstaan met een lichter middel.
9. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd overwogen dat in dit geval niet kan worden volstaan met een minder dwingende maatregel om het risico op onderduiken te ondervangen. Verweerder heeft daarbij de door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken. Dat eiser met diverse instanties in contact staat, vormt geen waarborg tegen onderduiken, aangezien eiser nu juist geen rechtmatig verblijf meer heeft en bedoelde instanties niet belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De door eiser gewenste invrijheidsstelling kan voorts niet leiden tot contact met zijn dochter, nu uit het in het dossier aanwezige uittreksel van eisers Justitiële documentatie van 30 juli 2026 volgt blijkt dat eiser een contactverbod heeft. . Verder is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden die maken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is of die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen.
Ambtshalve toets
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt omdat de gemachtigde van eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3351) en 18 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3338).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42854
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd (de maatregel) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De ophouding
2. Eiser voert aan dat de ophouding dertien minuten te lang heeft geduurd. De redenen die verweerder in de maatregel heeft genoemd voor deze termijnoverschrijding kunnen deze niet rechtvaardigen. De termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de organisatie van verweerder en dient daarom ook voor zijn rekening te komen. De belangenafweging dient daarom in het voordeel van eiser uit te vallen.
3. De ophouding mag op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 28 juli 2026 om 20:30 uur. Eiser is op 29 juli 2026 om 11:43 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 13 minuten. Hiermee is sprake van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de vreemdelingenbewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. Deze belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank betrekt hierbij dat – zoals hierna wordt overwogen – sprake is van een risico op onderduiken. Daarnaast is van belang dat er sprake is van een relatief geringe overschrijding van de maximum duur. Niet is gebleken dat eiser daarbuiten in zijn belangen is geschaad.Het gebrek maakt dan ook niet dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
5. Eiser betwist alle gronden.
6. Verweerder heeft ter zitting de grond p laten vallen.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden b, h en r terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Bij besluit van 2 maart 2026 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser op grond van het arrest Chavez-Vilchez is geëindigd op 19 oktober 2022 en tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Het betoog van eiser dat ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat eiser voor het verstrijken van de vertrektermijn bekend was met de vertrekplicht, wordt niet gevolgd. Eiser heeft immers op 13 april 2026 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 maart 2026, zodat hij in ieder geval op die datum bekend was met het besluit. Op 25 juni 2026 is beslist op het bezwaar van eiser en vanaf die datum is de vertrekplicht gaan lopen, waarna hij niet is vertrokken uit Nederland. Dat eiser gedurende een gedeelte van de vertrektermijn in strafrechtelijke detentie zat en om die reden niet kon vertrekken, wordt niet gevolgd. Uit jurisprudentie volgt dat de strafrechtelijke detentie voor rekening en risico komt van eiser. Van eiser mag worden verwacht dat hij de nodige inspanningen verricht om zijn terugkeer te bevorderen gedurende de strafrechtelijke detentie. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiser dat hij niet aan terugkeer naar Egypte wenst te werken, maar een procedure wenst te starten om zijn verblijfsrecht in Nederland te laten toetsen. Dat dit als zodanig mogelijk is, laat onverlet dat eiser hiermee te kennen heeft gegeven geen gevolg te geven aan de vertrekplicht. Verder geldt dat het door eiser genoemde adres tijdens het gehoor niet afdoet aan de feitelijke juistheid van de grond r. Het genoemde adres is immers het adres van de Stadswinkel van de gemeente Tilburg, waar eiser niet daadwerkelijk verblijft. De gronden b, h en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarom wordt aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht welke alternatieven voor de maatregel van vreemdelingenbewaring beschikbaar waren. Eiser wijst er onder meer op dat hij een concreet verblijfsadres heeft genoemd, dat hij in contact staat met diverse organisaties en hulptrajecten heeft lopen, dat hij een minderjarige Nederlandse dochter heeft en dat hij psychische klachten heeft waarvoor hij medicatie gebruikt. Tegen deze achtergrond had verweerder concreet moeten beoordelen of kon worden volstaan met een lichter middel.
9. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd overwogen dat in dit geval niet kan worden volstaan met een minder dwingende maatregel om het risico op onderduiken te ondervangen. Verweerder heeft daarbij de door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken. Dat eiser met diverse instanties in contact staat, vormt geen waarborg tegen onderduiken, aangezien eiser nu juist geen rechtmatig verblijf meer heeft en bedoelde instanties niet belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De door eiser gewenste invrijheidsstelling kan voorts niet leiden tot contact met zijn dochter, nu uit het in het dossier aanwezige uittreksel van eisers Justitiële documentatie van 30 juli 2026 volgt blijkt dat eiser een contactverbod heeft. . Verder is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden die maken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is of die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen.
Ambtshalve toets
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt omdat de gemachtigde van eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3351) en 18 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3338).