Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21943

2026-01-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.3017
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-01-28
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.3017
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.956 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3017

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),


en


de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).




Procesverloop


De minister heeft op 25 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.





Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 december 2025 (in de zaak NL25.60303) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de



rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.


4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn en de minister kan volstaan met een lichter middel . Eiser verblijft sinds 25 april 2025 in bewaring en meent daarmee dat het voortzetten van de maatregel op bewaring niet langer als redelijk kan worden aangemerkt en daarom moet worden opgeheven. Tot op heden hebben de Nigeriaanse autoriteiten geen enkel inhoudelijk resultaat verstrekt. Er is geen laissez passer (hierna: lp) afgegeven en geen bevestiging van nationaliteit ontvangen, zodat het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van rechtbank Den Haag van 24 oktober 20231 en 11 januari 2011.2 Eiser verblijft inmiddels ruim negen maanden in bewaring en daarom ligt een lichter middel in de rede. Naarmate de bewaring voortduurt, dient de minister telkens opnieuw te beoordelen of de vrijheidsontnemende maatregel nog noodzakelijk is. Gelet op de duur van de bewaring en het ontbreken van elke voortgang in de lp-procedure kan de stelling van de minister dat eiser niet meewerkt de bewaring thans niet langer dragen. De maatregel is daarom niet langer proportioneel en dient te worden beëindigd.
Zicht op uitzetting
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraken, onder meer die van 16 december 20253, reeds overwogen dat in algemene zin zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat en het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Dat in zijn geval na negen maanden nog geen lp is afgegeven, is hiervoor onvoldoende, aangezien eiser zelf het lp-traject frustreert door driemaal niet mee te werken aan presentaties bij de Nigeriaanse autoriteiten. Nu de Nigeriaanse autoriteiten niet hebben aangegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting, het onderzoek nog loopt en de minister regelmatig rappelleert bij deze autoriteiten, laatstelijk op 8 januari 2026, is er nog geen reden om aan te nemen dat geen lp zal worden verstrekt. Hierbij is ook van belang dat eiser verplicht is om actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Eiser heeft tot op heden niet aan deze verplichting voldaan en hij geeft in de vertrekgesprekken van 19 december 2025 en 14 januari 2026 aan dat hij dit ook niet zal gaan doen. Er zijn geen aanknopingspunten die erop wijzen dat als eiser wel meewerkt, het lp-traject op niets zal uitlopen en er daarom geen zicht op uitzetting is. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging en lichter middel
6. Wat betreft de duur van de opgelegde maatregel van bewaring is het zo dat naarmate een bewaring langer duurt, aan het belang van de betrokken vreemdeling bij invrijheidstelling steeds meer gewicht toekomt. Eiser zit al relatief lang in bewaring, negen maanden, maar de rechtbank vindt dat de minister in het kader van de verzwaarde belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de bewaring nog niet heeft opgeheven. Niet betwist is dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, en waaruit een risico op onttrekking volgt, nog altijd van toepassing zijn. Verder heeft de





1. ECLI:NL:RBDHA:2023:16048
2 ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1655
3 Rechtsoverweging 5



minister mogen betrekken dat eiser op geen enkele wijze aan zijn meewerkplicht heeft voldaan door driemaal niet aan presentaties mee te werken en evenmin inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen op basis waarvan zijn identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de belangenafweging niet reeds vanwege de duur van de bewaring in het voordeel van eiser uitvalt. De verwijzing naar voormelde uitspraken van 24 oktober 2023 en 11 januari 2011, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Hierbij is van belang dat de te maken belangenafweging in iedere zaak een individuele afweging is waarbij alle omstandigheden moeten worden betrokken.
Verder zijn afgezien van de duur, geen andere omstandigheden gesteld of gebleken waardoor de belangenafweging thans in het voordeel van eiser uit zou moeten vallen. Evenmin zijn omstandigheden aangevoerd die maken dat nu wel met een lichter middel kan worden volstaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen bestaat er nog altijd een risico op onttrekking. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing


7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




28 januari 2026



















Documentcode: [Documentcode]















Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.