Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21935
2026-07-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.32361
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel, Jemen, Sana'a, artikel 15c Kri, humanitaire omstandigheden, rekrutering, ongegrond.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19859 Rechtbank Den Haag 28-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2025:250 Rechtbank Den Haag 10-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1986 Rechtbank Den Haag 13-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2025:55 Rechtbank Den Haag 03-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1449 Rechtbank Den Haag 28-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:2927 Raad van State 17-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9143 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3611 Rechtbank Den Haag 23-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2066 Rechtbank Den Haag 05-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.215 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32361
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 terecht aangenomen dat in [plaats] sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld. Ook voldoet de beoordeling van de humanitaire omstandigheden in dit beleid aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Het beroep is wel gegrond, omdat het bestreden besluit gebaseerd is op het eerdere beleid (WBV 2024/9), dat door de Afdeling niet houdbaar is geacht. Het bestreden besluit bevat daarmee een motiveringsgebrek. De rechtbank zal wel de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. De gemachtigde van de minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Op 1 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op hetgeen eiser in zijn aanvullende beroepsgronden van 27 mei 2026 heeft aangevoerd over de humanitaire situatie in Jemen. De minister heeft op 12 juni 2026 een nader verweerschrift ingediend. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 7 juli 2026 opnieuw gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is van Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij is geboren in de stad [geboorteplaats] en is op jonge leeftijd verhuisd naar [plaats] . Hier heeft hij tot aan zijn vertrek uit Jemen gewoond. Eiser vreest voor de algemene veiligheidssituatie in Jemen, omdat het daar onveilig en instabiel is. Eiser verklaart dat hij voor zijn vertrek uit Jemen in de bus is lastig gevallen door [groep] , waarbij er tegen hem werd geschreeuwd. Ook heeft hij eens aan [groep] leden moeten uitleggen waarom hij niet meedeed aan kreten van de [groep] na het gebed in de moskee. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij samen met anderen die uit [geboorteplaats] kwamen bij een controlepost van de [groep] de bus moest verlaten. Na een ondervraging door de [groep] kon hij toen zijn reis voortzetten. Eiser heeft ook verklaard dat hij eens in de bus in een schietpartij terecht is gekomen tussen twee leden van de [groep] . Hij vreest bij terugkeer naar Jemen gerekruteerd te worden door de [groep] .
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de [groep] .
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook eisers verklaringen over zijn problemen met de [groep] acht de minister geloofwaardig. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege deze problemen met de [groep] . De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Jemen ten onrechte het beleid is aangepast, in die zin dat niet langer een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wordt aangenomen. De stukken die de minister ten grondslag heeft gelegd aan de beëindiging van dit beleid voldoen niet aan artikel 16 van de Kwalificatierichtlijn. Nu de situatie nog steeds ernstig en fragiel is, kan de beleidswijziging niet gerechtvaardigd worden geacht. Eiser verwijst naar een aantal uitspraken van deze rechtbank. Daarnaast heeft de minister geen op eiser toegespitste beoordeling gemaakt. In het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd waarom de situatie van willekeurig geweld, in samenhang met de slechte humanitaire situatie, en in samenhang met de door eiser aangedragen individuele kenmerken niet leidt tot ernstige schade bij terugkeer op grond van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij merkt eiser op dat het landgebonden beleid ten aanzien van Jemen en zoals opgenomen in de kamerbrief van 5 maart 2024 niet houdbaar is. In de aanvullende gronden en op de zitting heeft eiser nog aangevoerd dat in het nieuwe beleid onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze de humanitaire omstandigheden zijn meegenomen in de beoordeling van een eventuele situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook dienen volgens eiser de humanitaire omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van gewapend conflict apart beoordeeld te worden in het kader van artikel 3 van het EVRM. Verder wijst eiser nog op een aantal bronnen waaruit blijkt dat de humanitaire situatie in Jemen is verslechterd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 16 januari 2025 is uitgegaan van het beleid dat gold voor Jemen zoals volgt uit WBV 2024/9. Dat besluit kan geen stand houden, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 16 januari 2025. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft zich namelijk in het verweerschrift van 15 mei 2026 terecht op het standpunt gesteld dat het beleid ten aanzien van Jemen, naar aanleiding van de bovengenoemde Afdelingsuitspraak en het algemeen ambtsbericht van april 2025, op juiste wijze is aangepast met WBV 2025/20. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 5 februari 2026, geoordeeld dat hierin voldoende is gemotiveerd dat in [plaats] sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld.
De rechtbank overweegt dat uit deze uitspraak ook volgt dat de beoordeling van de humanitaire omstandigheden in het nieuwe beleid volledig is en voldoet aan de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister in het verweerschrift van 12 juni 2026 voldoende is ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de strijdende partijen niet in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de erbarmelijke omstandigheden in Jemen. De minister wijst er terecht op dat humanitaire omstandigheden dan slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden van dwingende aard kunnen leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden bij terugkeer een groter risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. De rechtbank gaat hier onder 6.1 verder op in. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen op individueel niveau een reëel risico loopt op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege de problemen met de [groep] . Eiser heeft verklaard dat hij in het dagelijks leven last had van [groep] . Dat hij geen persoonlijke problemen met de [groep] heeft gehad voordat hij vertrok, wil niet zeggen dat hij daarom ook bij terugkeer geen problemen zal hebben. Hier komt nog bij dat eiser bij terugkeer vreest gerekruteerd te worden door de [groep] . Dit is onderdeel van zijn algemene vrees voor de [groep] . Eiser heeft gemotiveerd aangegeven dat hij juist vanwege zijn opleiding tot [beroep] en zijn kennis van [onderwerp] een interessant doelwit is voor de [groep] . Zijn kennis is reden voor de [groep] om hem ofwel binnen te willen halen om voor hen te werken of om hem uit de weg te ruimen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiser op verschillende bronnen. De minister heeft dit miskend en heeft dit individuele kenmerk niet betroken bij de besluitvorming. Hier komt nog bij dat eiser in de zienswijze uitgebreid heeft toegelicht waarom hij naar Nederland is gekomen en waarom zijn jarenlange verblijf in [plaats] niet maakt dat hij geen bescherming nodig heeft. De minister is hier in het bestreden besluit niet op ingegaan.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen individueel gezien een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij geen persoonlijke problemen heeft gehad met de [groep] en dat er geen aanwijzingen zijn dat de [groep] naar hem op zoek zijn. Tijdens de gehoren en correcties en aanvullingen heeft eiser ook niet eerder gesproken over zijn vrees voor rekrutering. Dit had wel van hem verwacht mogen worden. Daarom is dit terecht niet aangemerkt als asielmotief. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de kenmerken waarop de [groep] rekruteren en welke worden genoemd in het algemeen ambtsbericht. Hieruit volgt namelijk dat [groep] hun activiteiten grotendeels richten op mannen in de leeftijd van 18 tot 22 jaar, dat de meeste rekruten analfabeet waren en dat zij afkomstig waren uit de armste lagen van de bevolking. Eisers leeftijd, opleidingsmogelijkheid en diploma voldoen niet aan deze kenmerken. Dat eiser een uitzondering zou vormen op het algemene profiel waarop door de [groep] wordt gerekruteerd en dat hij vanwege zijn kennis van [onderwerp] een risico zou lopen is onvoldoende onderbouwd. De bronnen waar eiser naar verwijst wijzen daar niet op. De tegenwerping dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend in [plaats] behoeft volgens de rechtbank geen bespreking, omdat de problemen met de [groep] door de minister geloofwaardig zijn geacht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aangezien de minister het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 16 januari 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Rb. Den Haag (zp. Den Bosch), d.d. 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19859, Rb. Den Haag (zp. Den Bosch), d.d. 10 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:250, Rb. Den Haag, d.d. 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1986, Rb. Den Haag (zp. Middelburg), d.d. 15 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:55, Rb. Den Haag (zp. Utrecht), d.d. 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1449.
Dit volgt uit ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Vergelijk Rb. Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
Rb. Den Haag 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA), Yemen: Yemen Humanitarian Needs and Response Plan 2026 (March 2026), United Nations Population Fund (UNFPA), Situation Report on the Crisis in Yemen (January to March 2026), UN, Yemen’s fragile calm unravels as hunger and aid restrictions deepen crisis (14 January 2026), Yemen Monitor, UN: Funding for the 2026 Humanitarian Response Plan in Yemen is at critically low levels (19 may 20226), Human Rights Watch, [bron] Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen (8 January 2026), Human Rights Watch, Yemen 2025.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Algemeen ambtsbericht Jemen, d.d. april 2025.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066,
r.o. 8.4.3, 8.5 & 8.5.6.
Dit volgt uit EHRM 27 mei 2008, appl. nr. 26565/05 (N. tegen het Verenigd Koninkrijk), r.o. 42.
International Institute for Strategic Studies (IISS), Made in Yemen? Assessing the [bron] ’ arms-production capacity (11 April 2025), Reuters, Iran, Hezbollah enabled [bron] ' rise, says UN report
(26 September 2024), Royal United Services Institute (RUSI), Beyond the Axis: Yemen’s Houthis are Building their ‘Network of Resistance’ (18 November 2024), Middle East Monitor (MEMO), Report: Yemen’s [bron] developing deadlier, more accurate drones (19 February 2020), Reddit, [bron] F-5 from the recent parade (September 2023).
Verslag nader gehoor, p. 6.
Algemeen Ambtsbericht Jemen, augustus 2022.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32361
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 terecht aangenomen dat in [plaats] sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld. Ook voldoet de beoordeling van de humanitaire omstandigheden in dit beleid aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Het beroep is wel gegrond, omdat het bestreden besluit gebaseerd is op het eerdere beleid (WBV 2024/9), dat door de Afdeling niet houdbaar is geacht. Het bestreden besluit bevat daarmee een motiveringsgebrek. De rechtbank zal wel de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. De gemachtigde van de minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Op 1 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op hetgeen eiser in zijn aanvullende beroepsgronden van 27 mei 2026 heeft aangevoerd over de humanitaire situatie in Jemen. De minister heeft op 12 juni 2026 een nader verweerschrift ingediend. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 7 juli 2026 opnieuw gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is van Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij is geboren in de stad [geboorteplaats] en is op jonge leeftijd verhuisd naar [plaats] . Hier heeft hij tot aan zijn vertrek uit Jemen gewoond. Eiser vreest voor de algemene veiligheidssituatie in Jemen, omdat het daar onveilig en instabiel is. Eiser verklaart dat hij voor zijn vertrek uit Jemen in de bus is lastig gevallen door [groep] , waarbij er tegen hem werd geschreeuwd. Ook heeft hij eens aan [groep] leden moeten uitleggen waarom hij niet meedeed aan kreten van de [groep] na het gebed in de moskee. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij samen met anderen die uit [geboorteplaats] kwamen bij een controlepost van de [groep] de bus moest verlaten. Na een ondervraging door de [groep] kon hij toen zijn reis voortzetten. Eiser heeft ook verklaard dat hij eens in de bus in een schietpartij terecht is gekomen tussen twee leden van de [groep] . Hij vreest bij terugkeer naar Jemen gerekruteerd te worden door de [groep] .
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de [groep] .
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook eisers verklaringen over zijn problemen met de [groep] acht de minister geloofwaardig. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege deze problemen met de [groep] . De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Jemen ten onrechte het beleid is aangepast, in die zin dat niet langer een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wordt aangenomen. De stukken die de minister ten grondslag heeft gelegd aan de beëindiging van dit beleid voldoen niet aan artikel 16 van de Kwalificatierichtlijn. Nu de situatie nog steeds ernstig en fragiel is, kan de beleidswijziging niet gerechtvaardigd worden geacht. Eiser verwijst naar een aantal uitspraken van deze rechtbank. Daarnaast heeft de minister geen op eiser toegespitste beoordeling gemaakt. In het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd waarom de situatie van willekeurig geweld, in samenhang met de slechte humanitaire situatie, en in samenhang met de door eiser aangedragen individuele kenmerken niet leidt tot ernstige schade bij terugkeer op grond van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij merkt eiser op dat het landgebonden beleid ten aanzien van Jemen en zoals opgenomen in de kamerbrief van 5 maart 2024 niet houdbaar is. In de aanvullende gronden en op de zitting heeft eiser nog aangevoerd dat in het nieuwe beleid onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze de humanitaire omstandigheden zijn meegenomen in de beoordeling van een eventuele situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook dienen volgens eiser de humanitaire omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van gewapend conflict apart beoordeeld te worden in het kader van artikel 3 van het EVRM. Verder wijst eiser nog op een aantal bronnen waaruit blijkt dat de humanitaire situatie in Jemen is verslechterd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 16 januari 2025 is uitgegaan van het beleid dat gold voor Jemen zoals volgt uit WBV 2024/9. Dat besluit kan geen stand houden, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 16 januari 2025. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft zich namelijk in het verweerschrift van 15 mei 2026 terecht op het standpunt gesteld dat het beleid ten aanzien van Jemen, naar aanleiding van de bovengenoemde Afdelingsuitspraak en het algemeen ambtsbericht van april 2025, op juiste wijze is aangepast met WBV 2025/20. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 5 februari 2026, geoordeeld dat hierin voldoende is gemotiveerd dat in [plaats] sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld.
De rechtbank overweegt dat uit deze uitspraak ook volgt dat de beoordeling van de humanitaire omstandigheden in het nieuwe beleid volledig is en voldoet aan de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister in het verweerschrift van 12 juni 2026 voldoende is ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de strijdende partijen niet in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de erbarmelijke omstandigheden in Jemen. De minister wijst er terecht op dat humanitaire omstandigheden dan slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden van dwingende aard kunnen leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden bij terugkeer een groter risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. De rechtbank gaat hier onder 6.1 verder op in. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen op individueel niveau een reëel risico loopt op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege de problemen met de [groep] . Eiser heeft verklaard dat hij in het dagelijks leven last had van [groep] . Dat hij geen persoonlijke problemen met de [groep] heeft gehad voordat hij vertrok, wil niet zeggen dat hij daarom ook bij terugkeer geen problemen zal hebben. Hier komt nog bij dat eiser bij terugkeer vreest gerekruteerd te worden door de [groep] . Dit is onderdeel van zijn algemene vrees voor de [groep] . Eiser heeft gemotiveerd aangegeven dat hij juist vanwege zijn opleiding tot [beroep] en zijn kennis van [onderwerp] een interessant doelwit is voor de [groep] . Zijn kennis is reden voor de [groep] om hem ofwel binnen te willen halen om voor hen te werken of om hem uit de weg te ruimen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiser op verschillende bronnen. De minister heeft dit miskend en heeft dit individuele kenmerk niet betroken bij de besluitvorming. Hier komt nog bij dat eiser in de zienswijze uitgebreid heeft toegelicht waarom hij naar Nederland is gekomen en waarom zijn jarenlange verblijf in [plaats] niet maakt dat hij geen bescherming nodig heeft. De minister is hier in het bestreden besluit niet op ingegaan.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen individueel gezien een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij geen persoonlijke problemen heeft gehad met de [groep] en dat er geen aanwijzingen zijn dat de [groep] naar hem op zoek zijn. Tijdens de gehoren en correcties en aanvullingen heeft eiser ook niet eerder gesproken over zijn vrees voor rekrutering. Dit had wel van hem verwacht mogen worden. Daarom is dit terecht niet aangemerkt als asielmotief. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de kenmerken waarop de [groep] rekruteren en welke worden genoemd in het algemeen ambtsbericht. Hieruit volgt namelijk dat [groep] hun activiteiten grotendeels richten op mannen in de leeftijd van 18 tot 22 jaar, dat de meeste rekruten analfabeet waren en dat zij afkomstig waren uit de armste lagen van de bevolking. Eisers leeftijd, opleidingsmogelijkheid en diploma voldoen niet aan deze kenmerken. Dat eiser een uitzondering zou vormen op het algemene profiel waarop door de [groep] wordt gerekruteerd en dat hij vanwege zijn kennis van [onderwerp] een risico zou lopen is onvoldoende onderbouwd. De bronnen waar eiser naar verwijst wijzen daar niet op. De tegenwerping dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend in [plaats] behoeft volgens de rechtbank geen bespreking, omdat de problemen met de [groep] door de minister geloofwaardig zijn geacht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aangezien de minister het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 16 januari 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Rb. Den Haag (zp. Den Bosch), d.d. 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19859, Rb. Den Haag (zp. Den Bosch), d.d. 10 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:250, Rb. Den Haag, d.d. 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1986, Rb. Den Haag (zp. Middelburg), d.d. 15 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:55, Rb. Den Haag (zp. Utrecht), d.d. 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1449.
Dit volgt uit ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Vergelijk Rb. Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
Rb. Den Haag 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA), Yemen: Yemen Humanitarian Needs and Response Plan 2026 (March 2026), United Nations Population Fund (UNFPA), Situation Report on the Crisis in Yemen (January to March 2026), UN, Yemen’s fragile calm unravels as hunger and aid restrictions deepen crisis (14 January 2026), Yemen Monitor, UN: Funding for the 2026 Humanitarian Response Plan in Yemen is at critically low levels (19 may 20226), Human Rights Watch, [bron] Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen (8 January 2026), Human Rights Watch, Yemen 2025.
ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Algemeen ambtsbericht Jemen, d.d. april 2025.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066,
r.o. 8.4.3, 8.5 & 8.5.6.
Dit volgt uit EHRM 27 mei 2008, appl. nr. 26565/05 (N. tegen het Verenigd Koninkrijk), r.o. 42.
International Institute for Strategic Studies (IISS), Made in Yemen? Assessing the [bron] ’ arms-production capacity (11 April 2025), Reuters, Iran, Hezbollah enabled [bron] ' rise, says UN report
(26 September 2024), Royal United Services Institute (RUSI), Beyond the Axis: Yemen’s Houthis are Building their ‘Network of Resistance’ (18 November 2024), Middle East Monitor (MEMO), Report: Yemen’s [bron] developing deadlier, more accurate drones (19 February 2020), Reddit, [bron] F-5 from the recent parade (September 2023).
Verslag nader gehoor, p. 6.
Algemeen Ambtsbericht Jemen, augustus 2022.