Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21923
2026-07-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.2894
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: ongegrond, Malta, Eritrea, vrouwenbesnijdenis, interstatelijk vertrouwensbeginsel, scheiding gezin, Dublin, opvolgende aanvraag, medische omstandigheden.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBROT:2022:2149 Rechtbank Rotterdam 21-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2019:433 Raad van State 13-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10057 Rechtbank Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1781 Raad van State 26-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.247 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2894
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] , en,
[minderjarige 2]
, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres en haar minderjarige kinderen (hierna: [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ) tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2026 de opvolgende aanvraag van eiseres en [minderjarige 1] afgewezen als niet-ontvankelijk en de asielaanvraag van [minderjarige 2] als ongegrond als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S.B. Aniania als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
7. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorafgaand aan deze procedure.
8. Eiseres stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1986. Eiseres heeft in 2013 Eritrea verlaten. Sinds 10 augustus 2013 heeft eiseres een tijdelijke verblijfsvergunning op basis van subsidiaire bescherming in Malta. [minderjarige 1] is op [geboortedatum 2] 2018 in Malta geboren. [minderjarige 2] is op [geboortedatum 3] 2021 in Nederland geboren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beide de Eritrese nationaliteit. Eiseres heeft geen contact met de vader van de kinderen die in Malta verblijft.
9. Eiseres heeft voor het eerst op 6 november 2021 mede namens [minderjarige 1] in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 23 december 2021 heeft zij voor [minderjarige 2] een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft asiel aangevraagd vanwege de medische klachten van [minderjarige 1] alsmede omdat zij en haar dochters bij terugkeer naar Malta in een situatie van verregaande deprivatie terecht komen omdat in Malta geen huisvesting, goede zorg en goede scholing beschikbaar is voor het gezin.
De minister heeft deze asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen met het besluit van 16 februari 2022 niet ontvankelijk verklaard omdat zij in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming genieten. De rechtbank heeft het hiertegen ingediende beroep op 21 maart 2022 ongegrond verklaard.
10. Vervolgens heeft eiseres heeft mede namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 21 september 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar asielaanvraag nieuwe medische stukken van [minderjarige 1] overgelegd.
Het bestreden besluit
11. In het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiseres en [minderjarige 1] niet-ontvankelijk verklaard omdat Malta aan eiseres en [minderjarige 1] al een subsidiaire beschermingsstatus heeft verleend. De algemene omstandigheden voor statushouders in Malta en de medische omstandigheden van [minderjarige 1] zijn geen aanleiding voor de minister om tot een ander standpunt te komen. De minister verplicht eiseres en [minderjarige 1] terug te keren naar Malta.
12. De minister heeft de asielaanvraag van [minderjarige 2] inhoudelijk behandeld omdat eiseres geen toestemmingsverklaring ingevolge artikel 9 en 34, lid 3, van de Dublinverordening heeft ondertekend. De minister stelt zich ten aanzien van [minderjarige 2] inhoudelijk op het standpunt in dat de asielmotieven, risico op besnijdenis en problemen bij terugkeer, niet leiden tot een succesvolle asielaanvraag. De minister vindt de gestelde vrees voor besnijdenis bij terugkeer naar Eritrea niet aannemelijk. De minister stelt zich op het standpunt dat [minderjarige 2] onderdeel is van een EU-statushoudersgezin waarin [minderjarige 2] als enige geen status in Malta heeft. Eiseres heeft echter geweigerd om de toestemmingsverklaring te ondertekenen waardoor niet kan worden getoetst of [minderjarige 2] naar Malta kan vertrekken. De minister verwacht niet dat [minderjarige 2] zal terugkeren naar Eritrea. Van haar wordt verwacht dat zij zich bij haar moeder en [minderjarige 1] voegt omdat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel Malta wordt aangemerkt als het land waar het gezinsleven kan worden uitgeoefend. Daarmee vervalt volgens de minister de vrees bij terugkeer.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
13. Eiseres voert aan dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister de asielaanvraag heeft beoordeeld aan de hand van werkinstructie (WI) WI 2024/6 in plaats van WI 2014/10. De aanvraag van eiseres is namelijk ingediend voor de inwerkingtreding van WI 2024/6 en er is sprake van bijzondere omstandigheden omdat de minister niet tijdig een beslissing heeft genomen waardoor eiseres een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft moeten indienen. Het tijdsverloop is dan ook niet te wijten aan eiseres. Eiseres voert ook aan dat WI 2024/6 in strijd is met het Europese recht.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van het nieuwe recht in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. In geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De minister mocht de duur van de procedure onvoldoende vinden om een bijzondere omstandigheid aan te nemen, ook indien de duur van de procedure niet te wijten is aan eiseres.
15. De rechtbank oordeelt dat de minister de asielaanvraag kon beoordelen op grond van WI 2024/6. De toepassing van de WI 2024/6 leidt niet noodzakelijkerwijs tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om WI 2024/6 buiten toepassing te laten.
Scheiding gezinsleden
16. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit ertoe leidt dat zij en haar dochters worden gescheiden van elkaar. [minderjarige 2] kan om drie redenen niet mee met eiseres en [minderjarige 1] naar Malta. [minderjarige 2] mag volgens eiseres niet worden uitgezet naar Malta als reguliere Dublinoverdracht. Dublinoverdrachten vinden namelijk niet plaats vanaf Nederland naar Malta. Verder heeft eiseres geen toestemmingsverklaring in de zin van artikel 9 Dublinverordening getekend zodat Malta [minderjarige 2] niet zal toelaten. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat de minister heeft besloten dat [minderjarige 2] moet terugkeren naar Eritrea. Daarnaast is het voor [minderjarige 1] niet mogelijk om Malta in te reizen omdat eiseres de daarvoor benodigde geboorteakte van [minderjarige 1] niet kan overleggen. Eiseres wijst daartoe op de e-mailwisseling van 19 januari 2022 tussen de minister en de Maltese autoriteiten.
Dublinverordening en [minderjarige 2]
17. De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit volgt dat de minister niet voornemens is om [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] van eiseres te scheiden. De Dublinverordening is niet op [minderjarige 2] van toepassing en Malta is dus niet verplicht om [minderjarige 2] over te nemen. Malta is echter wel gehouden aan de Europese regelgeving betreffende de belangen van het kind en de eenheid van het gezin. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit gaan dat Malta zich aan deze regelgeving houdt. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat omdat eiseres weigert om toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening om te onderzoeken of [minderjarige 2] ook naar Malta kan gaan, informatiebericht 2024/34 van toepassing is op grond waarvan de minister de asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. Een ontbrekende toestemmingsverklaring strekt niet zo ver, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, dat [minderjarige 2] überhaupt niet mee kan naar Malta. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat van eiseres niet wordt verwacht dat zij dat terugkeert naar Eritrea en dat slechts een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden omdat eiseres weigert om een toestemmingsverklaring ingevolge artikel 34 van de Dublinverordening te ondertekenen. Het is de keuze van eiseres om te bepalen of [minderjarige 2] mee gaat naar Malta. Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat hoewel [minderjarige 1] geen geboorteakte heeft, hij op basis van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, ervan uit gaat dat Malta de belangen van het kind en de eenheid van het gezin zal waarborgen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de hiervoor onder 15. genoemde e-mailwisseling tussen de Maltese autoriteiten en de minister waarin onder meer wordt vermeld: “(…). Kindly note that the MT Authorities are aware of the applicant's first child. In Malta she is known as [minderjarige 1] born on [geboortedatum 2] , and she is also enjoying the same rights as her mother. With regard to, the applicant's second child, unfortunately this Agency does not have any information about her existence nonetheless she will be able to return under the Returns Directive upon submission of the minor's birth certificate on the above mentioned email address.(…)”.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling asielaanvraag [minderjarige 2]
18. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft afgewezen, omdat zij wel aannemelijk heeft gemaakt dat [minderjarige 2] voldoet aan het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. [minderjarige 2] zal worden onderworpen aan een besnijdenis in Eritrea. Daarnaast loopt [minderjarige 2] gevaar omdat zij zal worden gezien als een terugkeerder of als de dochter van iemand die illegaal is vertrokken. Uit het Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea 2025 volgt namelijk dat iemand in de problemen kan komen als kind van iemand die de dienstplicht heeft ontlopen. [minderjarige 2] zal worden behandeld als zo’n persoon door de autoriteiten, omdat uit het paspoort van [minderjarige 2] blijkt dat zij in Nederland is geboren.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft kunnen afwijzen. De minister heeft onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht 2025 kunnen beslissen dat eiseres het risico op besnijdenis bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt en dat ingevolge Eritrese wetgeving vrouwenbesnijdenis verboden is. Daarnaast volgt uit de brief van Vluchtelingenwerk van 27 januari 2025, waar beide partijen naar hebben verwezen, dat Eritrese wetgeving voor bestrijding van besnijdenis effect heeft en dat als het - ondanks deze wetgeving - wel wordt uitgevoerd als één van de ouders wil dat hun dochter het ondergaat. Eiseres heeft verklaard dat zij niet wil dat haar dochters worden besneden, dat zij alleenstaand is en dat zij geen contact heeft met de vader van de kinderen die in Malta verblijft. Ook heeft eiseres medegedeeld dat zij [minderjarige 2] nooit alleen naar Eritrea zal laten gaan. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft aangetoond dat de gestelde vrees aannemelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
20. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Malta een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres wijst op de moeilijkheden die statushouders ervaren op de woning- en banenmarkt, scholing het gebrek aan financiële tegemoetkomingen en de slechte toegang tot medische zorg. Eiseres wijst onder meer op het rapport van de Asylum Information Database (AIDA).
21. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond grotendeels overeenkomt met hetgeen eiseres heeft aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2022, rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.7. Grotendeels, omdat eiseres in deze procedure wijst op het AIDA-rapport van augustus 2025. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mag gaan dat Malta de verplichtingen op grond van onder andere het EVRM nakomt jegens statushouders. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dat in haar situatie niet het geval is en dat zij als statushouder in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres met de overgelegde medische documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gezien de medische situatie van [minderjarige 1] (autisme) en [minderjarige 2] geen (specialistische) medische behandeling mogelijk is en geen passend onderwijs of begeleiding in Malta beschikbaar is. De rechtbank wijst daartoe naar de hiervoor genoemde uitspraak van 21 maart 2022 en neemt de genoemde overwegingen over. Verder heeft eiseres ook met de verwijzing naar (onder meer) het AIDA-rapport van augustus 2025 niet aannemelijk gemaakt dat zij terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor het risico bestaat dat zij in een om onmenselijke situatie terechtkomt. De beroepsgrond slaagt niet.
Advies Bureau Medische Advisering (BMA)
22. Eiseres voert verder aan dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft genomen, omdat de minister geen recent BMA-advies heeft aangevraagd om te bezien of eisers inderdaad kunnen reizen naar Malta/Eritrea. Het enkele verwijzen naar een school voor autistische kinderen die in Malta zou bestaan, is onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake is van een 3 EVRM schending vanwege de complexe medische problematiek bij de kinderen.
23. De rechtbank begrijpt dat eiseres met deze beroepsgrond aanvoert dat overdracht aan Malta achterwege moet blijven. De rechtbank stelt vast dat de medische problematiek van de kinderen van eiseres niet wordt betwist door de minister. De rechtbank overweegt dat overdracht aan een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening vanwege gezondheidsklachten achterwege moet blijven als dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van de asielzoeker zou betekenen. Het ligt op de weg van de asielzoeker om dit zelf met objectieve gegevens aannemelijk te maken. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om een BMA-advies te vragen. Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de afspraakbevestiging bij audiologisch centrum [plaats] niet maakt dat sprake is van een dergelijke situatie. Ten aanzien van eiseres en [minderjarige 1] heeft de minister kunnen wijzen op het interstatelijke vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
24. De minister heeft de aanvraag van eiseres en [minderjarige 1] terecht niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag van [minderjarige 2] terecht ongegrond verklaard.
25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Er is geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaak NL26.2895.
ECLI:NL:RBROT:2022:2149.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:433.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.
AIDA country report, augustus 2025.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1781.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2894
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] , en,
[minderjarige 2]
, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres en haar minderjarige kinderen (hierna: [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ) tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2026 de opvolgende aanvraag van eiseres en [minderjarige 1] afgewezen als niet-ontvankelijk en de asielaanvraag van [minderjarige 2] als ongegrond als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S.B. Aniania als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
7. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorafgaand aan deze procedure.
8. Eiseres stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1986. Eiseres heeft in 2013 Eritrea verlaten. Sinds 10 augustus 2013 heeft eiseres een tijdelijke verblijfsvergunning op basis van subsidiaire bescherming in Malta. [minderjarige 1] is op [geboortedatum 2] 2018 in Malta geboren. [minderjarige 2] is op [geboortedatum 3] 2021 in Nederland geboren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beide de Eritrese nationaliteit. Eiseres heeft geen contact met de vader van de kinderen die in Malta verblijft.
9. Eiseres heeft voor het eerst op 6 november 2021 mede namens [minderjarige 1] in Nederland een asielaanvraag ingediend. Op 23 december 2021 heeft zij voor [minderjarige 2] een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft asiel aangevraagd vanwege de medische klachten van [minderjarige 1] alsmede omdat zij en haar dochters bij terugkeer naar Malta in een situatie van verregaande deprivatie terecht komen omdat in Malta geen huisvesting, goede zorg en goede scholing beschikbaar is voor het gezin.
De minister heeft deze asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen met het besluit van 16 februari 2022 niet ontvankelijk verklaard omdat zij in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming genieten. De rechtbank heeft het hiertegen ingediende beroep op 21 maart 2022 ongegrond verklaard.
10. Vervolgens heeft eiseres heeft mede namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 21 september 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar asielaanvraag nieuwe medische stukken van [minderjarige 1] overgelegd.
Het bestreden besluit
11. In het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiseres en [minderjarige 1] niet-ontvankelijk verklaard omdat Malta aan eiseres en [minderjarige 1] al een subsidiaire beschermingsstatus heeft verleend. De algemene omstandigheden voor statushouders in Malta en de medische omstandigheden van [minderjarige 1] zijn geen aanleiding voor de minister om tot een ander standpunt te komen. De minister verplicht eiseres en [minderjarige 1] terug te keren naar Malta.
12. De minister heeft de asielaanvraag van [minderjarige 2] inhoudelijk behandeld omdat eiseres geen toestemmingsverklaring ingevolge artikel 9 en 34, lid 3, van de Dublinverordening heeft ondertekend. De minister stelt zich ten aanzien van [minderjarige 2] inhoudelijk op het standpunt in dat de asielmotieven, risico op besnijdenis en problemen bij terugkeer, niet leiden tot een succesvolle asielaanvraag. De minister vindt de gestelde vrees voor besnijdenis bij terugkeer naar Eritrea niet aannemelijk. De minister stelt zich op het standpunt dat [minderjarige 2] onderdeel is van een EU-statushoudersgezin waarin [minderjarige 2] als enige geen status in Malta heeft. Eiseres heeft echter geweigerd om de toestemmingsverklaring te ondertekenen waardoor niet kan worden getoetst of [minderjarige 2] naar Malta kan vertrekken. De minister verwacht niet dat [minderjarige 2] zal terugkeren naar Eritrea. Van haar wordt verwacht dat zij zich bij haar moeder en [minderjarige 1] voegt omdat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel Malta wordt aangemerkt als het land waar het gezinsleven kan worden uitgeoefend. Daarmee vervalt volgens de minister de vrees bij terugkeer.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
13. Eiseres voert aan dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister de asielaanvraag heeft beoordeeld aan de hand van werkinstructie (WI) WI 2024/6 in plaats van WI 2014/10. De aanvraag van eiseres is namelijk ingediend voor de inwerkingtreding van WI 2024/6 en er is sprake van bijzondere omstandigheden omdat de minister niet tijdig een beslissing heeft genomen waardoor eiseres een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft moeten indienen. Het tijdsverloop is dan ook niet te wijten aan eiseres. Eiseres voert ook aan dat WI 2024/6 in strijd is met het Europese recht.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van het nieuwe recht in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. In geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De minister mocht de duur van de procedure onvoldoende vinden om een bijzondere omstandigheid aan te nemen, ook indien de duur van de procedure niet te wijten is aan eiseres.
15. De rechtbank oordeelt dat de minister de asielaanvraag kon beoordelen op grond van WI 2024/6. De toepassing van de WI 2024/6 leidt niet noodzakelijkerwijs tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om WI 2024/6 buiten toepassing te laten.
Scheiding gezinsleden
16. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit ertoe leidt dat zij en haar dochters worden gescheiden van elkaar. [minderjarige 2] kan om drie redenen niet mee met eiseres en [minderjarige 1] naar Malta. [minderjarige 2] mag volgens eiseres niet worden uitgezet naar Malta als reguliere Dublinoverdracht. Dublinoverdrachten vinden namelijk niet plaats vanaf Nederland naar Malta. Verder heeft eiseres geen toestemmingsverklaring in de zin van artikel 9 Dublinverordening getekend zodat Malta [minderjarige 2] niet zal toelaten. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat de minister heeft besloten dat [minderjarige 2] moet terugkeren naar Eritrea. Daarnaast is het voor [minderjarige 1] niet mogelijk om Malta in te reizen omdat eiseres de daarvoor benodigde geboorteakte van [minderjarige 1] niet kan overleggen. Eiseres wijst daartoe op de e-mailwisseling van 19 januari 2022 tussen de minister en de Maltese autoriteiten.
Dublinverordening en [minderjarige 2]
17. De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit volgt dat de minister niet voornemens is om [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] van eiseres te scheiden. De Dublinverordening is niet op [minderjarige 2] van toepassing en Malta is dus niet verplicht om [minderjarige 2] over te nemen. Malta is echter wel gehouden aan de Europese regelgeving betreffende de belangen van het kind en de eenheid van het gezin. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit gaan dat Malta zich aan deze regelgeving houdt. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat omdat eiseres weigert om toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening om te onderzoeken of [minderjarige 2] ook naar Malta kan gaan, informatiebericht 2024/34 van toepassing is op grond waarvan de minister de asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. Een ontbrekende toestemmingsverklaring strekt niet zo ver, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, dat [minderjarige 2] überhaupt niet mee kan naar Malta. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat van eiseres niet wordt verwacht dat zij dat terugkeert naar Eritrea en dat slechts een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden omdat eiseres weigert om een toestemmingsverklaring ingevolge artikel 34 van de Dublinverordening te ondertekenen. Het is de keuze van eiseres om te bepalen of [minderjarige 2] mee gaat naar Malta. Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat hoewel [minderjarige 1] geen geboorteakte heeft, hij op basis van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, ervan uit gaat dat Malta de belangen van het kind en de eenheid van het gezin zal waarborgen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de hiervoor onder 15. genoemde e-mailwisseling tussen de Maltese autoriteiten en de minister waarin onder meer wordt vermeld: “(…). Kindly note that the MT Authorities are aware of the applicant's first child. In Malta she is known as [minderjarige 1] born on [geboortedatum 2] , and she is also enjoying the same rights as her mother. With regard to, the applicant's second child, unfortunately this Agency does not have any information about her existence nonetheless she will be able to return under the Returns Directive upon submission of the minor's birth certificate on the above mentioned email address.(…)”.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling asielaanvraag [minderjarige 2]
18. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft afgewezen, omdat zij wel aannemelijk heeft gemaakt dat [minderjarige 2] voldoet aan het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. [minderjarige 2] zal worden onderworpen aan een besnijdenis in Eritrea. Daarnaast loopt [minderjarige 2] gevaar omdat zij zal worden gezien als een terugkeerder of als de dochter van iemand die illegaal is vertrokken. Uit het Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea 2025 volgt namelijk dat iemand in de problemen kan komen als kind van iemand die de dienstplicht heeft ontlopen. [minderjarige 2] zal worden behandeld als zo’n persoon door de autoriteiten, omdat uit het paspoort van [minderjarige 2] blijkt dat zij in Nederland is geboren.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van [minderjarige 2] heeft kunnen afwijzen. De minister heeft onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht 2025 kunnen beslissen dat eiseres het risico op besnijdenis bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt en dat ingevolge Eritrese wetgeving vrouwenbesnijdenis verboden is. Daarnaast volgt uit de brief van Vluchtelingenwerk van 27 januari 2025, waar beide partijen naar hebben verwezen, dat Eritrese wetgeving voor bestrijding van besnijdenis effect heeft en dat als het - ondanks deze wetgeving - wel wordt uitgevoerd als één van de ouders wil dat hun dochter het ondergaat. Eiseres heeft verklaard dat zij niet wil dat haar dochters worden besneden, dat zij alleenstaand is en dat zij geen contact heeft met de vader van de kinderen die in Malta verblijft. Ook heeft eiseres medegedeeld dat zij [minderjarige 2] nooit alleen naar Eritrea zal laten gaan. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft aangetoond dat de gestelde vrees aannemelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
20. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Malta een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres wijst op de moeilijkheden die statushouders ervaren op de woning- en banenmarkt, scholing het gebrek aan financiële tegemoetkomingen en de slechte toegang tot medische zorg. Eiseres wijst onder meer op het rapport van de Asylum Information Database (AIDA).
21. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond grotendeels overeenkomt met hetgeen eiseres heeft aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2022, rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.7. Grotendeels, omdat eiseres in deze procedure wijst op het AIDA-rapport van augustus 2025. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mag gaan dat Malta de verplichtingen op grond van onder andere het EVRM nakomt jegens statushouders. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dat in haar situatie niet het geval is en dat zij als statushouder in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres met de overgelegde medische documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gezien de medische situatie van [minderjarige 1] (autisme) en [minderjarige 2] geen (specialistische) medische behandeling mogelijk is en geen passend onderwijs of begeleiding in Malta beschikbaar is. De rechtbank wijst daartoe naar de hiervoor genoemde uitspraak van 21 maart 2022 en neemt de genoemde overwegingen over. Verder heeft eiseres ook met de verwijzing naar (onder meer) het AIDA-rapport van augustus 2025 niet aannemelijk gemaakt dat zij terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor het risico bestaat dat zij in een om onmenselijke situatie terechtkomt. De beroepsgrond slaagt niet.
Advies Bureau Medische Advisering (BMA)
22. Eiseres voert verder aan dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft genomen, omdat de minister geen recent BMA-advies heeft aangevraagd om te bezien of eisers inderdaad kunnen reizen naar Malta/Eritrea. Het enkele verwijzen naar een school voor autistische kinderen die in Malta zou bestaan, is onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake is van een 3 EVRM schending vanwege de complexe medische problematiek bij de kinderen.
23. De rechtbank begrijpt dat eiseres met deze beroepsgrond aanvoert dat overdracht aan Malta achterwege moet blijven. De rechtbank stelt vast dat de medische problematiek van de kinderen van eiseres niet wordt betwist door de minister. De rechtbank overweegt dat overdracht aan een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening vanwege gezondheidsklachten achterwege moet blijven als dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van de asielzoeker zou betekenen. Het ligt op de weg van de asielzoeker om dit zelf met objectieve gegevens aannemelijk te maken. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om een BMA-advies te vragen. Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de afspraakbevestiging bij audiologisch centrum [plaats] niet maakt dat sprake is van een dergelijke situatie. Ten aanzien van eiseres en [minderjarige 1] heeft de minister kunnen wijzen op het interstatelijke vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
24. De minister heeft de aanvraag van eiseres en [minderjarige 1] terecht niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag van [minderjarige 2] terecht ongegrond verklaard.
25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Er is geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaak NL26.2895.
ECLI:NL:RBROT:2022:2149.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:433.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.
AIDA country report, augustus 2025.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1781.