Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21921
2026-07-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.7879
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: gegrond, vereenzelviging van de fundamentele waarde tussen mannen en vrouw, kledingkeuze, ondernemerschap, alleen reizen. Jemen. Motivering van de minister. 15c. belang van het kind.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10815 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13161 Rechtbank Den Haag 11-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10815 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.366 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7879
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] ; [minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] ;
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft, mede namens haar minderjarige kinderen, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt dat zij de Jemenitische nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1986 is geboren.
4. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De minister heeft op 8 december 2025 een aanvullend besluit (het aanvullende besluit) genomen.
7. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
8. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
9. De rechtbank heeft, naar aanleiding van twee uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 mei 2026 en 11 mei 2026, het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op deze uitspraken.
10. Partijen hebben schriftelijk gereageerd en hebben aangegeven geen behoefte te hebben om de zaak opnieuw op zitting te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank stelt vast dat de minister, hangende het beroep tegen het bestreden besluit, op 8 december 2025 het aanvullende besluit heeft genomen. Nu de minister met het aanvullende besluit niet volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres, heeft het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het aanvullende besluit.
Het asielrelaas
12. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is uit Jemen vertrokken naar Saoedi-Arabië toen ze elf maanden oud was. In 2018 is zij met haar drie kinderen vanuit Saoedi-Arabië naar Egypte gevlucht. Eiseres is op 20 januari 2023 met een visum naar Zwitserland vertrokken. Zij is daarna met haar kinderen direct doorgereisd naar Nederland, waar ze diezelfde dag is aangekomen. Ze heeft op 23 augustus 2023 asiel aangevraagd. Eiseres is Saoedi-Arabië ontvlucht vanwege problemen met haar schoonfamilie. Die schoonfamilie heeft eiseres bedreigd omdat zij en haar man bij elkaar bleven, tegen de wil van de schoonfamilie in. Ze vreest haar schoonfamilie bij terugkeer in Jemen, omdat de schoonfamilie machtig is en veel invloed heeft in Jemen. Eiseres vreest verder voor problemen bij terugkeer in Jemen vanwege haar geloof in de gelijkheid tussen man en vrouw. De Jemenitische samenleving zal haar opvattingen niet accepteren. Tot slot vreest ze voor haar veiligheid bij terugkeer in Jemen vanwege de oorlog en onrust in het land. Overal in Jemen is het te onveilig om te leven.
Het bestreden besluit en het aanvullende besluit
13. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met de schoonfamilie in Saoedi-Arabië;
de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw.
14. De minister stelt zich op het standpunt dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met de schoonfamilie leiden niet tot de conclusie dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Eiseres is immers al in 2018 naar Egypte vertrokken en heeft sindsdien geen contact meer gehad met haar schoonfamilie. De echtgenoot van eiseres woont nog steeds in Saoedi-Arabië, zonder problemen te ondervinden van zijn familie. Gelet op deze omstandigheden is niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Jemen te vrezen heeft voor haar schoonfamilie. Verder is de gestelde vereenzelviging met de waarde van fundamentele gelijkheid tussen man en vrouw ongeloofwaardig. Uit de verklaringen van eiseres valt niet op te maken dat zij bepaalde levenskeuzes maakt omdat zij zich heeft vereenzelvigd met die gelijkheid. De verklaringen van eiseres blijven zo aan de oppervlakte dat niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een fundamenteel gedachtegoed. Verder is in Jemen sprake van een relatief hoge mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en zijn er geen individuele factoren die maken dat eiseres een verhoogd risico loopt.
Problemen met schoonfamilie
15. Eiseres voert aan dat zij is bedreigd door haar schoonfamilie. Hoewel de schoonfamilie zich in Saoedi-Arabië bevindt, kunnen zij wel voor de problemen zorgen in Jemen omdat de schoonfamilie machtig en invloedrijk is. Eiseres verwijst in dit verband naar verschillende documenten.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling heeft mogen betrekken dat het contact met de schoonfamilie na het vertrek van eiseres in 2018 is verbroken en dat eiseres sindsdien geen problemen heeft ondervonden. Bovendien heeft de echtgenoot van eiseres geen problemen meer ervaren met de familie, terwijl hij momenteel – net als de familie – nog in Saoedi-Arabië verblijft. Het argument van eiseres dat de schoonfamilie machtig is en veel invloed heeft in Jemen, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Dit doet namelijk niet af aan het tijdsverloop en het gegeven dat eiseres en haar echtgenoot geen problemen meer hebben ondervonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw
17. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden dat zij zich vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister acht ten onrechte de verklaringen van eiseres te algemeen. Eiseres heeft wel degelijk concreet verklaard over haar levenskeuzes en hoe die zijn terug te voeren op de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiseres ook het belang van de waarde en de invloed van de waarde op de dagelijkse invulling van het leven van eiseres.
18. De rechtbank stelt vast dat eiseres verschillende keuzes heeft gemaakt die erop wijzen dat sprake is van een daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zo heeft zij een cursus ondernemerschap gevolgd en verklaard graag te willen ondernemen in stoffen voor kussens en lakens. Daarnaast heeft zij alleen gereisd met haar kinderen, terwijl de norm is om met een mannelijke begeleider te reizen. Ook heeft eiseres veranderingen gemaakt in haar kledingkeuzes. Zo draagt eiseres geen nikab en abaya meer. Eiseres heeft in haar verklaringen toegelicht dat het onrechtvaardig is dat in de Jemenitische cultuur mannen, in tegenstelling tot vrouwen, vrij zijn in hun keuzes over werk, reizen en kleding. Zij heeft toegelicht dat zij gelijkheid belangrijk vindt omdat vrouwen ook vrij moeten zijn om een mening te hebben en te werken.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op deze uitingen en verklaringen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij eiseres geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De beroepsgrond slaagt.
Veiligheidssituatie Jemen
20. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de regio Aden geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er is sprake van een zeer precaire veiligheidssituatie en de minister heeft in zijn beoordeling de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken.
21. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op het oude landenbeleid over Jemen (WBV 2024/9), dat dateert van voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025. In het verweerschrift heeft de minister, onder verwijzing naar het nieuwe landenbeleid over Jemen (WBV 2025/20), toegelicht dat in geen van de provincies in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld.
22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld in Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 7 mei 2026. De minister heeft bij de besluitvorming ten onrechte niet duidelijk gemaakt van welke regio van terugkeer hij uitgaat en een op die regio toegespitste motivering gegeven. Ook heeft de minister de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Situatie van de kinderen
23. Eiseres voert aan dat minister heeft nagelaten om de situatie van haar minderjarige kinderen in de beoordeling te betrekken.
24. De minister heeft ter zitting erkend dat hij de situatie van de kinderen niet bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat dit alsnog moet gebeuren. De beroepsgrond slaagt.
Onverwijld melden
25. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld. Eiseres heeft weliswaar niet direct bij binnenkomst een asielaanvraag ingediend, maar zij heeft hiervoor een verschoonbare reden gegeven. Zij vreesde namelijk dat zij, als ze eerder een asielaanvraag had ingediend, aan Zwitserland zou zijn overgedragen, waar zij geen reële kans op bescherming had.
26. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld. Niet in geschil is dat eiseres na haar binnenkomst in Nederland ruim zeven maanden heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag. De reden die eiseres daarvoor geeft biedt weliswaar inzicht in haar beweegredenen, maar leidt niet tot het aannemen van verschoonbaarheid.
Conclusie en gevolgen
27. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres moet nemen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullende besluit.
28. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
29. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025 en het aanvullende besluit van 8 december 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
De voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer NL25.7880.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815 en ECLI:NL:RBDHA:2026:13161.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 15.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 8.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 14.
Verslag aanvullend gehoor, pagina’s 7, 8, 14 en 17.
Verslag aanvullend gehoor, pagina’s 8, 13 en 14.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7879
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] ; [minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] ;
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft, mede namens haar minderjarige kinderen, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt dat zij de Jemenitische nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1986 is geboren.
4. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De minister heeft op 8 december 2025 een aanvullend besluit (het aanvullende besluit) genomen.
7. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
8. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
9. De rechtbank heeft, naar aanleiding van twee uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 mei 2026 en 11 mei 2026, het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op deze uitspraken.
10. Partijen hebben schriftelijk gereageerd en hebben aangegeven geen behoefte te hebben om de zaak opnieuw op zitting te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank stelt vast dat de minister, hangende het beroep tegen het bestreden besluit, op 8 december 2025 het aanvullende besluit heeft genomen. Nu de minister met het aanvullende besluit niet volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres, heeft het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het aanvullende besluit.
Het asielrelaas
12. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is uit Jemen vertrokken naar Saoedi-Arabië toen ze elf maanden oud was. In 2018 is zij met haar drie kinderen vanuit Saoedi-Arabië naar Egypte gevlucht. Eiseres is op 20 januari 2023 met een visum naar Zwitserland vertrokken. Zij is daarna met haar kinderen direct doorgereisd naar Nederland, waar ze diezelfde dag is aangekomen. Ze heeft op 23 augustus 2023 asiel aangevraagd. Eiseres is Saoedi-Arabië ontvlucht vanwege problemen met haar schoonfamilie. Die schoonfamilie heeft eiseres bedreigd omdat zij en haar man bij elkaar bleven, tegen de wil van de schoonfamilie in. Ze vreest haar schoonfamilie bij terugkeer in Jemen, omdat de schoonfamilie machtig is en veel invloed heeft in Jemen. Eiseres vreest verder voor problemen bij terugkeer in Jemen vanwege haar geloof in de gelijkheid tussen man en vrouw. De Jemenitische samenleving zal haar opvattingen niet accepteren. Tot slot vreest ze voor haar veiligheid bij terugkeer in Jemen vanwege de oorlog en onrust in het land. Overal in Jemen is het te onveilig om te leven.
Het bestreden besluit en het aanvullende besluit
13. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met de schoonfamilie in Saoedi-Arabië;
de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw.
14. De minister stelt zich op het standpunt dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met de schoonfamilie leiden niet tot de conclusie dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Eiseres is immers al in 2018 naar Egypte vertrokken en heeft sindsdien geen contact meer gehad met haar schoonfamilie. De echtgenoot van eiseres woont nog steeds in Saoedi-Arabië, zonder problemen te ondervinden van zijn familie. Gelet op deze omstandigheden is niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Jemen te vrezen heeft voor haar schoonfamilie. Verder is de gestelde vereenzelviging met de waarde van fundamentele gelijkheid tussen man en vrouw ongeloofwaardig. Uit de verklaringen van eiseres valt niet op te maken dat zij bepaalde levenskeuzes maakt omdat zij zich heeft vereenzelvigd met die gelijkheid. De verklaringen van eiseres blijven zo aan de oppervlakte dat niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een fundamenteel gedachtegoed. Verder is in Jemen sprake van een relatief hoge mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en zijn er geen individuele factoren die maken dat eiseres een verhoogd risico loopt.
Problemen met schoonfamilie
15. Eiseres voert aan dat zij is bedreigd door haar schoonfamilie. Hoewel de schoonfamilie zich in Saoedi-Arabië bevindt, kunnen zij wel voor de problemen zorgen in Jemen omdat de schoonfamilie machtig en invloedrijk is. Eiseres verwijst in dit verband naar verschillende documenten.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling heeft mogen betrekken dat het contact met de schoonfamilie na het vertrek van eiseres in 2018 is verbroken en dat eiseres sindsdien geen problemen heeft ondervonden. Bovendien heeft de echtgenoot van eiseres geen problemen meer ervaren met de familie, terwijl hij momenteel – net als de familie – nog in Saoedi-Arabië verblijft. Het argument van eiseres dat de schoonfamilie machtig is en veel invloed heeft in Jemen, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Dit doet namelijk niet af aan het tijdsverloop en het gegeven dat eiseres en haar echtgenoot geen problemen meer hebben ondervonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw
17. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden dat zij zich vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister acht ten onrechte de verklaringen van eiseres te algemeen. Eiseres heeft wel degelijk concreet verklaard over haar levenskeuzes en hoe die zijn terug te voeren op de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiseres ook het belang van de waarde en de invloed van de waarde op de dagelijkse invulling van het leven van eiseres.
18. De rechtbank stelt vast dat eiseres verschillende keuzes heeft gemaakt die erop wijzen dat sprake is van een daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zo heeft zij een cursus ondernemerschap gevolgd en verklaard graag te willen ondernemen in stoffen voor kussens en lakens. Daarnaast heeft zij alleen gereisd met haar kinderen, terwijl de norm is om met een mannelijke begeleider te reizen. Ook heeft eiseres veranderingen gemaakt in haar kledingkeuzes. Zo draagt eiseres geen nikab en abaya meer. Eiseres heeft in haar verklaringen toegelicht dat het onrechtvaardig is dat in de Jemenitische cultuur mannen, in tegenstelling tot vrouwen, vrij zijn in hun keuzes over werk, reizen en kleding. Zij heeft toegelicht dat zij gelijkheid belangrijk vindt omdat vrouwen ook vrij moeten zijn om een mening te hebben en te werken.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op deze uitingen en verklaringen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij eiseres geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De beroepsgrond slaagt.
Veiligheidssituatie Jemen
20. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de regio Aden geen sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er is sprake van een zeer precaire veiligheidssituatie en de minister heeft in zijn beoordeling de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken.
21. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op het oude landenbeleid over Jemen (WBV 2024/9), dat dateert van voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025. In het verweerschrift heeft de minister, onder verwijzing naar het nieuwe landenbeleid over Jemen (WBV 2025/20), toegelicht dat in geen van de provincies in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld.
22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld in Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 7 mei 2026. De minister heeft bij de besluitvorming ten onrechte niet duidelijk gemaakt van welke regio van terugkeer hij uitgaat en een op die regio toegespitste motivering gegeven. Ook heeft de minister de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Situatie van de kinderen
23. Eiseres voert aan dat minister heeft nagelaten om de situatie van haar minderjarige kinderen in de beoordeling te betrekken.
24. De minister heeft ter zitting erkend dat hij de situatie van de kinderen niet bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat dit alsnog moet gebeuren. De beroepsgrond slaagt.
Onverwijld melden
25. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld. Eiseres heeft weliswaar niet direct bij binnenkomst een asielaanvraag ingediend, maar zij heeft hiervoor een verschoonbare reden gegeven. Zij vreesde namelijk dat zij, als ze eerder een asielaanvraag had ingediend, aan Zwitserland zou zijn overgedragen, waar zij geen reële kans op bescherming had.
26. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld. Niet in geschil is dat eiseres na haar binnenkomst in Nederland ruim zeven maanden heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag. De reden die eiseres daarvoor geeft biedt weliswaar inzicht in haar beweegredenen, maar leidt niet tot het aannemen van verschoonbaarheid.
Conclusie en gevolgen
27. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres moet nemen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullende besluit.
28. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
29. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025 en het aanvullende besluit van 8 december 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
De voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer NL25.7880.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815 en ECLI:NL:RBDHA:2026:13161.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 15.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 8.
Verslag aanvullend gehoor, pagina 14.
Verslag aanvullend gehoor, pagina’s 7, 8, 14 en 17.
Verslag aanvullend gehoor, pagina’s 8, 13 en 14.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.