Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21916
2026-06-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.17236 NL25.37162
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de brief van 5 februari 2024, waarin de minister aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming zou eindigen op 4 maart 2024, en het terugkeerbesluit dat door de minister op 11 juli 2025 aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen afzonderlijke beroepen ingesteld en voorlopige voorzieningen gevraagd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank is daarom onbevoegd om hierover te oordelen. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven.
Citeert (10)
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5415 Rechtbank Den Haag 16-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:NL:RVS:2025:1827 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1836 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2018:465
- ECLI:NL:RVS:2022:1530 Raad van State 08-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.977 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.17236 en NL25.37162
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Boonen).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de brief van 5 februari 2024, waarin de minister aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming zou eindigen op 4 maart 2024, en het terugkeerbesluit dat door de minister op 11 juli 2025 aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen afzonderlijke beroepen ingesteld en voorlopige voorzieningen gevraagd.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is daarom onbevoegd om hierover te oordelen. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Inleiding en procedure tot nu toe
2.1
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Nepalese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op
24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanwege die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
2.2
Op 16 augustus 2023 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege zou eindigen op 4 september 2023. De minister heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Naar aanleiding van een brief van de minister van 6 september 2023 waarin staat dat eiser langer gebruik mag maken van de rechten die hij had onder de RTB heeft hij dat beroep en verzoek om een voorlopige voorziening introkken.
2.3
Op 5 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 zou eindigen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
17 januari 2024. Eiser heeft tegen deze brief beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Op
13 februari 2024 heeft de minister het terugkeerbesluit van 16 augustus 2023 ingetrokken.
Met de uitspraak van 22 april 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is totdat op het door eiser ingestelde beroep is beslist. Dit betekent feitelijk dat hij niet uit Nederland hoeft te vertrekken, het recht op opvang behoudt en mag blijven werken.
2.4
Omdat er onduidelijkheid was ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders uit Oekraïne’, zoals eiser, eerder beëindigd mocht worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft de minister de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming tijdelijk bevroren.
2.5
Op 11 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB op 4 maart 2024 was geëindigd en dat op 4 september 2025 ook de zogenoemde ‘tijdelijke bevriezingsmaatregel’ zou stoppen. Daarnaast heeft de minister aan eiser (opnieuw) een terugkeerbesluit opgelegd. Dit terugkeerbesluit houdt in dat eiser binnen vier weken na het beëindigen van de bevriezingsmaatregel of nadat uitspraak is gedaan op het beroep Nederland moet verlaten en moet terugkeren naar Nepal. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
2.6
De rechtbank heeft de beroepen, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was P. Cuijpers aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft aan het eind van de zitting aangekondigd op 21 mei 2026 uitspraak te doen. Op die datum heeft de rechtbank de uitspraaktermijn met ten hoogste zes weken verlengd. De rechtbank doet hierbij uitspraak op de beide beroepen. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt vandaag bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen de brief van 5 februari 2024 (NL24.17236)
3. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat beroep bij de bestuursrechter mogelijk is tegen een besluit. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de brief waartegen eiser beroep heeft ingesteld een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het moet gaan om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is gericht op het tot stand brengen van rechtsgevolg. Dat wil zeggen dat er een wijziging plaatsvindt in rechten, verplichtingen, bevoegdheden of aanspraken van de betrokken persoon, of dat de juridische status van een persoon of zaak wordt vastgesteld.
4. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is, omdat deze brief geen ander of nieuw rechtsgevolg in het leven roept. De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 16 april 2024. Hoewel het in die zaak een brief van een andere datum betrof, is de inhoud en strekking daarvan vergelijkbaar met de brief die in deze zaak aan de orde is. De rechtbank komt in onderhavige zaak daarom tot het volgende oordeel.
5. De rechtbank stelt vast dat in de inleiding van de brief van 5 februari 2024 is opgenomen dat de brief gaat over de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en dat eiser wordt geïnformeerd over wat deze uitspraak betekent voor zijn recht op verblijf in Nederland. Dat het doel van deze brief (enkel) informeren is, blijkt ook uit de brief van de minister (voormalig staatssecretaris) aan de Tweede Kamer van 24 januari 2024. Specifiek houdt deze brief niet meer in dan de enkele mededeling aan eiser dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 van rechtswege, dat wil zeggen: automatisch, vervalt. Deze mededeling is dan ook niet gericht op een rechtsgevolg. De mededeling is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen beroep kan worden ingesteld. De brief bevat daarnaast ook geen terugkeerbesluit.
6. De (bestuursrechter van de) rechtbank is dan ook onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Eiser kan zich met deze zaak uitsluitend wenden tot de burgerlijke rechter.
Het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025 (NL25.37162)
Het standpunt van eiser
7. Eiser kan zich niet verenigingen met het terugkeerbesluit van 11 juli 2025. Hij voert aan dat hij nog rechtmatig verblijf had tot 5 september 2025 door de bevriezingsmaatregel. Daardoor viel hij ten tijde van het terugkeerbesluit nog niet onder het toepassingsbereik van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Ook voert eiser aan dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is omdat de (facultatieve) tijdelijke bescherming niet is geëindigd op
4 maart 2024. De minister verwijst naar een uitspraak van de Afdeling, maar volgens eiser is die uitspraak onjuist omdat de Afdeling de toelichting van de Europese Commissie bij het nieuwe Uitvoeringsbesluit van 19 oktober 2023 op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd. Verder voert eiser aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met de fundamentele Unierechtelijke beginselen, waaronder het beginsel van non-refoulement en de hoorplicht.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
9. De Afdeling heeft in de uitspraken van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser geen reden om hier nu anders over te oordelen. De beroepsgrond dat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 niet kon oordelen dat de tijdelijke bescherming zou eindigen op 4 maart 2024 treft geen doel.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op
4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. In de zaak van eiser is in dit kader verder van belang dat de voorzieningenrechter bij uitspraak van
22 april 2024 heeft bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is. De rechtbank overweegt dat de voorlopige voorziening niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat eiser daarmee slechts procedureel rechtmatig verblijf heeft verkregen om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en de verplichting en dus bevoegdheid voor de minister om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser (ook) als gevolg van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent evenmin dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar enkel dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij voordien onder de RTB had. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser derhalve op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond ingetrokken dat het terugkeerbesluit in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Wat betreft de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het voornemen van 4 juni 2025 te reageren met een zienswijze. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. Dat eiser geen zienswijze heeft ingediend, komt voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank is niet bevoegd kennis te nemen van het beroep gericht tegen de brief van 5 februari 2024. Het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Nepal.
13. Ter voorlichting van partijen overweegt de rechtbank nog als volgt. Met de uitspraak van 22 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de voorziening getroffen dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing zijn. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Inzake NL24.17236:
- verklaart zich onbevoegd.
Inzake NL25.37162:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Bij de rechtbank geregistreerd met de zaaknummers NL24.17236 (beroep) en NL24.17237 (voorlopige voorziening).
Bij de rechtbank geregistreerd met de zaaknummers NL25.37162 (beroep) en NL25.37164 (voorlopige voorziening).
NL24.17236 en NL25.37162.
NL25.37164.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5415, rechtsoverweging 26.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
TK 2023-2024, 19637, nr. 3200.
Artikel 8:71 van de Awb.
Uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1827, rechtsoverweging 4, ECLI:NL:RVS:2025:1829, rechtsoverweging 4 en ECLI:NL:RVS:2025:1836, rechtsoverweging 6.
Zie het arrest van het Hof van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465, punt 44 en verder en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, rechtsoverwegingen 8 en 9.
Vergelijk artikel 4:8 en verder van de Awb.
Artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
NL24.17237, zie ook rechtsoverweging 2.4.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.17236 en NL25.37162
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Boonen).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de brief van 5 februari 2024, waarin de minister aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming zou eindigen op 4 maart 2024, en het terugkeerbesluit dat door de minister op 11 juli 2025 aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen afzonderlijke beroepen ingesteld en voorlopige voorzieningen gevraagd.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is daarom onbevoegd om hierover te oordelen. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Inleiding en procedure tot nu toe
2.1
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Nepalese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op
24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanwege die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
2.2
Op 16 augustus 2023 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege zou eindigen op 4 september 2023. De minister heeft daarbij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Naar aanleiding van een brief van de minister van 6 september 2023 waarin staat dat eiser langer gebruik mag maken van de rechten die hij had onder de RTB heeft hij dat beroep en verzoek om een voorlopige voorziening introkken.
2.3
Op 5 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 zou eindigen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
17 januari 2024. Eiser heeft tegen deze brief beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Op
13 februari 2024 heeft de minister het terugkeerbesluit van 16 augustus 2023 ingetrokken.
Met de uitspraak van 22 april 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is totdat op het door eiser ingestelde beroep is beslist. Dit betekent feitelijk dat hij niet uit Nederland hoeft te vertrekken, het recht op opvang behoudt en mag blijven werken.
2.4
Omdat er onduidelijkheid was ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders uit Oekraïne’, zoals eiser, eerder beëindigd mocht worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft de minister de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming tijdelijk bevroren.
2.5
Op 11 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB op 4 maart 2024 was geëindigd en dat op 4 september 2025 ook de zogenoemde ‘tijdelijke bevriezingsmaatregel’ zou stoppen. Daarnaast heeft de minister aan eiser (opnieuw) een terugkeerbesluit opgelegd. Dit terugkeerbesluit houdt in dat eiser binnen vier weken na het beëindigen van de bevriezingsmaatregel of nadat uitspraak is gedaan op het beroep Nederland moet verlaten en moet terugkeren naar Nepal. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
2.6
De rechtbank heeft de beroepen, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was P. Cuijpers aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft aan het eind van de zitting aangekondigd op 21 mei 2026 uitspraak te doen. Op die datum heeft de rechtbank de uitspraaktermijn met ten hoogste zes weken verlengd. De rechtbank doet hierbij uitspraak op de beide beroepen. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt vandaag bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen de brief van 5 februari 2024 (NL24.17236)
3. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat beroep bij de bestuursrechter mogelijk is tegen een besluit. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de brief waartegen eiser beroep heeft ingesteld een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het moet gaan om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is gericht op het tot stand brengen van rechtsgevolg. Dat wil zeggen dat er een wijziging plaatsvindt in rechten, verplichtingen, bevoegdheden of aanspraken van de betrokken persoon, of dat de juridische status van een persoon of zaak wordt vastgesteld.
4. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is, omdat deze brief geen ander of nieuw rechtsgevolg in het leven roept. De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 16 april 2024. Hoewel het in die zaak een brief van een andere datum betrof, is de inhoud en strekking daarvan vergelijkbaar met de brief die in deze zaak aan de orde is. De rechtbank komt in onderhavige zaak daarom tot het volgende oordeel.
5. De rechtbank stelt vast dat in de inleiding van de brief van 5 februari 2024 is opgenomen dat de brief gaat over de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en dat eiser wordt geïnformeerd over wat deze uitspraak betekent voor zijn recht op verblijf in Nederland. Dat het doel van deze brief (enkel) informeren is, blijkt ook uit de brief van de minister (voormalig staatssecretaris) aan de Tweede Kamer van 24 januari 2024. Specifiek houdt deze brief niet meer in dan de enkele mededeling aan eiser dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 van rechtswege, dat wil zeggen: automatisch, vervalt. Deze mededeling is dan ook niet gericht op een rechtsgevolg. De mededeling is daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen beroep kan worden ingesteld. De brief bevat daarnaast ook geen terugkeerbesluit.
6. De (bestuursrechter van de) rechtbank is dan ook onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Eiser kan zich met deze zaak uitsluitend wenden tot de burgerlijke rechter.
Het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025 (NL25.37162)
Het standpunt van eiser
7. Eiser kan zich niet verenigingen met het terugkeerbesluit van 11 juli 2025. Hij voert aan dat hij nog rechtmatig verblijf had tot 5 september 2025 door de bevriezingsmaatregel. Daardoor viel hij ten tijde van het terugkeerbesluit nog niet onder het toepassingsbereik van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Ook voert eiser aan dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is omdat de (facultatieve) tijdelijke bescherming niet is geëindigd op
4 maart 2024. De minister verwijst naar een uitspraak van de Afdeling, maar volgens eiser is die uitspraak onjuist omdat de Afdeling de toelichting van de Europese Commissie bij het nieuwe Uitvoeringsbesluit van 19 oktober 2023 op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd. Verder voert eiser aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met de fundamentele Unierechtelijke beginselen, waaronder het beginsel van non-refoulement en de hoorplicht.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
9. De Afdeling heeft in de uitspraken van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser geen reden om hier nu anders over te oordelen. De beroepsgrond dat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 niet kon oordelen dat de tijdelijke bescherming zou eindigen op 4 maart 2024 treft geen doel.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op
4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. In de zaak van eiser is in dit kader verder van belang dat de voorzieningenrechter bij uitspraak van
22 april 2024 heeft bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is. De rechtbank overweegt dat de voorlopige voorziening niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat eiser daarmee slechts procedureel rechtmatig verblijf heeft verkregen om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en de verplichting en dus bevoegdheid voor de minister om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser (ook) als gevolg van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent evenmin dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar enkel dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij voordien onder de RTB had. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser derhalve op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond ingetrokken dat het terugkeerbesluit in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Wat betreft de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het voornemen van 4 juni 2025 te reageren met een zienswijze. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. Dat eiser geen zienswijze heeft ingediend, komt voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank is niet bevoegd kennis te nemen van het beroep gericht tegen de brief van 5 februari 2024. Het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Nepal.
13. Ter voorlichting van partijen overweegt de rechtbank nog als volgt. Met de uitspraak van 22 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de voorziening getroffen dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing zijn. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Inzake NL24.17236:
- verklaart zich onbevoegd.
Inzake NL25.37162:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Bij de rechtbank geregistreerd met de zaaknummers NL24.17236 (beroep) en NL24.17237 (voorlopige voorziening).
Bij de rechtbank geregistreerd met de zaaknummers NL25.37162 (beroep) en NL25.37164 (voorlopige voorziening).
NL24.17236 en NL25.37162.
NL25.37164.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5415, rechtsoverweging 26.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
TK 2023-2024, 19637, nr. 3200.
Artikel 8:71 van de Awb.
Uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1827, rechtsoverweging 4, ECLI:NL:RVS:2025:1829, rechtsoverweging 4 en ECLI:NL:RVS:2025:1836, rechtsoverweging 6.
Zie het arrest van het Hof van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465, punt 44 en verder en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, rechtsoverwegingen 8 en 9.
Vergelijk artikel 4:8 en verder van de Awb.
Artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
NL24.17237, zie ook rechtsoverweging 2.4.