Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21915

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.35503
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.35503
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de minister de problemen van eiser vanwege een toegedichte betrokkenheid bij de Gülen-beweging terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank volgt het standpunt van de minister daarin. De beroepsgronden van eiser slagen niet.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.009 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht


Zaaknummer: NL24.35503

V-nummer: [v-nummer]



uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , geboren op [geboortedag] 2001,van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. F. Zeven),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. R. Helmus).



Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.



1.2.
Eiser heeft op 8 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van17 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, M. Erbek als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas




2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft via zijn vader vernomen dat een griffier zou hebben meegedeeld dat er een geheim dossier tegen eiser loopt. Eiser vreest in Turkije te worden vervolgd vanwege de achtergrond van zijn vader, die in Turkije wordt vervolgd wegens vermeende betrekkingen met de Gülenbeweging. Daarnaast vreest eiser zelf vervolging omdat hij aan een militair lyceum heeft gestudeerd dat bij decreet is gesloten. Nu er nog steeds voormalige scholieren van militaire lycea in Turkije worden vervolgd, vreest eiser dat ook hij hiervan het slachtoffer zal worden.





Het bestreden besluit




3.1.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende twee relevante asielmotieven:



identiteit, nationaliteit en herkomst;


problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij Gülen-beweging.





3.2.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij de Gülen-beweging acht de minister niet geloofwaardig. Hiertoe heeft de minister geconstateerd dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief voldoende onderbouwen. De minister heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. Volgens de minister voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister heeft hierbij betrokken eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.



Het oordeel van de rechtbank





Beleidswijziging





4.1.
Eiser betoogt dat sprake is van groepsvervolging van (toegedichte) Gülenisten in Turkije en dat mede gelet daarop de beleidswijziging die is ingevoerd op 1 december 2023, vanaf welk moment niet langer alle (toegedichte) Gülenaanhangers in aanmerking komen voor een asielvergunning, onrechtmatig is. De minister heeft volgens eiser ten onrechte aangenomen dat de mate van strafrechtelijke vervolging ten aanzien van Gülenaanhangers en de willekeur die hierbij gepaard gaat is afgenomen. Eiser verwijst in dit verband onder andere naar het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025, naar een rapport van de Finse immigratiedienst van juni 2024, verschillende nieuwsartikelen en naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 22 december 2025 en van zittingsplaats Utrecht van 18 september 2025.



4.2.
De rechtbank volgt eiser niet. In de uitspraak van 25 november 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geoordeeld dat de beleidswijzing van 1 december 2023 niet onrechtmatig is. In die uitspraak overweegt de rechtbank dat de situatie voor Gülenisten in Turkije weliswaar zorgelijk is, maar niet zodanig dat de minister meer bescherming diende te bieden dan hij met het gewijzigde beleid doet. Deze lijn is meer recentelijk herhaald door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 16 januari 2026.


Ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 dat de minister op goede gronden tot de beleidswijziging over Gülen-aanhangers heeft kunnen komen. De rechtbank volgt deze lijn. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt niet dat de rechtbank tot een ander oordeel moet komen.




4.3.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat sprake is van groepsvervolging, overweegt de rechtbank als volgt. In het geval van groepsvervolging zou het enkele behoren tot de groep van (toegedichte) Gülenisten al voldoende zijn om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als (toegedichte) Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Uit de algemeen ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025, en ook uit de door eiser overgelegde informatie, volgt niet dat sprake is van groepsvervolging.



4.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Asielmotieven





5.1.
Eiser voert aan dat de minister ten onrechte slechts twee asielmotieven heeft onderscheiden. Het is onjuist dat de minister stelt dat het geheime onderzoek naar eiser de directe aanleiding voor zijn vlucht vormde en dat de vervolging van zijn vader en eisers verblijf op het militair lyceum slechts redenen zijn die hieraan ten grondslag liggen en daarmee slechts redenen zijn die hebben geleid tot het asielmotief. Dat deze omstandigheden mogelijk aanleiding hebben gevormd voor het geheime onderzoek, betekent niet dat deze geen afzonderlijke relevante motieven van het asielrelaas vormen die door de minister apart hadden moeten worden beoordeeld.



5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. In paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt onder asielmotief verstaan een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming.



5.3.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de vervolging van eisers vader en eisers verblijf op het militaire lyceum niet als afzonderlijke asielmotieven moeten worden beoordeeld. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat zijn vader in Turkije is vervolgd vanwege de Gülen-beweging en dat het militaire lyceum waar eiser heeft gestudeerd, bij decreet is gesloten. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij daardoor in Turkije blijvend als verdachte zou worden aangemerkt en voortdurend in angst zou leven om te worden opgepakt. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat er geen concrete aanleiding voor zijn vertrek was, maar dat hij zijn vertrek heeft willen bespoedigen nadat hij hoorde over een geheim dossier dat tegen hem zou bestaan. Ook heeft eiser verklaard sinds de couppoging in 2016 geen persoonlijke problemen te hebben ervaren. De rechtbank volgt de minister daarom in zijn standpunt dat de vervolging van eisers vader en eisers tijd op het militaire lyceum geen afzonderlijke asielmotieven vormen, maar omstandigheden vormen die hebben geleid tot het asielmotief van eiser, namelijk problemen vanwege een hem toegedichte betrokkenheid bij de Gülen-beweging.



5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6)





6.1.
Eiser voert verder dat WI 2024/6 in zijn geheel onrechtmatig is. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats’s-Hertogenbosch, van 14 oktober 2025. Uit deze uitspraak volgt dat de minister kennelijk, anders dan in WI 2024/6 is opgenomen, een gedragslijn hanteert waarbij ten gunste van de vreemdeling wordt afgeweken van de betreffende passage uit de werkinstructie. Deze gedragslijn is echter niet gepubliceerd en vormt (nog) geen kenbaar beleid. Volgens eiser betekent dit dat de minister uitvoering geeft aan niet kenbaar beleid, waarbij wordt afgeweken van WI 2024/6. Nu deze gedragslijn niet kenbaar en beschikbaar is, dientWI 2024/6 buiten beschouwing te worden gelaten. Het bestreden besluit, dat is gebaseerd op de toepassing van WI 2024/6, kan daarom geen stand houden. Ook stelt eiser dat de toepassing van WI 2024/6 in het bestreden besluit in strijd is met de samenwerkingsplichting als bedoeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Op grond van deze bepaling is de minister gehouden alle door eiser aangevoerde relevante elementen, waaronder verklaringen, documenten en andere informatie, bij de beoordeling te betrekken.



6.2.
De rechtbank begrijpt de grond van eiser zo dat hij meent dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals beschreven in WI 2024/6 in strijd is met het internationale recht. Naar het oordeel van de rechtbank is het door de minister toegepaste kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen niet in strijd met het Unierecht en de rechtspraak van het EHRM. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van 24 november 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de minister het geven van het voordeel van de twijfel in zijn algemeenheid op een onjuiste wijze toepast. Gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Dit betekent echter niet dat de toepassing van de werkinstructie in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. Uit het besluit van eiser volgen geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de minister het asielrelaas op voorhand niet geloofwaardig vindt wegens het gebrek aan objectieve documenten. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat ze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.



6.3.
De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat de door de minister gehanteerde gedragslijn gepubliceerd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit voldoende kenbaar op welke wijze de minister invulling heeft gegeven aan de geloofwaardigheidsbeoordeling.



6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister eisers problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij Gülen-beweging.


terecht ongeloofwaardig gevonden?





7.1.
Eiser betoogt, kort samengevat, dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, ondanks de geloofwaardig bevonden vervolging van zijn vader (voormalig rechter bij de Turkse Hoge Raad, ontslagen vanwege vermeende Gülen-banden) en eisers eigen studie aan het militaire lyceum, geen gegronde vrees voor vervolging in Turkije zou hebben.



7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister werpt eiser tegen dat zijn verklaringen over de problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij Gülen-beweging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft in beroep geen gronden gericht tegen het standpunt van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Naar het oordeel van de rechtbank merkt de minister terecht op dat het ongerijmd is dat eiser heeft verklaard te zijn ondergedoken voor de autoriteiten, maar dat zijn moeder desondanks zonder problemen naar de rechtbank in [plaats] kon stappen om het ouderlijk gezag te verkrijgen en vervolgens paspoorten voor eisers broer en zus kon aanvragen. Daarbij is van belang dat eiser en zijn gezin op een officieel geregistreerd adres stonden ingeschreven en eiser tijdens het gehoor heeft bevestigd dat deze omstandigheden niet wijzen op een situatie waarin hij daadwerkelijk buiten beeld van de autoriteiten verbleef.



7.3.
De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over het gestelde geheime onderzoek vaag zijn en gebaseerd op vermoedens. Eiser heeft hierover slechts verklaard op basis van vermoedens en informatie van derden, terwijl hij niet zeker weet of daadwerkelijk een onderzoek tegen hem is gestart. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op de tegenstrijdigheid in eisers verklaringen, nu eiser eerst heeft verklaard het dossier zelf in UYAP te hebben gezien, maar later heeft verklaard hierover van zijn vader te hebben gehoord.



7.4.
De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat het niet logisch is dat eiser, terwijl hij stelt te zijn ondergedoken en te vrezen voor de autoriteiten, tot medio 2022 onder zijn eigen naam heeft gestudeerd. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op de omstandigheid dat eisers naam hierdoor bekend bleef en hij, indien hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou staan, te traceren zou zijn geweest.



7.5.
Ten aanzien van het militaire lyceum stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn studie aan dit lyceum in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. De minister wijst daarbij terecht op het feit dat de door eiser overgelegde artikelen slechts algemene informatie bevatten over voormalige studenten van militaire lycea en dat het specifieke lyceum waar eiser heeft gestudeerd daarin niet wordt genoemd. De minister wijst er ook terecht op dat dit des te meer van belang is nu eiser zelf heeft verklaard dat er slechts vier militaire lycea in Turkije waren, waardoor het juist voor de hand zou liggen dat zijn specifieke lyceum zou zijn genoemd indien dit relevant was. Gelet ook op het ontbreken van andere concrete aanwijzingen dat eiser persoonlijk een doelwit van de autoriteiten is, volgt hieruit niet dat eiser vanwege zijn studie aan het militaire lyceum op de radar van de autoriteiten staat.




7.6.
Ten slotte wijst de minister er terecht op dat, hoewel een legale uitreis niet zonder meer betekent dat geen onderzoek naar eiser zou kunnen lopen, dit niet wegneemt dat het aan eiser blijft om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt en is daarin ook in beroep niet geslaagd.



7.7.
Op grond van het voorgaande heeft de minister eisers problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij de Gülen-beweging terecht ongeloofwaardig geacht. Nu bovenstaande tegenwerpingen voldoende zijn om de ongeloofwaardigheid van eisers problemen te dragen, is de rechtbank van oordeel dat de overige beroepsgronden aangaande dit asielmotief geen bespreking meer hoeven.



7.8.
De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister eisers asielaanvraag kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw?





8.1.
Eiser erkent dat hij heeft gewacht met het indienen van een asielaanvraag, omdat hij een Dublinclaim van Polen wilde voorkomen. Hij heeft toegelicht dat hij daarmee zijn kansen op het verkrijgen van asiel in Nederland zo groot mogelijk wilde maken, mede gelet op de moeilijke situatie waarin vluchtelingen zich volgens hem in Polen bevinden. Eiser voert dan ook aan dat geen sprake is van een kennelijkheidsgrond.



8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw, zoals deze bepaling gold ten tijde van de aanvraag. Het feit dat de situatie voor vluchtelingen moeilijk is, betekent niet dat het onredelijk is om eiser tegen te werpen dat hij zich niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld om internationale bescherming aan te vragen. Het voorkomen van een Dublinprocedure vormt evenmin een verschoonbare reden om zich niet tijdig tot de Nederlandse autoriteiten te wenden. Het betoog van eiser dat de minister geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid om de asielaanvraag op deze grond kennelijk ongegrond af te wijzen, volgt de rechtbank niet. Gelet op de door eiser gestelde vrees voor vervolging mocht van hem worden verwacht dat hij zich zo spoedig mogelijk bij de Nederlandse autoriteiten zou melden met zijn verzoek om internationale bescherming.





Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.H. El Ouahabi, griffier.




Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.



De voorwaarden hiervoor staan in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.


Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.


Daarbij verwijst de minister naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.


Turkey: Individuals associated with the Gülen moment, The Finnish Immigration Service fact- finding mission to Ankara and Istanbul 2-6 October 2023, June 2024.


Zaaknummers: NL24.45749 en NL24.45748 (ongepubliceerd).


ECLI:NL:RBDHA:2025:17248.


ECLI:NL:RBDHA:2025:23341.


ECLI:NL:RBDHA:2026:643.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2026:1607.


ECLI:NL:RBDHA:2025:19462.


Richtlijn 2011/95/EU.


Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, rechtsoverweging 7.1.


Het UYAP-systeem is het digitale juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid.


Zoals volgt uit het Staatsblad 2026, 127: Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ingediend voor 12 juni 2026, blijven de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 zoals die wet luidde op het moment van inwerkingtreding van artikel I, van toepassing, voor wat betreft voorschriften die betrekking hebben op, onder b: afdoeningsgronden.