Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21909

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.11394 en NL25.29166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.11394 en NL25.29166
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgeklapte BNT – gegrond – mvv – familie en gezin – Afghanistan - mvv-vereiste – paspoortvereiste – non-refoulementbeoordeling – gegrond

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.554 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummers: NL25.11394 en NL25.29166


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).




Procesverloop


Bij besluit van 2 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met het doel “verblijf bij familie en gezin bij [referente] ” afgewezen.



Op 10 maart 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het bestreden besluit (NL25.11394).



Bij besluit van 27 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



Eiser heeft op 1 juli 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL25.29166).



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft beide beroepen op 28 januari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [referente].



De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd. Op 7 juli 2026 heeft de rechtbank de partijen in kennis gesteld dat de uitspraak binnen zes weken volgt.




Overwegingen



Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 1996 en dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft. Eiser verblijft sinds 2017 in Nederland en heeft meermaals zonder resultaat asielaanvragen ingediend. Eiser is op 8 januari 2025 gehuwd met [referente] . Hij heeft op 29 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij [referente] te kunnen verblijven.


Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat niet wordt voldaan aan het mvv-vereiste. Eiser heeft niet aangetoond dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten of omstandigheden of dat hij aan de andere voorwaarden voldoet om hiervan te worden vrijgesteld. Eiser voldoet voorts niet aan het paspoortvereiste. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij in het bezit is van een identiteitskaart, is deze door eiser niet overgelegd. De overige door eiser overgelegde stukken zijn niet gelegaliseerd. Verweerder neemt aan dat tussen eiser en [referente] sprake is van gezinsleven, maar de belangenafweging valt uit in het nadeel van eiser. Eiser heeft niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om het gezinsleven met [referente] in de zin van artikel 8 van het EVRM in Afghanistan uit te oefenen. Het staat [referente] vrij om met eiser mee te gaan. Verweerder neemt geen beschermenswaardig privéleven aan. De banden die eiser met Nederland heeft opgebouwd gedurende de periode dat hij geen verblijfsvergunning had wegen niet zwaar mee. Voor zover eiser aanvoert dat hij niet terug kan naar Afghanistan vanwege de situatie aldaar, heeft verweerder overwogen dat dit thuis hoort in een asielprocedure en dit niet wordt meegenomen in de beoordeling. Daarbij merkt verweerder op dat eisers asielaanvragen alle zijn afgewezen en ook eisers hoger beroep ongegrond is verklaard. Het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 17 juli 2018 en inreisverbod van 26 mei 2023 blijven geldig.


3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder werpt ten onrechte het paspoortvereiste tegen, nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zonder tazkera geen paspoort kan aanvragen bij de Afghaanse ambassade. Eiser verwijst in dit kader naar verklaringen van 8 juli 2024 en 10 juli 2025 van de Afghaanse ambassade. Eiser zal voor een tazkera naar Afghanistan moeten uitreizen en dit is niet mogelijk vanwege de door hem in de asielprocedure geschetste problemen en de verdere verdieping van zijn christelijke geloof. Daarbij kan eiser zonder paspoort feitelijk niet naar Afghanistan uitreizen om zijn documenten te verkrijgen. Verweerder houdt ten onrechte vast aan het mvv-vereiste, wat strijdigheid oplevert met het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4 van de Awb en uitgewerkt in het Unierecht. Terugkeer naar Afghanistan levert voor eiser ernstige veiligheids- en praktische risico’s op die verweerder ten onrechte afdoet als thuishorend in een asielprocedure. Eiser wijst in dit kader op zijn bekering, zijn actieve bezoeken aan de kerk en eiser stelt dat zijn familie in Afghanistan inmiddels ook van zijn bekering op de hoogte is. Verweerder stelt gelet op de door eiser aangevoerde samenloop van omstandigheden ten onrechte dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het is onredelijk van verweerder om te verlangen dat eiser de visumprocedure vanuit Afghanistan opnieuw opstart. Subsidiair voert eiser aan dat zijn aanvraag op basis van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dan wel artikel 8 van het EVRM, moet worden toegewezen. Eiser verwijst hierbij naar het feit dat [referente] tot zijn kerngezin behoort, zijn huwelijk als christen met een moslima en zijn terugkeer naar Afghanistan als christelijke bekeerling waarop in het gehoor niet is doorgevraagd. Eiser bestrijdt dat hij geen sterke banden heeft met Nederland. In dit kader verwijst hij naar zijn huwelijk met [referente] , zijn gezin en de familie van zijn echtgenote die in Nederland verblijven, de kerk die hij regelmatig bezoekt, de sportschool en zijn ex-collega’s met wie hij sociaal contact onderhield. Eiser heeft voor een belangrijke periode van zijn leven, vanaf zijn 21e levensjaar, in Nederland verbleven en spreekt de Nederlandse taal. Anders dan verweerder stelt, kan [referente] (als erkend vluchteling uit Afghanistan) niet met eiser mee naar Afghanistan gelet op haar Nederlandse paspoort en haar positie als verwesterde vrouw na haar 25 jarige verblijf in Nederland. Daarbij is [referente] ziek en heeft zij haar echtgenoot nodig. Weigering om de hardheidsclausule toe te passen is daarom onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel. Tot slot voert eiser aan dat de vragen in het ambtelijk gehoor oppervlakkig waren en de hoormedewerker onvoldoende was ingelezen.


De rechtbank oordeelt als volgt.


4. Ter terechtzitting heeft eiser het beroep van 1 juli 2025 (NL25.29166) ingetrokken. Het beroep van 10 maart 2025 tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar (NL25.11394) heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het bestreden besluit.



Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen



5. Nu met het bestreden besluit alsnog op de aanvraag van eiser is beslist, heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Verweerder heeft niet binnen de hiervoor gestelde termijn op de aanvraag van eiser beslist. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, zal het verzoek om proceskostenveroordeling worden toegewezen.



Beroep gericht tegen het bestreden besluit



Het paspoortvereiste



7. Vaststaat dat eiser geen paspoort heeft overgelegd. Eiser stelt dat hij niet over een paspoort beschikt en dat het voor hem niet mogelijk is om dit document te verkrijgen vanwege het ontbreken van een tazkera. Wel is eiser in het bezit van een geboorteakte. Verweerder verwijst in zijn motivering van het paspoortvereiste naar het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2025 (hierna: Ambtsbericht) waarin staat dat een Afghaanse vreemdeling bij het ontbreken van een tazkera, met een geboorteakte een paspoort kan aanvragen bij de Afghaanse ambassade in het buitenland. Naar het oordeel van de rechtbank gaat verweerder hiermee voorbij aan eisers onderbouwde stelling dat de Afghaanse ambassade in zijn geval te kennen heeft gegeven dat zonder een tazkera geen paspoort kan worden aangevraagd. Eiser heeft in beroep dit standpunt ondersteund met een schriftelijke verklaring van de Afghaanse ambassade van 10 juli 2025. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door eiser overgelegde verklaring van de Afghaanse ambassade is opgesteld na de publicatie van het Ambtsbericht. De door eiser overgelegde informatie van de Afghaanse ambassade acht de rechtbank dermate concreet, dat verweerder niet zonder meer van de algemene informatie in het Ambtsbericht heeft kunnen uitgaan. Daarbij komt nog dat verweerder ter zitting heeft beaamd dat een tazkera in Afghanistan dient te worden aangevraagd. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste met toepassing van artikel 3.72 van het Vb.Het mvv-vereiste
8. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder niet betwist dat sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en [referente] . Verweerder heeft het mvv-vereiste ten onrechte en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel aan eiser tegengeworpen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 maart 2019 heeft overwogen dat uit het arrest Yön volgt dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vereist dat de regels voor de uitvoering van de verplichting voor een vreemdeling om vóór zijn binnenkomst in een lidstaat te beschikken over een visum, niet verder gaat dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Indien een vreemdeling feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, dient verweerder te beoordelen of het onevenredig bezwarend is om vast te houden aan het mvv-vereiste indien daarnaast wel aan alle materiële vereisten wordt voldaan. Uit het arrest Yön volgt verder dat verweerder al deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang moet beoordelen. Indien verweerder dan tot de conclusie komt dat het vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig bezwarend is, dient te worden beoordeeld of de vreemdeling daadwerkelijk aan alle materiële vereisten voldoet en in dat geval onder toepassing van de hardheidsclausule dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De vraag of aan alle materiële vereisten wordt voldaan en het in onderlinge samenhang bezien van alle omstandigheden die eiser aanvoert, speelt daarmee een rol bij de beantwoording van de vraag of eiser moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende alle door eiser aangevoerde omstandigheden in samenhang heeft betrokken bij het tegenwerpen van het mvv-vereiste. Zo heeft verweerder onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken dat het voor eiser moeilijk is gebleken om vanuit Nederland een Afghaans paspoort te verkrijgen. Daar komt bij dat eiser sinds 2017 in Nederland verblijft, getrouwd is met [referente] die al ruim 25 jaar in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit bezit, verweerder het gezinsleven tussen eiseres en [referente] heeft aangenomen, en eiser in zowel de beroepsgronden als tijdens het gehoor in bezwaar van 22 mei 2025 heeft gesteld dat [referente] in zekere mate afhankelijk van hem is. Deze omstandigheden, alsmede eisers stellingen dat hij dient terug te keren naar Afghanistan vanuit het Westen en heeft verklaard dat hij een geloofsgroei heeft doorgemaakt, zijn door verweerder onvoldoende in onderlinge samenhang betrokken bij de tegenwerping dat hij naar Afghanistan kan reizen om aldaar een mvv te verkrijgen. Anders dan verweerder in het verweerschrift aanvoert, heeft verweerder ten onrechte overwogen dat het redelijk is dat [referente] met eiser mee kan reizen naar Afghanistan indien zij dit wenst, omdat zij niet wordt aangemerkt als alleenstaande vrouw. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 november 2025 en oordeelt dat het onredelijk is van verweerder om van [referente] als Afghaanse vluchteling na naturalisatie te verwachten dat zij met eiser meegaat naar Afghanistan ter verkrijging van zijn mvv. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom bij eiser geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid van het Vb.



Refoulementbeoordeling



10. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht de bevoegde nationale autoriteiten in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. In het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat dit meebrengt dat de nationale autoriteiten bij vaststelling van een terugkeerbesluit moeten beoordelen of zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2025 geoordeeld dat verweerder een onderzoeksplicht heeft en zich – op grond van wat door een vreemdeling is aangevoerd, de gegevens in het dossier en de (algemene) informatie over het land van herkomst – ervan moet vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Daarbij moet het gaan om een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement. De rechtbank dient volgens de Afdeling op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens van het dossier ambtshalve na te gaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is die noopt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling.
11. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 26 mei 2023 voor het laatst een refoulementbeoordeling heeft verricht in het kader van eisers asielprocedure. Dit besluit is in stand gelaten bij uitspraak van deze rechtbank van 9 november 2023, en deze uitspraak is door de Afdeling op 6 december 2023 bevestigd. Verweerders standpunt in het bestreden besluit dat de door eiser aangevoerde omstandigheden waardoor hij niet terug kan naar Afghanistan, thuis horen in een asielprocedure en daarom niet worden meegenomen in de beoordeling van eisers aanvraag, volgt de rechtbank niet. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat verweerder in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement dient te eerbiedigen. Eiser voert in beroep aan niet naar Afghanistan te kunnen terugkeren vanwege de door hem in de asielprocedure geschetste problemen, alsmede vanwege de verdere verdieping van zijn christelijke geloof en zijn terugkeer vanuit het Westen. Ook stelt eiser dat zijn huwelijk als protestants christelijke man met een islamitische vrouw maakt dat hij – na de machtswisseling van de Taliban – niet zomaar kan terugkeren naar Afghanistan om zijn mvv op te halen. Verder heeft eiser verklaard dat zijn familie in Afghanistan inmiddels op de hoogte is van zijn bekering naar het christendom. Verweerder heeft zonder daarbij de recente algemene landeninformatie te betrekken overwogen dat ook de Afghaans-Nederlandse echtgenote van eiser met eiser in Afghanistan zou kunnen leven. Hiermee miskent verweerder de ernstig verslechterde positie van Afghaanse vrouwen bij een terugkeer vanuit het Westen, zoals ook blijkt uit het Ambtsbericht. Gelet op het bovenstaande constateert de rechtbank dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar het risico voor eiser op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest bij een terugkeer naar Afghanistan en hierbij ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling heeft toegepast met inachtneming van wat eiser heeft aangevoerd. Nu verweerder dit heeft nagelaten en het terugkeerbesluit van 17 juli 2018 heeft gehandhaafd, heeft hij artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn geschonden. Conclusie

12. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 0,5).


13. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1). Beslissing



De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Een Afghaans identiteitsdocument.


Algemene wet bestuursrecht.


Richtlijn 2003/86/EG.


Paragraaf 2.3.3.2 van het Ambtsbericht.


Het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2019:1001.


Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 augustus 2028, ECLI:EU:C:2018:632.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22308.


Richtlijn 2003/86/EG.


ECLI:EU:C:2024:892.


Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie


ECLI:NL:RVS:2025:4178.


ECLI:NL:RBDHA:2023:17465.


202307037/1/V2.


Pagina 69 en volgende.