Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21903
Inhoudsindicatie
Samenvatting: Dublin Frankrijk. Tussenuitspraak na een informele lus. Eiser beroept zich op artikel 9 van de Dublinverordening. Het standpunt van de minister dat eiser daar geen beroep op kan doen omdat het hier om een terugnamesituatie gaat, volgt de rechtbank niet zonder meer. Zelfs als eiser in deze procedure geen beroep op artikel 9 van de Dublinverordening toekomt, is de minister op grond van artikel 17 van de Dublinverordening bevoegd de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen op de grond dat de minderjarige zoon van eiser op basis van een verblijfsvergunning asiel in Nederland verblijft. Ook hierin, en met inachtneming van de belangen van de gestelde minderjarige zoon van eiser, ziet de rechtbank aanleiding om de minister gelet op zijn samenwerkingsplicht op te dragen eiser een DNA-test aan te bieden.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2019:280
- ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Raad van State 12-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.940 tekens)
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.10266 T
V-nummer: [v-nummer]
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Imami-Kalloemisier).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser van 3 september 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek, op 10 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Gababe in de taal Somalisch. Ook was op de zitting aanwezig [persoon] , de gestelde zoon van eiser. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaken heeft de voorzieningenrechter
onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan en het verzoek toegewezen.
De rechtbank heeft het onderzoek in de beroepszaak ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verstrekken. Dat heeft de minister gedaan bij brief van 16 april 2026. Eiser heeft daarop met de brief van 27 april 2026 gereageerd.
Partijen hebben ingestemd om een (tussen)uitspraak te doen zonder een nadere zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de minister na de zitting in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de vraag of de minister gelet op eisers beroep op artikel 9 van de
Dublinverordening bereid is om aan eiser en zijn gestelde zoon een DNA-test aan te bieden, om de biologische band tussen beiden vast te stellen of uit te sluiten.
2. De minister heeft zich met de brief van 16 april 2026 onder verwijzing naar het arrest H, en R. van het Hof van 2 april 2019 op het standpunt gesteld dat eiser geen beroep kan doen op artikel 9 van de Dublinverordening, omdat Frankrijk gevraagd is eiser terug te nemen en Frankrijk dat geaccepteerd heeft. Volgens de minister valt de situatie van eiser niet onder de uitzondering op deze hoofdregel, zoals genoemd in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. De minister zal daarom geen DNA-test aanbieden.
3. Eiser voert primair aan dat de minister door eerst na de zitting dat standpunt in te nemen in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, omdat eiser daarmee de mogelijkheid is ontnomen om dat standpunt ter zitting te betwisten.
3.1.
Dat de goede procesorde in geding is volgt de rechtbank niet, omdat eiser met de brief van 27 april 2026 inhoudelijk heeft gereageerd op dit standpunt van de minister en de rechtbank deze reactie van eiser bij de beoordeling van het beroep betrekt.
4. Eiser voert subsidiair aan dat in dit geval niet zonder meer sprake is van een terugnamesituatie waarin geen ruimte bestaat voor een beroep op de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening. Hoewel formeel sprake is van een terugnameverzoek, miskent de minister volgens eiser dat de verantwoordelijkheid van Frankrijk in dit geval niet het gevolg is van een inhoudelijke toepassing van de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening, maar uitsluitend van een procedurele termijnoverschrijding. Eiser heeft namelijk eerst op 27 november 2021 in Nederland een asielverzoek ingediend, waarna hij naar Frankrijk is gereisd. Doordat Frankrijk eiser niet tijdig aan Nederland heeft overgedragen, is de verantwoordelijkheid op grond van de Dublinverordening op Frankrijk komen te rusten. Dit betekent dat in dit geval geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de vraag welke lidstaat op grond van de criteria van hoofdstuk III, in het bijzonder artikel 9, verantwoordelijk is.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser al tijdens het gehoor aanmeldfase van 18 december 2025 heeft gemeld dat zijn (gestelde) zoon in Nederland verblijft. In de zienswijze heeft eiser hieraan toegevoegd dat zijn gestelde zoon rechtmatig in Nederland verblijft en in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft het V-nummer van de gestelde zoon vermeld en zich daarbij expliciet beroepen op artikel 9 van de Dublinverordening. De minister heeft in het bestreden besluit niet gereageerd op dit beroep van eiser. Al hierom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, omdat de minister niet in samenwerking met eiser heeft onderzocht of eisers gestelde minderjarige zoon een reden kan zijn om het asielverzoek van eiser in Nederland te behandelen. De rechtbank heeft de minister via een informele lus in de gelegenheid gesteld deze gebreken in de besluitvorming te herstellen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met zijn reactie in de brief van 16 april 2026 de gebreken in de besluitvorming niet heeft hersteld, nu eiser deze reactie van de minister gemotiveerd heeft betwist en de minister op zijn beurt die reactie van eiser niet inhoudelijk heeft weersproken. Uit de gedingstukken blijkt verder ook niet dat eerder een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de vraag welke lidstaat op grond van artikel 9 van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming. Het standpunt van de minister dat eiser geen beroep kan doen op artikel 9 van de Dublinverordening kan de rechtbank daarom niet zonder meer volgen.
4.3.
Daar komt bij dat zelfs als eiser in deze procedure geen beroep op artikel 9 van de Dublinverordening toekomt, de minister op grond van artikel 17 van de Dublinverordening bevoegd is de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen op de grond dat de minderjarige zoon van eiser op basis van een verblijfsvergunning asiel in Nederland verblijft. Ook hierin, en met inachtneming van de belangen van de gestelde minderjarige zoon van eiser, ziet de rechtbank aanleiding om de minister gelet op zijn samenwerkingsplicht op te dragen eiser een DNA-test aan te bieden.
5. Zoals hiervoor is overwogen onder 4.1. is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De minister heeft de gebreken in de besluitvorming niet hersteld met de geboden informele lus, zoals blijkt onder 4.2. en 4.3. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister met deze tussenuitspraak nogmaals in de gelegenheid te stellen de voornoemde gebreken te herstellen. Om de gebreken te herstellen, moet de minister eiser op kosten van de Staat een DNA-test aanbieden en vervolgens een aanvullende motivering geven, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. Mocht deze termijn voor de minister onvoldoende zijn, dan kan de minister om verlenging ervan vragen en zal de rechtbank dat verzoek beoordelen.
5.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zaaknummer: NL26.10267
In artikel 9 van de Dublinverordening staat: "Wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, is deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen."
Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2019:280.
Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:46 van de Awb.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.