Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21851
2026-07-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/702698 / FA RK 26-3311
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gezagsbeëindigende maatregel op grond van artikel 1:266 lid 1 sub a BW. Opnieuw verzoek tot gezagsbëindiging, twee jaar na vorige verzoek. Gezag van de moeder wordt nu wel beëindigd doordat is voldaan aan de vereisten van artikel 8 EVRM.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.175 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702698 / FA RK 26-3311
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. M. Nentjes uit Rotterdam,
[pleegouder 1]
en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige] is niet gekomen en heeft ook niet op een andere manier zijn mening kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft ter zitting het verzoek van de advocaat van de moeder om aanhouding van de behandeling van de zaak (zie hierna onder het kopje ‘de standpunten’), afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het belang van [minderjarige] om nu duidelijkheid te krijgen over het gezag en om zekerheid te krijgen over zijn opgroeiperspectief, zwaarder weegt dan het belang van de moeder om nogmaals een mogelijkheid te krijgen om bij de zitting aanwezig te zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat de moeder wel contact heeft gehad met de Raad en tijdens dit gesprek haar mening over het verzoek tot gezagsbeëindiging heeft kunnen delen. In dat gesprek is niet duidelijk naar voren is gekomen dat de moeder het oneens is met de gezagsbeëindiging en zij van plan is om uitdrukkelijk verweer te gaan voeren tegen het verzoek. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de moeder ook op eerdere zittingen niet (steeds) is verschenen.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader, [de vader].
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 oktober 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot (ook) 7 oktober 2026.
2.6.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 22 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Er is volgens de Raad sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen en de zorgen zelfstandig weg te nemen. [minderjarige] heeft op zeer jonge leeftijd te maken gehad met huiselijk geweld, onzekerheid en onvoorspelbaarheid. De moeder heeft persoonlijke (verslavings-)problematiek, waardoor zij de afgelopen jaren herhaaldelijk voor lange periodes uit beeld is geraakt en is teruggevallen in middelengebruik. De moeder was daardoor onvoldoende beschikbaar of bereikbaar voor de hulpverlening als gevolg waarvan zij niet (tijdig) besluiten over [minderjarige] kon nemen. Daarnaast is het de afgelopen jaren niet gelukt, ondanks de verschillende kansen die aan de moeder zijn geboden door de gecertificeerde instelling, om te komen tot contactherstel met [minderjarige]. Gelet op het voorgaande is een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk.
Volgens de Raad moet de voogdij belegd worden bij de gecertificeerde instelling. De pleegouders staan er op dit moment niet voor open om de voogdij te aanvaarden, omdat er volgens hen een zogenoemde buffer nodig is – in de vorm van de gecertificeerde instelling – als het gaat om het contact met de vader van [minderjarige].
Een minder ingrijpende maatregel of een vrijwillige plaatsing is niet mogelijk, vanwege het patroon dat de moeder laat zien waarin zij vaak uit contact treedt en niet bereikbaar is.
Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode gesprekken blijft voeren met [minderjarige] over het contact met zijn ouders en halfzusje. De moeder moet ook na beëindiging van het gezag geïnformeerd worden, en er moet worden onderzocht welke rol de moeder nog wel kan vervullen in het leven van [minderjarige]. Ten slotte zal jaarlijks geëvalueerd moeten worden of de pleegouders de voogdij willen en of kunnen gaan dragen.
4De standpunten
4.1.
Namens de moeder heeft de advocaat ter zitting het volgende naar voren gebracht. Zij staat de moeder al jarenlang bij, maar het is nu voor het eerst niet gelukt om de moeder voorafgaand aan de zitting te spreken. De advocaat benadrukt dat een gezagsbeëindigende maatregel de meest ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel is en [minderjarige] op dit moment nog jong is. Uit het raadsrapport volgt dat het beter gaat met de moeder en de advocaat heeft er vertrouwen in dat zij de moeder – mogelijk door contact met de bewindvoerder – nog wel kan bereiken. Daar komt bij dat de advocaat er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de gecertificeerde instelling zich nog daadwerkelijk actief zal gaan inzetten ten behoeve van de moeder, als zij haar gezag verliest. De advocaat vindt het belangrijk dat de moeder nog één kans wordt geboden om haar standpunt op een zitting kenbaar te maken , zodat de rechtbank op basis van wat de moeder dan naar voren brengt, een weloverwogen beslissing kan nemen. Dit is volgens de advocaat ook belangrijk voor de acceptatie van de moeder van de beslissing van de rechtbank. De advocaat verzoekt daarom om een korte aanhouding van de behandeling van de zaak. De advocaat heeft ook nog op het volgende gewezen. Door de Raad is gesteld dat de moeder niet zou meewerken aan gezagsbeslissingen en dat hiervoor meermaals vervangende toestemming zou zijn verzocht bij de rechtbank. Dit klopt volgens de advocaat van de moeder niet. Zoals bij eerdere zittingen ook is gebleken, is de gecertificeerde instelling het formulier van de moeder met haar de handtekening voor het aanvragen van het ID-bewijs voor [minderjarige] kwijtgeraakt. Ook als het gaat om de hulpverlenging van [zorginstantie] voor [minderjarige], heeft de moeder haar medewerking verleend.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. De huidige jeugdbeschermer heeft nog geen contact gehad met de moeder. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige] en hij maakt goede stappen in zijn ontwikkeling. De therapie bij [zorginstantie] – onder meer gericht op de hechtingsrelatie met de pleegouders – is positief afgerond. [minderjarige] vraagt zelf niet naar zijn moeder. Als de jeugdbeschermer hem vraagt wat hij vindt van contact met de moeder, dan geeft hij aan dat hij het niet goed weet en haalt hij zijn schouders op. Het is voor hem ook al heel lang geleden dat er contact is geweest.
5De beoordeling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Bij beschikking van 26 juli 2024 heeft de rechtbank al geoordeeld dat op zichzelf is voldaan aan de vereisten voor een beëindiging van het gezag van de moeder op grond van artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is destijds echter afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel was dat de belangen van [minderjarige] niet werden geschaad als de moeder het gezag zou behouden. De beëindiging van het gezag vormde op dat moment volgens de rechtbank dan ook geen gerechtvaardigde inmenging in het privé- en gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank was van oordeel dat in ieder geval nader onderzocht moest worden of er andere minder ingrijpende opties waren. Op dat moment ging het beter met de moeder en toonde zij aan bereid te zijn haar verantwoordelijkheid te nemen in het geven van toestemming voor belangrijke beslissingen. De rechtbank heeft in deze beslissing ook overwogen dat de moeder – als zij het gezag behoudt - meer mogelijkheden heeft in het contact met de gecertificeerde instelling om een actieve houding ten aanzien van het contactherstel met [minderjarige] te bewerkstelligen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel – met verwijzing naar de onderbouwing van de beschikking van 26 juli 2024 – dat wordt voldaan aan de gronden uit artikel 1:266 lid 1 sub a BW voor een gezagsbeëindiging. Het opgroeiperspectief van [minderjarige] is onveranderd en ligt in het pleeggezin. Daarnaast is de verslavings- en borderline problematiek van de moeder – met vallen en opstaan – nog onverminderd aanwezig, waardoor zij nog steeds voor een periode uit beeld verdwijnt en beperkt of niet bereikbaar is voor de gecertificeerde instelling. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of thans wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en beëindiging van het gezag van de moeder daarom een gerechtvaardigde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven. De rechtbank moet in dat licht beoordelen of het gevolg van het beëindigen van het gezag in een redelijke verhouding staat tot het doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop, en moeten worden afgewogen tegen de belangen van de ouder, in dit geval de moeder.
5.4.
De rechtbank constateert dat de moeder het afgelopen jaar weer voor een lange periode bij de gecertificeerde instelling uit beeld is geraakt. Daarnaast is het de afgelopen twee jaar niet gelukt – ondanks de actieve inzet van de gecertificeerde instelling – om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen. In 2025 heeft de gecertificeerde instelling een duidelijk en concreet plan opgesteld om het contact zorgvuldig op te bouwen, maar dit is niet van de grond gekomen. Zelfs het sturen van een kaartje door de moeder aan [minderjarige] is niet gelukt. Hierdoor is de (verdrietige) situatie ontstaan dat [minderjarige] en de moeder elkaar al ruim twee en een half jaar niet meer hebben gezien of gesproken. De huidige jeugdbeschermer, die nu zes maanden betrokken is, heeft ook nog geen contact gehad met de moeder. Daarnaast volgt uit de stukken en de toelichting op de zitting dat de moeder de afgelopen jaren opnieuw (meermaals) is teruggevallen in middelengebruik. Op die momenten is zij volledig uit beeld en niet bereikbaar voor de hulpverlening, jeugdbeschermer of voor andere betrokkenen. Bij de Raad heeft de moeder ook te kennen gegeven dat zij een nieuw nummer en een nieuwe e-mailadres heeft genomen (wat niet is doorgegeven aan de gecertificeerde instelling) om zich te kunnen focussen op het afkicken. Hoewel de rechtbank dit kan begrijpen, stelt zij ook vast dat de moeder niet uit zichzelf contact heeft gezocht met de gecertificeerde instelling of andere betrokkenen bij de zorg om [minderjarige]. Door het gebrek aan contact tussen de moeder en [minderjarige] en tussen de moeder en bijvoorbeeld de gecertificeerde instelling en de pleegouders, is zij ook al geruime tijd niet op de hoogte van de belangrijke gebeurtenissen en beslissingen in het leven van [minderjarige]. De rechtbank ziet, net als de Raad, dat dit voortkomt uit onmacht en niet direct uit onwil, maar dit is nu wel de feitelijke situatie. De rechtbank kan , gelet op het voorgaande, dan ook niet anders dan concluderen dat de moeder niet in staat is om haar gezag (feitelijk) uit te oefenen. Hoewel de afgelopen jaren is geprobeerd om de moeder te betrekken in het leven [minderjarige], stelt de rechtbank vast dat het – na de beslissing van 26 juli 2024 - niet is gelukt om hierin (enige) vooruitgang te boeken. De moeder heeft daardoor geen zicht op het huidige leven van [minderjarige] en zijn behoeften en wensen, waardoor zij geen beslissingen kan nemen over wat het beste voor [minderjarige] is. Het belang van [minderjarige] om duidelijkheid te ervaren over wie beslissingen over hem mag nemen, en het belang dat deze beslissingen geen onnodige vertraging oplopen, weegt op dit moment zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag te behouden. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment, gelet op het voorgaande, geen minder ingrijpende maatregel mogelijk is dan een gezagsbeëindiging.
De rechtbank zal daarom het gezag van de moeder beëindigen.
5.5.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die dit voortaan zal doen. De gecertificeerde instelling heeft verklaard daartoe bereid te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling de voogdij moet krijgen. Uit de stukken en de toelichting ter zitting volgt dat de verhouding tussen de pleegouders en de vader van [minderjarige] complex is, waardoor de pleegouders de voogdij op dit moment niet kunnen dragen. Naar het oordeel van de rechtbank is het belangrijk dat [minderjarige] zo veel mogelijk rust ervaart en zo min mogelijk last heeft van de onrust rondom de volwassenen om hem heen. Als de pleegouders belast worden met de voogdij, zal die onrust mogelijk toenemen. Dit vindt de rechtbank niet in zijn belang. De gecertificeerde instelling kan de belangen behartigen van [minderjarige] en daarnaast als professionele instantie een onafhankelijke schakel zijn tussen alle betrokken volwassenen.
De rechtbank benadrukt dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] zal blijven. De rechtbank verwacht dat de gecertificeerde instelling zich de komende periode actief zal blijven inzetten om te bekijken welke mogelijkheden er zijn voor contactherstel en welke rol de moeder – nu zij het gezag niet meer heeft – nog wél kan vervullen in het leven van [minderjarige]. Dit begint ermee dat de rechtbank verwacht dat de gecertificeerde instelling pogingen blijft doen om in contact te komen met de moeder. De advocaat van de moeder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de bewindvoerder mogelijk actuele gegevens heeft van de moeder. Daarbij moet er ook aandacht zijn voor het vormgeven van het contact tussen [minderjarige] en zijn (half)zusje [naam 3]. Verder moet de gecertificeerde instelling de moeder actief op de hoogte houden van belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige].
5.6.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat de moeder aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige]. Dit betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.7.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1995 in [geboorteplaats 2], over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1];
6.2.
benoemt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.A. Keulen, mr. J.E. Bierling en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702698 / FA RK 26-3311
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. M. Nentjes uit Rotterdam,
[pleegouder 1]
en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige] is niet gekomen en heeft ook niet op een andere manier zijn mening kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft ter zitting het verzoek van de advocaat van de moeder om aanhouding van de behandeling van de zaak (zie hierna onder het kopje ‘de standpunten’), afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het belang van [minderjarige] om nu duidelijkheid te krijgen over het gezag en om zekerheid te krijgen over zijn opgroeiperspectief, zwaarder weegt dan het belang van de moeder om nogmaals een mogelijkheid te krijgen om bij de zitting aanwezig te zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat de moeder wel contact heeft gehad met de Raad en tijdens dit gesprek haar mening over het verzoek tot gezagsbeëindiging heeft kunnen delen. In dat gesprek is niet duidelijk naar voren is gekomen dat de moeder het oneens is met de gezagsbeëindiging en zij van plan is om uitdrukkelijk verweer te gaan voeren tegen het verzoek. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de moeder ook op eerdere zittingen niet (steeds) is verschenen.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader, [de vader].
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 oktober 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot (ook) 7 oktober 2026.
2.6.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 22 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Er is volgens de Raad sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de moeder is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen en de zorgen zelfstandig weg te nemen. [minderjarige] heeft op zeer jonge leeftijd te maken gehad met huiselijk geweld, onzekerheid en onvoorspelbaarheid. De moeder heeft persoonlijke (verslavings-)problematiek, waardoor zij de afgelopen jaren herhaaldelijk voor lange periodes uit beeld is geraakt en is teruggevallen in middelengebruik. De moeder was daardoor onvoldoende beschikbaar of bereikbaar voor de hulpverlening als gevolg waarvan zij niet (tijdig) besluiten over [minderjarige] kon nemen. Daarnaast is het de afgelopen jaren niet gelukt, ondanks de verschillende kansen die aan de moeder zijn geboden door de gecertificeerde instelling, om te komen tot contactherstel met [minderjarige]. Gelet op het voorgaande is een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk.
Volgens de Raad moet de voogdij belegd worden bij de gecertificeerde instelling. De pleegouders staan er op dit moment niet voor open om de voogdij te aanvaarden, omdat er volgens hen een zogenoemde buffer nodig is – in de vorm van de gecertificeerde instelling – als het gaat om het contact met de vader van [minderjarige].
Een minder ingrijpende maatregel of een vrijwillige plaatsing is niet mogelijk, vanwege het patroon dat de moeder laat zien waarin zij vaak uit contact treedt en niet bereikbaar is.
Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode gesprekken blijft voeren met [minderjarige] over het contact met zijn ouders en halfzusje. De moeder moet ook na beëindiging van het gezag geïnformeerd worden, en er moet worden onderzocht welke rol de moeder nog wel kan vervullen in het leven van [minderjarige]. Ten slotte zal jaarlijks geëvalueerd moeten worden of de pleegouders de voogdij willen en of kunnen gaan dragen.
4De standpunten
4.1.
Namens de moeder heeft de advocaat ter zitting het volgende naar voren gebracht. Zij staat de moeder al jarenlang bij, maar het is nu voor het eerst niet gelukt om de moeder voorafgaand aan de zitting te spreken. De advocaat benadrukt dat een gezagsbeëindigende maatregel de meest ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel is en [minderjarige] op dit moment nog jong is. Uit het raadsrapport volgt dat het beter gaat met de moeder en de advocaat heeft er vertrouwen in dat zij de moeder – mogelijk door contact met de bewindvoerder – nog wel kan bereiken. Daar komt bij dat de advocaat er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de gecertificeerde instelling zich nog daadwerkelijk actief zal gaan inzetten ten behoeve van de moeder, als zij haar gezag verliest. De advocaat vindt het belangrijk dat de moeder nog één kans wordt geboden om haar standpunt op een zitting kenbaar te maken , zodat de rechtbank op basis van wat de moeder dan naar voren brengt, een weloverwogen beslissing kan nemen. Dit is volgens de advocaat ook belangrijk voor de acceptatie van de moeder van de beslissing van de rechtbank. De advocaat verzoekt daarom om een korte aanhouding van de behandeling van de zaak. De advocaat heeft ook nog op het volgende gewezen. Door de Raad is gesteld dat de moeder niet zou meewerken aan gezagsbeslissingen en dat hiervoor meermaals vervangende toestemming zou zijn verzocht bij de rechtbank. Dit klopt volgens de advocaat van de moeder niet. Zoals bij eerdere zittingen ook is gebleken, is de gecertificeerde instelling het formulier van de moeder met haar de handtekening voor het aanvragen van het ID-bewijs voor [minderjarige] kwijtgeraakt. Ook als het gaat om de hulpverlenging van [zorginstantie] voor [minderjarige], heeft de moeder haar medewerking verleend.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. De huidige jeugdbeschermer heeft nog geen contact gehad met de moeder. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige] en hij maakt goede stappen in zijn ontwikkeling. De therapie bij [zorginstantie] – onder meer gericht op de hechtingsrelatie met de pleegouders – is positief afgerond. [minderjarige] vraagt zelf niet naar zijn moeder. Als de jeugdbeschermer hem vraagt wat hij vindt van contact met de moeder, dan geeft hij aan dat hij het niet goed weet en haalt hij zijn schouders op. Het is voor hem ook al heel lang geleden dat er contact is geweest.
5De beoordeling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Bij beschikking van 26 juli 2024 heeft de rechtbank al geoordeeld dat op zichzelf is voldaan aan de vereisten voor een beëindiging van het gezag van de moeder op grond van artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is destijds echter afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel was dat de belangen van [minderjarige] niet werden geschaad als de moeder het gezag zou behouden. De beëindiging van het gezag vormde op dat moment volgens de rechtbank dan ook geen gerechtvaardigde inmenging in het privé- en gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank was van oordeel dat in ieder geval nader onderzocht moest worden of er andere minder ingrijpende opties waren. Op dat moment ging het beter met de moeder en toonde zij aan bereid te zijn haar verantwoordelijkheid te nemen in het geven van toestemming voor belangrijke beslissingen. De rechtbank heeft in deze beslissing ook overwogen dat de moeder – als zij het gezag behoudt - meer mogelijkheden heeft in het contact met de gecertificeerde instelling om een actieve houding ten aanzien van het contactherstel met [minderjarige] te bewerkstelligen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel – met verwijzing naar de onderbouwing van de beschikking van 26 juli 2024 – dat wordt voldaan aan de gronden uit artikel 1:266 lid 1 sub a BW voor een gezagsbeëindiging. Het opgroeiperspectief van [minderjarige] is onveranderd en ligt in het pleeggezin. Daarnaast is de verslavings- en borderline problematiek van de moeder – met vallen en opstaan – nog onverminderd aanwezig, waardoor zij nog steeds voor een periode uit beeld verdwijnt en beperkt of niet bereikbaar is voor de gecertificeerde instelling. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of thans wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en beëindiging van het gezag van de moeder daarom een gerechtvaardigde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven. De rechtbank moet in dat licht beoordelen of het gevolg van het beëindigen van het gezag in een redelijke verhouding staat tot het doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop, en moeten worden afgewogen tegen de belangen van de ouder, in dit geval de moeder.
5.4.
De rechtbank constateert dat de moeder het afgelopen jaar weer voor een lange periode bij de gecertificeerde instelling uit beeld is geraakt. Daarnaast is het de afgelopen twee jaar niet gelukt – ondanks de actieve inzet van de gecertificeerde instelling – om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen. In 2025 heeft de gecertificeerde instelling een duidelijk en concreet plan opgesteld om het contact zorgvuldig op te bouwen, maar dit is niet van de grond gekomen. Zelfs het sturen van een kaartje door de moeder aan [minderjarige] is niet gelukt. Hierdoor is de (verdrietige) situatie ontstaan dat [minderjarige] en de moeder elkaar al ruim twee en een half jaar niet meer hebben gezien of gesproken. De huidige jeugdbeschermer, die nu zes maanden betrokken is, heeft ook nog geen contact gehad met de moeder. Daarnaast volgt uit de stukken en de toelichting op de zitting dat de moeder de afgelopen jaren opnieuw (meermaals) is teruggevallen in middelengebruik. Op die momenten is zij volledig uit beeld en niet bereikbaar voor de hulpverlening, jeugdbeschermer of voor andere betrokkenen. Bij de Raad heeft de moeder ook te kennen gegeven dat zij een nieuw nummer en een nieuwe e-mailadres heeft genomen (wat niet is doorgegeven aan de gecertificeerde instelling) om zich te kunnen focussen op het afkicken. Hoewel de rechtbank dit kan begrijpen, stelt zij ook vast dat de moeder niet uit zichzelf contact heeft gezocht met de gecertificeerde instelling of andere betrokkenen bij de zorg om [minderjarige]. Door het gebrek aan contact tussen de moeder en [minderjarige] en tussen de moeder en bijvoorbeeld de gecertificeerde instelling en de pleegouders, is zij ook al geruime tijd niet op de hoogte van de belangrijke gebeurtenissen en beslissingen in het leven van [minderjarige]. De rechtbank ziet, net als de Raad, dat dit voortkomt uit onmacht en niet direct uit onwil, maar dit is nu wel de feitelijke situatie. De rechtbank kan , gelet op het voorgaande, dan ook niet anders dan concluderen dat de moeder niet in staat is om haar gezag (feitelijk) uit te oefenen. Hoewel de afgelopen jaren is geprobeerd om de moeder te betrekken in het leven [minderjarige], stelt de rechtbank vast dat het – na de beslissing van 26 juli 2024 - niet is gelukt om hierin (enige) vooruitgang te boeken. De moeder heeft daardoor geen zicht op het huidige leven van [minderjarige] en zijn behoeften en wensen, waardoor zij geen beslissingen kan nemen over wat het beste voor [minderjarige] is. Het belang van [minderjarige] om duidelijkheid te ervaren over wie beslissingen over hem mag nemen, en het belang dat deze beslissingen geen onnodige vertraging oplopen, weegt op dit moment zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag te behouden. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment, gelet op het voorgaande, geen minder ingrijpende maatregel mogelijk is dan een gezagsbeëindiging.
De rechtbank zal daarom het gezag van de moeder beëindigen.
5.5.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die dit voortaan zal doen. De gecertificeerde instelling heeft verklaard daartoe bereid te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling de voogdij moet krijgen. Uit de stukken en de toelichting ter zitting volgt dat de verhouding tussen de pleegouders en de vader van [minderjarige] complex is, waardoor de pleegouders de voogdij op dit moment niet kunnen dragen. Naar het oordeel van de rechtbank is het belangrijk dat [minderjarige] zo veel mogelijk rust ervaart en zo min mogelijk last heeft van de onrust rondom de volwassenen om hem heen. Als de pleegouders belast worden met de voogdij, zal die onrust mogelijk toenemen. Dit vindt de rechtbank niet in zijn belang. De gecertificeerde instelling kan de belangen behartigen van [minderjarige] en daarnaast als professionele instantie een onafhankelijke schakel zijn tussen alle betrokken volwassenen.
De rechtbank benadrukt dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] zal blijven. De rechtbank verwacht dat de gecertificeerde instelling zich de komende periode actief zal blijven inzetten om te bekijken welke mogelijkheden er zijn voor contactherstel en welke rol de moeder – nu zij het gezag niet meer heeft – nog wél kan vervullen in het leven van [minderjarige]. Dit begint ermee dat de rechtbank verwacht dat de gecertificeerde instelling pogingen blijft doen om in contact te komen met de moeder. De advocaat van de moeder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de bewindvoerder mogelijk actuele gegevens heeft van de moeder. Daarbij moet er ook aandacht zijn voor het vormgeven van het contact tussen [minderjarige] en zijn (half)zusje [naam 3]. Verder moet de gecertificeerde instelling de moeder actief op de hoogte houden van belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige].
5.6.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat de moeder aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige]. Dit betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.7.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1995 in [geboorteplaats 2], over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1];
6.2.
benoemt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.A. Keulen, mr. J.E. Bierling en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.