Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21838
2026-07-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/8266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pensioen omgezet naar norm gehuwden ivm nieuw huwelijk. Beroep ongegrond
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2020:1170 Centrale Raad van Beroep 26-05-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:2989 Centrale Raad van Beroep 19-08-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:2918 Centrale Raad van Beroep 25-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2017:172 Centrale Raad van Beroep 13-01-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.151 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8266 AOW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
verweerder.
(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).
Inleiding
Met het besluit van 16 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiser krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) per september 2024 herzien naar de norm voor gehuwden.
Met het besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij dat besluit gebleven.
Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt dat door verweerder ter behandeling als beroep is doorgezonden.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Totstandkoming besluit
1. Per 11 september 2017 is aan eiser een pensioen naar de norm voor gehuwden ingevolge de AOW toegekend. In verband met het overlijden van zijn partner op 7 oktober 2021 is vanaf 1 oktober 2021 het pensioen van eiser gewijzigd naar een alleenstaandenpensioen. Op 12 augustus 2024 ontving de SVB van de Basisregistratie Personen (BRP) de melding dat eiser sinds 8 augustus 2024 opnieuw is gehuwd. Naar aanleiding van de gewijzigde situatie van eiser, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Op 20 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser en zijn nieuwe partner om meer informatie over hun woonsituatie gevraagd. In verband daarmee hebben eiser en zijn partner op 27 augustus 2024 en 2 september 2024 de formulieren onderzoek woonsituatie ingevuld. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet ter discussie staat dat eiser en zijn partner (ten tijde van de aanvraag) op verschillende adressen wonen. Verweerder vindt echter dat, gelet op de verkregen informatie, er geen sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven.
Standpunt eiser in beroep
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij weliswaar getrouwd is, maar dat hij niet met zijn partner samenwoonde. Hij en zijn partner voerden gescheiden huishoudens. Zijn partner woonde in [plaats 1] waar zij ook werkt en hijzelf woont en werkt in [plaats 2]. Eiser stelt dat hij daarom ernstig bezwaar heeft tegen de korting die op zijn AOW-pensioen is toegepast. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat pas sinds vorig jaar oktober sprake is van een duurzame relatie en dat toen zijn partner bij hem is gaan wonen.
Overwegingen van de rechtbank
4. In deze procedure ligt de vraag voor of verweerder vanaf september 2024 terecht het AOW-pensioen van eiser van de norm van een alleenstaanden naar de norm voor gehuwden heeft gewijzigd.
5. Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven ook niet relevant. Voorts kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben om – al dan niet op termijn – een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan, maar is niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van duurzaam gescheiden leven ligt bij eiser. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de CRvB van 26 mei 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1170), van 19 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2989) van 25 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2918) en van 13 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:172).
6. In verband met het begrip duurzaam gescheiden leven hanteert verweerder beleid zoals dar is neergelegd in de beleidsregels SB1002. Hierin is, voor zover hier van belang, opgenomen dat gehuwden als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt indien:
• er sprake is van een door (een van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was, of
• er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is geworden en feitelijk en (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken. Indien beide betrokkenen in laatstbedoelde situatie evenwel aangeven bij voortduring als gehuwd te willen worden aangemerkt dan wordt deze wens gerespecteerd, waarbij niet van belang is of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren.
7. Gelet op bovenstaande jurisprudentie alsmede het beleid van verweerder moet voorop worden gesteld dat bij gehuwden de status van gehuwd zijn leidend is, tenzij het tegendeel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.
7.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder aan de hand van de door eiser en zijn partner ingevulde formulieren over hun woonsituatie ten tijde van belang de volgende feiten en omstandigheden bij het bestreden besluit betrokken:
- Een paar keer per week is er telefonisch contact tussen eiser en zijn partner en tweemaal per week is er fysiek contact met zijn partner.
- Twee weken per jaar gaan eiser en zijn partner samen op vakantie.
- Binnen een halfjaar gaat eiser met zijn partner samenwonen.
- Er is sprake van gezamenlijke activiteiten.
- Eiser heeft aangegeven dat er sprake is van een latrelatie.
- Met zijn nieuwe partner heeft eiser een gezamenlijke rekening heeft.
- Eiser presenteert zich met zijn partner als stel aan anderen.
7.2.
Hoewel eiser en zijn partner op de ingevulde formulieren van 27 augustus 2024 en 2 september 2024 over hun woonsituatie hebben benadrukt dat zij niet samenwonen en eigen huishoudens hebben, is het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben volgens de hiervoor onder r.o. 5 aangehaalde vaste jurisprudentie van de CRvB niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De motieven daarvoor zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven ook niet relevant.
7.3.
Daarbij is van belang dat eiser ook in zijn bezwaarschrift heeft meegedeeld dat hij met zijn partner zou gaan samenwonen. Daarmee is gegeven dat eiser toen al de intentie had om met zijn partner te gaan samenwonen op één woonadres. Eiser heeft op formulier van 26 augustus 2024 ook vermeld dat het samenwonen binnen anderhalf jaar zou gebeuren. Vaststaat dat eiser in oktober 2024 ook daadwerkelijk met zijn partner is gaan samenwonen.
7.4.
Verder komt uit de ingevulde formulieren over de woonsituatie van 27 augustus 2024 en 2 september 2024 naar voren dat eiser en zijn partner in de relevante periode een gezamenlijke bankrekening hebben waarmee zij de boodschappen voor koken betalen. Er is dus ook sprake van financiële verstrengeling. Mede gelet op de omvang en de frequentie van de contacten tussen eiser en zijn partner.
7.5
Gelet op het bovenstaand heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de in het bestreden besluit vermelde feiten en omstandigheden over de relatie van eiser met zijn partner zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in de relevante periode geen sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven. Verweerder heeft derhalve terecht de norm voor gehuwden toegepast.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
De griffier is niet in staat de uitspraakmede te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8266 AOW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
verweerder.
(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).
Inleiding
Met het besluit van 16 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiser krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) per september 2024 herzien naar de norm voor gehuwden.
Met het besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij dat besluit gebleven.
Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt dat door verweerder ter behandeling als beroep is doorgezonden.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Totstandkoming besluit
1. Per 11 september 2017 is aan eiser een pensioen naar de norm voor gehuwden ingevolge de AOW toegekend. In verband met het overlijden van zijn partner op 7 oktober 2021 is vanaf 1 oktober 2021 het pensioen van eiser gewijzigd naar een alleenstaandenpensioen. Op 12 augustus 2024 ontving de SVB van de Basisregistratie Personen (BRP) de melding dat eiser sinds 8 augustus 2024 opnieuw is gehuwd. Naar aanleiding van de gewijzigde situatie van eiser, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Op 20 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser en zijn nieuwe partner om meer informatie over hun woonsituatie gevraagd. In verband daarmee hebben eiser en zijn partner op 27 augustus 2024 en 2 september 2024 de formulieren onderzoek woonsituatie ingevuld. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet ter discussie staat dat eiser en zijn partner (ten tijde van de aanvraag) op verschillende adressen wonen. Verweerder vindt echter dat, gelet op de verkregen informatie, er geen sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven.
Standpunt eiser in beroep
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij weliswaar getrouwd is, maar dat hij niet met zijn partner samenwoonde. Hij en zijn partner voerden gescheiden huishoudens. Zijn partner woonde in [plaats 1] waar zij ook werkt en hijzelf woont en werkt in [plaats 2]. Eiser stelt dat hij daarom ernstig bezwaar heeft tegen de korting die op zijn AOW-pensioen is toegepast. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat pas sinds vorig jaar oktober sprake is van een duurzame relatie en dat toen zijn partner bij hem is gaan wonen.
Overwegingen van de rechtbank
4. In deze procedure ligt de vraag voor of verweerder vanaf september 2024 terecht het AOW-pensioen van eiser van de norm van een alleenstaanden naar de norm voor gehuwden heeft gewijzigd.
5. Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven ook niet relevant. Voorts kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben om – al dan niet op termijn – een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan, maar is niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van duurzaam gescheiden leven ligt bij eiser. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de CRvB van 26 mei 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1170), van 19 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2989) van 25 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2918) en van 13 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:172).
6. In verband met het begrip duurzaam gescheiden leven hanteert verweerder beleid zoals dar is neergelegd in de beleidsregels SB1002. Hierin is, voor zover hier van belang, opgenomen dat gehuwden als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt indien:
• er sprake is van een door (een van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was, of
• er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is geworden en feitelijk en (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken. Indien beide betrokkenen in laatstbedoelde situatie evenwel aangeven bij voortduring als gehuwd te willen worden aangemerkt dan wordt deze wens gerespecteerd, waarbij niet van belang is of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren.
7. Gelet op bovenstaande jurisprudentie alsmede het beleid van verweerder moet voorop worden gesteld dat bij gehuwden de status van gehuwd zijn leidend is, tenzij het tegendeel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.
7.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder aan de hand van de door eiser en zijn partner ingevulde formulieren over hun woonsituatie ten tijde van belang de volgende feiten en omstandigheden bij het bestreden besluit betrokken:
- Een paar keer per week is er telefonisch contact tussen eiser en zijn partner en tweemaal per week is er fysiek contact met zijn partner.
- Twee weken per jaar gaan eiser en zijn partner samen op vakantie.
- Binnen een halfjaar gaat eiser met zijn partner samenwonen.
- Er is sprake van gezamenlijke activiteiten.
- Eiser heeft aangegeven dat er sprake is van een latrelatie.
- Met zijn nieuwe partner heeft eiser een gezamenlijke rekening heeft.
- Eiser presenteert zich met zijn partner als stel aan anderen.
7.2.
Hoewel eiser en zijn partner op de ingevulde formulieren van 27 augustus 2024 en 2 september 2024 over hun woonsituatie hebben benadrukt dat zij niet samenwonen en eigen huishoudens hebben, is het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben volgens de hiervoor onder r.o. 5 aangehaalde vaste jurisprudentie van de CRvB niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De motieven daarvoor zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven ook niet relevant.
7.3.
Daarbij is van belang dat eiser ook in zijn bezwaarschrift heeft meegedeeld dat hij met zijn partner zou gaan samenwonen. Daarmee is gegeven dat eiser toen al de intentie had om met zijn partner te gaan samenwonen op één woonadres. Eiser heeft op formulier van 26 augustus 2024 ook vermeld dat het samenwonen binnen anderhalf jaar zou gebeuren. Vaststaat dat eiser in oktober 2024 ook daadwerkelijk met zijn partner is gaan samenwonen.
7.4.
Verder komt uit de ingevulde formulieren over de woonsituatie van 27 augustus 2024 en 2 september 2024 naar voren dat eiser en zijn partner in de relevante periode een gezamenlijke bankrekening hebben waarmee zij de boodschappen voor koken betalen. Er is dus ook sprake van financiële verstrengeling. Mede gelet op de omvang en de frequentie van de contacten tussen eiser en zijn partner.
7.5
Gelet op het bovenstaand heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de in het bestreden besluit vermelde feiten en omstandigheden over de relatie van eiser met zijn partner zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in de relevante periode geen sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven. Verweerder heeft derhalve terecht de norm voor gehuwden toegepast.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
De griffier is niet in staat de uitspraakmede te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.