Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21837

2026-05-28 Civiel recht C/09/702264 / KG ZA 26-323
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-28
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/09/702264 / KG ZA 26-323
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen deelgenoten over ontvangen huurpenningen voor panden in gezamenlijke eigendom en over de voor die panden gemaakte kosten. Vordering tot afdracht huurpenningen, betaling voorgeschoten kosten en tot medewerking verkoop panden. Gedeeltelijke toewijzing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.359 tekens)
Rechtbank den haag


Team handel - voorzieningenrechter



zaak- / rolnummer: C/09/702264/ KG ZA 26-323




Vonnis in kort geding van 28 mei 2026




in de zaak van





1 [eiseres 1] te [woonplaats 1] ,


2. [eiseres 2] te [woonplaats 2] ,
eiseressen in conventie,
verweersters in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. J.M.E. Hamming,



tegen:





[gedaagde] te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. M. Smit.



Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres 1] ’ en ‘ [eiseres 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’. [eiseres 1] en [eiseres 2] worden gezamenlijk aangeduid als ‘ [eiseressen] c.s.’.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2026 met producties 1 tot en met 11;
- de door [gedaagde] overgelegde conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;
- de nader door [eiseressen] c.s. overgelegde producties 12 tot en met 22;
- de op 21 april 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- de pleitnota van mr. Hamming;
- de pleitnota van mr. Smit;
- de berichten van partijen van 6 mei 2026, waarbij van de zijde van [gedaagde] nog productie 13 is overgelegd.




1.2.
Na de zitting is de zaak enige tijd aangehouden geweest, onder meer om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Uit de berichten van 6 mei 2026 van partijen is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, zodat vonnis zal worden gewezen. [eiseressen] c.s. maken bezwaar tegen de door [gedaagde] ingediende aanvullende productie en verzoeken de voorzieningenrechter deze productie buiten beschouwing te laten. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, zal de voorzieningenrechter in de beoordeling beslissen op dit bezwaar.



1.3.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten in conventie en in reconventie


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.



2.1.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de appartementen aan de [adres 1] Den Haag en de [adres 2] Den Haag (hierna: de panden). [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn ieder voor 25% gerechtigd tot de panden en [gedaagde] is daarin gerechtigd voor 50%.



2.2.
Partijen hebben de panden in december 2020 aangekocht als investering. Voor de aankoop van de panden zijn (deels aflosvrije) hypothecaire geldleningen afgesloten. Partijen zijn allen hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen die voortvloeien uit die hypothecaire geldleningen.



2.3.
De VvE- en hypotheeklasten verbonden aan de panden, worden betaald door [eiseressen] c.s.



2.4.

[gedaagde] is gehuwd met de moeder van [eiseres 1] (hierna: [naam] ). [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn partners.



2.5.

[naam] bezit een makelaarskantoor in Den Haag, [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Voorheen was [gedaagde] eigenaar van [bedrijf] . [eiseres 1] is werkzaam geweest bij [bedrijf] .



2.6.
De panden zijn tot en met 2025 steeds verhuurd geweest. [eiseressen] c.s. droegen daarbij zorg voor het innen van de huur, het betalen van de lasten en het afdragen van een deel van de huurpenningen aan [gedaagde] .



2.7.
Tussen partijen zijn geschillen ontstaan ten aanzien van de panden, in het bijzonder over de huuropbrengsten.



2.8.
Tussen [eiseres 1] en [bedrijf] is eveneens een arbeidsgeschil ontstaan. Op verzoek van [bedrijf] is bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 21 oktober 2025 de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres 1] en [bedrijf] ontbonden met ingang van 1 december 2025.



2.9.
De verhouding tussen partijen is daarna verder verslechterd. [gedaagde] heeft in september 2025 de wens geuit om de panden te verkopen. Daar hebben [eiseressen] c.s. zich aanvankelijk tegen verzet. In januari 2026 zijn zij alsnog akkoord gegaan met de verkoop van de panden. Tot een verkoop van de panden is het niet gekomen, aangezien [gedaagde] daarvoor niet meer voelde.



2.10.
De verhuur van het pand aan de [adres 2] eindigde op 8 oktober 2025. Vanaf 9 oktober 2025 hebben [eiseressen] c.s. dat pand opnieuw verhuurd. Die huur is eind december 2025 vroegtijdig beëindigd. Ook de huur van het pand aan de [adres 1] is eind december 2025 geëindigd.



2.11.
Vanaf januari 2026 verhuurt [gedaagde] (via [bedrijf] ) de panden. De huurovereenkomst van de [adres 1] loopt van 16 januari 2026 tot 15 januari 2027. De huurprijs bedraagt € 2.995 per maand inclusief kosten. [adres 2] is verhuurd tot 31 mei 2026 voor een huurprijs van € 2.495 per maand inclusief kosten.



2.12.
Bij brief van 13 maart 2026 heeft de advocaat van [eiseressen] c.s. [gedaagde] gesommeerd om het aandeel van [eiseressen] c.s. in de huuropbrengsten van de panden aan hen te betalen.



2.13.
In reactie daarop heeft de advocaat van [gedaagde] op 3 april 2026 geschreven dat [gedaagde] (dan wel [bedrijf] ) bedragen van € 3.823 en € 8.641,57 heeft geïnvesteerd in de panden als gevolg van achterstallig onderhoud en voor noodzakelijke vernieuwingen en renovaties en dat de helft van deze kosten zullen worden verrekend met de huurafdrachten aan [eiseressen] c.s.



2.14.

[eiseressen] c.s. zijn daarna dit kort geding gestart.






3Het geschil



in conventie




3.1.

[eiseressen] c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:




[gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiseressen] c.s. te betalen een bedrag van € 13.015,23 voor de huurpenningen van januari tot en met mei 2026, althans afdracht van 50% van de sedert januari 2026 tot en met mei 2026 door of namens hem geïncasseerde huurpenningen voor de panden de [adres 1] en de [adres 2] , beide te Den Haag;



[gedaagde] te veroordelen om telkens binnen vijf dagen na ontvangst van de in de toekomst nog door hem vanaf juni 2026 te ontvangen huurpenningen voor de onder 1 genoemde panden, 50% aan [eiseressen] c.s. door te betalen, tot het moment dat [eiseres 1] niet meer gerechtigd zijn tot de panden of totdat deze niet meer verhuurd en dus ontruimd zijn;



[gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiseressen] c.s. te betalen een bedrag van € 4.675,00 in verband met door [eiseres 1] voorgeschoten kosten vanaf januari tot en met mei 2026;



[gedaagde] te veroordelen om per 1 juni 2026 aan [eiseressen] c.s. een bedrag van € 935,23 per maand aan voorgeschoten kosten VvE en hypotheeklasten te betalen, tot het moment dat [eiseressen] c.s. niet meer gerechtigd zijn tot de panden;



[gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiseressen] c.s. schriftelijk goed leesbare kopieën van de door de huurder getekende huurovereenkomst(en) voor het pand aan de [adres 2] te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000;



[gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiseressen] c.s. een schriftelijke verklaring van de huurders van de panden te verstrekken waaruit blijkt dat zij het huishoudelijk reglement van de VvE hebben geaccepteerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000;



[gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiseressen] c.s. een schriftelijke verklaring van de huurders van de panden te verstrekken waaruit blijkt dat aan hen informatie over het puntenstelsel, het energielabel en hun rechten en plichten is verschaft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000;



[gedaagde] te verbieden om met betrekking tot de panden huurovereenkomsten aan te gaan en/of te verlengen zonder daaraan voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiseressen] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000 per pand en per keer dat [gedaagde] niet aan dit verbod voldoet, met een maximum van € 100.000;



[eiseressen] c.s. te machtigen de panden via een van de door hen genoemde makelaarskantoren te koop aan te bieden en te mogen verkopen voor een prijs van minimaal € 260.000 voor de [adres 1] en van minimaal € 430.000 voor de [adres 2] en minimaal € 20.000 voor de aldaar geleden parkeerplaats;



[gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van [eiseressen] c.s. of de makelaar binnen vijf dagen de balkonsleutel van het pand aan de [adres 2] en de afstandsbediening van de parkeerplaats te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000;



[gedaagde] te veroordelen om mee te werken aan de notariële levering van de panden na het tot stand komen van de koop van één of beide panden voor de minimale verkoopprijs als genoemd onder 9, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 50.000;



[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.





3.2.
Daartoe voeren [eiseressen] c.s. – kort samengevat – het volgende aan. [eiseressen] c.s. zijn gerechtigd tot 50% van de huuropbrengsten van de panden, maar [gedaagde] weigert de helft van de huur aan hen af te dragen. Dit terwijl [eiseressen] c.s. nog steeds de VvE- en hypotheeklasten voldoen. Dit is financieel niet houdbaar voor [eiseressen] c.s., die noodgedwongen de lasten uit eigen spaargelden hebben voorgeschoten. [eiseressen] c.s. hebben de huuropbrengsten dan ook nodig om de lasten te kunnen blijven betalen. [gedaagde] moet de huuropbrengsten aan [eiseressen] c.s. afdragen en hij moet ook bijdragen in de VvE- en hypotheeklasten. Daarnaast dienen de panden te worden verkocht, omdat [eiseressen] c.s. niet meer in onverdeeldheid wensen te blijven met [gedaagde] . [eiseressen] c.s. moeten worden gemachtigd om de panden te verkopen en [gedaagde] moet worden veroordeeld om mee te werken aan de levering van de panden. Verder moet [gedaagde] worden verboden om huurovereenkomsten aan te gaan zonder schriftelijke toestemming van [eiseressen] c.s. Ook moet [gedaagde] worden veroordeeld om aan [eiseressen] c.s. de huurovereenkomsten met betrekking tot de panden alsmede schriftelijke verklaringen van de huurders te verstrekken, aldus nog steeds [eiseressen] c.s.



3.3.

[gedaagde] voert verweer, in welk kader hij onder meer bepleit dat de panden (nog) niet van de hand dienen te worden gedaan. Het verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.



in (voorwaardelijke) reconventie





3.4.

[gedaagde] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. in het geval [gedaagde] wordt veroordeeld tot afdracht van de huurpenningen van januari tot en met april 2026, dan wel een deel daarvan, [eiseressen] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.541,06 aan voor de panden gemaakte kosten;
II. [eiseressen] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 350,14 aan gemeentebelastingen 2025;
III. [eiseressen] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het verstrekken van de getekende huurovereenkomst van de [adres 2] voor de periode van oktober 2025 tot december 2025, schriftelijke verklaringen van alle oud-huurders van beide panden dat zij het huishoudelijk reglement van de VvE hebben aanvaard, alsmede bewijsstukken waaruit blijkt dat zij zijn geïnformeerd over het puntenstelsel en het energielabel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat zij hieraan niet voldoen, met een maximum van € 10.000 per overtreding;
IV. [eiseressen] c.s. te verbieden om met betrekking tot de panden (huur)overeenkomsten aan te gaan of te verlengen zonder daaraan voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000.




3.5.
Daartoe voert [gedaagde] – samengevat – het volgende aan. Er zijn kosten gemaakt voor het renoveren van de panden, zodat de panden weer konden worden verhuurd. Die kosten bedrag momenteel ongeveer € 15.000 en [eiseressen] c.s. zijn gehouden om de helft daarvan te voldoen. Dat geldt ook voor de gemeentelijke belastingen die [gedaagde] heeft betaald. Daarnaast dienen [eiseressen] c.s. aan [gedaagde] de huurovereenkomst van de [adres 2] die gold in de periode oktober tot en met december 2025 te overleggen alsmede schriftelijke verklaringen van alle oud-huurders van de panden.



3.6.

[eiseressen] c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.






4De beoordeling van het geschil



in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie




4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie, worden deze hierna gezamenlijk behandeld.



4.2.
Ter beoordeling ligt in de eerste plaats voor de vraag of de panden al dan niet in de verkoop moeten. Verder is een centraal punt van geschil of [gedaagde] aan [eiseressen] c.s. de helft van de sinds januari 2026 door hem geïnde huurpenningen, alsmede de helft van de door [eiseressen] c.s. betaalde, aan de panden verbonden lasten moet voldoen of dat betaling daarvan (thans) achterwege mag blijven vanwege te verrekenen vorderingen.



4.3.
De voorzieningenrechter zal eerst over de panden oordelen. Partijen hebben de panden destijds aangekocht als beleggingsvastgoed voor in beginsel minimaal tien jaar. Het idee was dat de panden na die periode met winst konden worden verkocht. [eiseressen] c.s. wensen echter niet langer in een onverdeelde gemeenschap met [gedaagde] te blijven, omdat partijen niet meer met elkaar door één deur kunnen. [gedaagde] verzet zich hiertegen. De voorzieningenrechter leidt uit de door partijen overgelegde stukken en de opstelling van partijen op zitting af dat de verhouding tussen hen dusdanig is verstoord dat een vruchtbare samenwerking thans niet meer mogelijk is. [eiseres 1] heeft al anderhalf jaar geen contact met [gedaagde] en haar moeder. Daarbij is de arbeidsrelatie tussen [eiseres 1] en [bedrijf] door rechterlijke tussenkomst geëindigd. Bij deze stand van zaken kan van [eiseressen] c.s. niet worden gevergd dat zij nog langer in onverdeeldheid met [gedaagde] blijven zitten. Het aanhouden van de panden zal alleen nog maar tot meer conflicten tussen partijen leiden. Dat betekent dat de panden dienen te worden verkocht.



4.4.
De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van [gedaagde] dat verdeling is uitgesloten omdat de periode van tien jaar nog niet is verstreken. Partijen hadden weliswaar mogelijk de intentie om de panden minimaal tien jaar aan te houden (bij wijze van gebruikelijke beleggingshorizon), maar van een harde afspraak hieromtrent is niet gebleken. Ook wordt voorbijgegaan aan het betoog van [gedaagde] dat hij niet kan worden gedwongen tot verkoop, omdat deze belegging was bedoeld voor zijn pensioen en het gelet op zijn gevorderde leeftijd niet meer mogelijk is om vergelijkbare beleggingen (met eenzelfde lage rentepercentage) te doen als de panden worden verkocht. Het belang van [gedaagde] bij het aanhouden van de panden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden niet prevaleren boven het belang van [eiseressen] c.s. bij de verkoop daarvan. In dit oordeel weegt mee dat ook [gedaagde] door de verstoorde verhoudingen tot voor kort nog de wens had om de panden te verkopen. Dat [gedaagde] zich gelet op de onzekerheid in de financiële markten heeft bedacht, kan geen reden zijn om [eiseressen] c.s. te dwingen in niet-werkbare verhoudingen mede-eigenaren te blijven. Bovendien staat het [gedaagde] vrij om te inventariseren of het voor hem financieel mogelijk is om het aandeel van [eiseressen] c.s. in een of beide panden tegen de huidige hypotheekvoorwaarden over te nemen of mee te bieden in het verkoopproces.



4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voert het te ver om [eiseressen] c.s. te machtigen voor de verkoop en [gedaagde] volledig buiten het verkoopproces te houden. In plaats daarvan zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de panden en van de parkeerplaats behorende bij de [adres 2] . Hierbij zal het zogenoemde ‘spoorboekje’ worden gehanteerd. Het pand aan de [adres 2] is tot juni 2026 verhuurd, zodat het direct in de verkoop kan worden gezet en zo spoedig mogelijk aan een koper kan worden geleverd. Het pand aan de [adres 1] is verhuurd tot 15 januari 2027. Dit pand kan ook direct in de verkoop worden gezet, maar de voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat dit pand alleen als daarover overeenstemming bestaat tussen partijen in verhuurde staat mag worden verkocht. [gedaagde] wenst de verkoop van de panden in voorkomend geval te laten geschieden via [bedrijf] . De voorzieningenrechter is echter met [eiseressen] c.s. van oordeel dat het de voorkeur verdient om een onafhankelijk makelaarskantoor de verkoop ter hand te laten nemen. [eiseressen] c.s. hebben in de dagvaarding (randnummer 62) een lijst met makelaars genoemd. Het ligt voor de hand dat [gedaagde] daaruit binnen een week na heden een keuze maakt, bij gebreke waarvan [eiseressen] c.s. zullen mogen kiezen. Partijen zullen gezamenlijk een schriftelijke bemiddelings-overeenkomst dienen te ondertekenen met de gekozen makelaar.



4.6.
Partijen hebben verschillende opvattingen over de te hanteren vraag- en laatprijs voor de panden. Indien partijen daar geen overeenstemming over kunnen bereiken, zal de gekozen makelaar partijen bindend adviseren over de vraag- en laatprijs. De makelaar zal toegang moeten worden verschaft tot de panden. Partijen dienen daaraan mee te werken. Daaronder valt mede het verstrekken van de balkonsleutel van de [adres 2] en de afstandsbediening van de parkeerplaats door [gedaagde] aan de makelaar. [gedaagde] heeft zich hiertoe ook bereid verklaard. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] zich aan deze toezegging houdt, zodat het vooralsnog niet nodig is om hier een dwangsom aan te verbinden. Indien een verkoop wordt gerealiseerd, dienen partijen mee te werken aan het ondertekenen van de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte. Voor het geval [gedaagde] onverhoopt niet (tijdig) meewerkt, zal worden bepaald dat dit vonnis in de plaats zal treden van de voor de verkoop en levering vereiste wilsverklaringen van [gedaagde] . [eiseressen] c.s. hebben daar voldoende belang bij.



4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de andere partij de panden niet opnieuw eigenstandig verhuurt. Nu is gebleken dat partijen de panden in het verleden op eigen initiatief en zonder elkaars medeweten en toestemming hebben verhuurd, is er voldoende aanleiding om – zoals over en weer gevorderd – te bepalen dat het partijen is verboden de panden te verhuren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van elkaar. Dat [eiseressen] c.s. op dit moment niet voornemens zijn om de panden opnieuw te verhuren, doet daar niet aan af. Aan de veroordelingen zal de voorzieningenrechter een dwangsom verbinden, die zo nodig zal worden gemaximeerd.



4.8.
Ten aanzien van de huurinkomsten van de panden geldt dat niet in geschil is dat [eiseressen] c.s. gerechtigd zijn tot 50% daarvan. [gedaagde] verweert zich met de stelling dat hij een tegenvordering heeft op [eiseressen] c.s., omdat aan hem in de afgelopen jaren structureel te weinig huur zou zijn afgedragen (volgens hem vermoedelijk € 30.000) en hij aanzienlijke kosten heeft gemaakt voor noodzakelijke (renovatie)werkzaamheden aan de panden. Deze kosten raamt [gedaagde] momenteel op ongeveer € 15.000, maar volgens hem zullen deze kosten nog oplopen. [eiseressen] c.s. betwisten dat zij te weinig huur hebben afgedragen. Ook betwisten [eiseressen] c.s. de door [gedaagde] gemaakte kosten voor de vermeende werkzaamheden aan de panden en de noodzaak voor de gestelde werkzaamheden. Uit de door [gedaagde] als productie 7 overgelegde foto’s kan echter worden afgeleid dat in een van de panden sprake was van ernstige schimmelvorming en dat het pand nog meer gebreken vertoonde. Dit heeft [eiseres 2] in een e-mailbericht van 16 januari 2026 aan [gedaagde] ook bevestigd. Dat daarvoor herstelwerkzaamheden nodig waren en [gedaagde] daarvoor kosten heeft gemaakt, acht de voorzieningenrechter dan ook zeker niet ondenkbaar. Gelet hierop kan in het midden blijven of productie 13 van [gedaagde] buiten beschouwing moet worden gelaten. Ook zonder die productie kan immers niet worden uitgesloten dat [gedaagde] recht heeft op vergoeding van de helft van die kosten. Ook kan niet worden uitgesloten dat [eiseressen] c.s. in het verleden te weinig huur aan [gedaagde] hebben afgedragen. Zij voeren weliswaar aan dat het aandeel van [gedaagde] in de huurpenningen (tijdelijk) is verrekend met een opeisbare vordering op [gedaagde] uit hoofde van een geldlening, maar dat zou alleen betrekking hebben op de jaren 2024 en 2025. Onduidelijk is of in de jaren daarvoor (wel) correct is afgedragen. Uit het voorgaande volgt dat bepaald niet aannemelijk is dat [gedaagde] onverkort is gehouden om de helft van de huurpenningen aan [eiseressen] c.s. te betalen. Dat heeft te maken met de hoge lat die voor geldvorderingen in kort geding geldt en de terughoudendheid die de voorzieningenrechter daarbij moet betrachten. Wie in de onderlinge verhouding recht heeft op welke vergoeding, kan in het bestek van dit kort geding niet worden vastgesteld en dient in het kader van de verdeling van de opbrengst van de verkoop te worden verrekend (vgl. artikel 3:184 BW). De vorderingen van [eiseressen] c.s. (strekkende tot het afdragen van de huurpenningen) zijn in zoverre niet toewijsbaar.



4.9.
De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om te bepalen dat [gedaagde] maandelijks een bedrag gelijk aan de VvE- en hypotheeklasten aan [eiseressen] c.s. moet betalen zolang de panden nog niet overgedragen zijn. Daarvoor is redengevend dat [eiseressen] c.s. nog altijd de aan de panden verbonden VvE- en hypotheeklasten betalen, terwijl de huurinkomsten niet meer bij hen binnenkomen. Ter zitting hebben [eiseressen] c.s. verklaard dat die lasten in totaal € 1.865 per maand bedragen. Het feit dat [gedaagde] het aandeel van [eiseressen] c.s. in de huuropbrengsten niet aan hen afdraagt, plaatst [eiseressen] c.s. financieel in een lastige positie. Deze feiten en omstandigheden brengen mee dat [eiseressen] c.s. voldoende belang hebben bij een spoedvoorziening in kort geding. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard bereid te zijn om voornoemde lasten maandelijks aan Nieuwenburg c.s. te storten. Op 22 april jl. zou al een eerste betaling van € 1.865 aan [eiseressen] c.s. zijn gedaan. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat door deze betaling de financiële druk bij [eiseressen] c.s. weg is en daarmee ook het spoedeisend belang in dit kort geding. [eiseressen] c.s. dienen immers ook voor de toekomst zekerheid te hebben dat zij de lasten kunnen blijven voldoen zolang zij geen huur ontvangen. Dit is ook in het belang van [gedaagde] , die hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldleningen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen om vanaf 1 juni 2026 maandelijks een bedrag van € 1.865 aan [eiseressen] c.s. te voldoen, steeds op de eerste van iedere maand, totdat [eiseressen] c.s. niet meer gerechtigd zijn tot de panden.



4.10.
Voor de overige over en weer gestelde vorderingen ligt het voor de hand dat partijen hierover in overleg treden en deze meenemen in een finale afwikkeling nadat de panden zijn verkocht. Zoals gezegd is er vooralsnog te veel onzekerheid over de vraag welke bedragen partijen aan elkaar verschuldigd zijn en valt de noodzaak van een beslissing hierover in kort geding ook niet in te zien. Dat [eiseressen] c.s. recht hebben op 50% van de huurinkomsten is niet in geschil, maar dat zal kunnen worden verrekend met een eventueel vorderingsrecht van [gedaagde] op [eiseressen] c.s. Mochten partijen hier in onderling overleg niet uitkomen, dan kunnen zij de gestelde vorderingen in een bodemprocedure aan de rechter voorleggen.



4.11.
De voorzieningenrechter wijst partijen erop dat zij gelet op de tussen hen bestaande gemeenschap in beginsel gehouden zijn om elkaar ten aanzien van de panden voldoende te informeren en inzage te verschaffen in de documenten die verband houden met de verhuur van de panden en de kosten die daaraan verbonden zijn. Voor zover [eiseressen] c.s. vorderen dat [gedaagde] getekende huurovereenkomsten aan hen dient te verstrekken, is deze vordering echter niet toewijsbaar. Uit de overgelegde stukken blijkt dat Nieuwenburg c.s. de meest recente huurovereenkomsten al in bezit hebben en [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat voor de [adres 2] geen ondertekende huurovereenkomst aanwezig is, omdat de verhuur snel werd gerealiseerd. [gedaagde] kan niet worden veroordeeld om iets te verstrekken wat niet bestaat. Dat geldt ook voor schriftelijke verklaringen van huurders waaruit zou moeten blijken dat zij zijn geïnformeerd over en akkoord zijn met het huishoudelijk reglement, de puntentelling en het energielabel. Onduidelijk is of dergelijke verklaringen bestaan, nu [gedaagde] dit heeft betwist. Volgens [gedaagde] hebben partijen nooit een puntentelling vastgesteld en is er geen energielabel. [gedaagde] voert verder aan dat hij de huishoudelijke reglementen van de VvE’s nimmer heeft ontvangen van [eiseressen] c.s., zodat deze ook nooit aan de huurders zijn voorgelegd. Tegen deze achtergrond is onvoldoende aannemelijk dat de schriftelijke verklaringen waarvan [eiseressen] c.s. afgifte vorderen daadwerkelijk bestaan. Voor zover [eiseressen] c.s. aanvoeren dat [gedaagde] aan deze stukken kan komen door de huidige huurders de verklaringen alsnog te laten tekenen, wordt hieraan voorbijgegaan nu de vorderingen van [eiseressen] c.s. daar niet op zien.



4.12.
Anderzijds kunnen [eiseressen] c.s. evenmin worden veroordeeld om aan [gedaagde] dergelijke schriftelijke verklaringen van alle oud-huurders te overleggen. Ook ten aanzien van deze stukken is niet aannemelijk dat zij bestaan. Voor zover [gedaagde] vordert dat [eiseressen] c.s. worden veroordeeld om de ondertekende huurovereenkomst voor de [adres 2] voor de periode oktober-december 2025 te verstrekken, wordt ook deze vordering afgewezen. [gedaagde] voert zelf aan dat die overeenkomst nooit lijkt te zijn getekend, zodat alleen al om die reden niet aannemelijk is dat een ondertekende huurovereenkomst bestaat.



4.13.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van partijen deels en in aangepaste vorm worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.



4.14.
In de familierechtelijke aard van dit geschil en in de omstandigheid dat partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:




in conventie




5.1.
veroordeelt [gedaagde] om per 1 juni 2026 maandelijks een bedrag van € 1.865 aan [eiseressen] c.s. te voldoen, steeds op de eerste van iedere maand, totdat [eiseressen] c.s. niet meer gerechtigd zijn tot de panden;



5.2.
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de panden aan de [adres 1] Den Haag en de [adres 2] Den Haag en de daarbij behorende parkeerplaats aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:



binnen één week na het vonnis een keuze zal maken voor een van de acht makelaars die [eiseressen] c.s. in randnummer 62 van de dagvaarding hebben genoemd, bij gebreke waarvan [eiseressen] c.s. een van deze makelaars mag aanwijzen;


binnen één week nadat de keuze voor een makelaar is gemaakt zoals bedoeld onder a, samen met [eiseressen] c.s. een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met de makelaar onder gebruikelijke voorwaarden;


de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [eiseressen] c.s. zal opvolgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs indien en voor zover partijen hierover niet tot overeenstemming komen, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;


de balkonsleutel van de [adres 2] en de afstandsbediening van de parkeerplaats aan de makelaar dient te verstrekken;


dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen vijf werkdagen nadat hij de schriftelijke koopovereenkomst heeft ontvangen, indien en voor zover:



- de koopovereenkomst voor een pand als deze gebruikelijke condities bevat, en
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs;

dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag.


5.3.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.2 onder b., e. en f., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, het pand (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;



5.4.
verbiedt [gedaagde] om met betrekking tot de panden genoemd in 5.2 huurovereenkomsten aan te gaan en/of te verlengen zonder daaraan voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiseressen] c.s. en bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 25.000 per keer dat hij dit verbod overtreedt, met een maximum van € 100.000;



in (voorwaardelijke) reconventie





5.5.
verbiedt [eiseressen] c.s. om met betrekking tot de panden genoemd in 5.2 huurovereenkomsten aan te gaan en/of te verlengen zonder daaraan voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde] en bepaalt dat [eiseressen] c.s. een dwangsom verbeuren van € 25.000 per keer dat zij dit verbod overtreden, met een maximum van € 100.000;



in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie





5.6.
verklaart dit vonnis in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.7.
bepaalt dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen kosten draagt;



5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.



yd