Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21824
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42076
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijheidsontnemende maatregel ogv artikel 6, derde lid, van de Vw. Geen aanleiding lichter middel
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 Raad van State 22-05-2012
- ECLI:NL:RVS:2013:BZ8719 Raad van State 02-04-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.275 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.42076 en NL26.42079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1], en
[eiser 2]
, V-nummer: [V-nummer 2], eisers
gemachtigde: mr. B. Snoeij,
en
de minister van Asiel en Migratie,
gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt.
Procesverloop
Bij besluiten van 26 juli 2026 (de bestreden besluiten) is aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. De beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T.B.H. Vu. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw,dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister, gelet op de zwangerschap van eiseres, met een lichter middel had moeten volstaan.
3.1
De rechtbank stelt vast dat eisers op 26 juli 2026 een asielaanvraag aan de grens hebben ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij heeft de minister kunnen wijzen op dat eiseres, hoewel zij zwanger is, in Detentiecentrum Zeist verbleef waar zij toegang had tot de benodigde zorg. Voor zover eiseres spanningsklachten ervaart door de opgelegde maatregel, kan zij zich tot de medische dienst wenden om daar een medisch oordeel over te verkrijgen.
Het feit dat eisers problemen ervaren met het eten in het detentiecentrum is geen omstandigheid waar de rechtbank rekening mee kan houden. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2013 volgt, dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime. Het betoog van eisers heeft betrekking op de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum, zodat dit buiten het toetsingskader valt. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, kunnen eisers daarover klagen bij de daartoe geëigende instantie. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ8719.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.42076 en NL26.42079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1], en
[eiser 2]
, V-nummer: [V-nummer 2], eisers
gemachtigde: mr. B. Snoeij,
en
de minister van Asiel en Migratie,
gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt.
Procesverloop
Bij besluiten van 26 juli 2026 (de bestreden besluiten) is aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. De beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T.B.H. Vu. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw,dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister, gelet op de zwangerschap van eiseres, met een lichter middel had moeten volstaan.
3.1
De rechtbank stelt vast dat eisers op 26 juli 2026 een asielaanvraag aan de grens hebben ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij heeft de minister kunnen wijzen op dat eiseres, hoewel zij zwanger is, in Detentiecentrum Zeist verbleef waar zij toegang had tot de benodigde zorg. Voor zover eiseres spanningsklachten ervaart door de opgelegde maatregel, kan zij zich tot de medische dienst wenden om daar een medisch oordeel over te verkrijgen.
Het feit dat eisers problemen ervaren met het eten in het detentiecentrum is geen omstandigheid waar de rechtbank rekening mee kan houden. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2013 volgt, dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime. Het betoog van eisers heeft betrekking op de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum, zodat dit buiten het toetsingskader valt. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, kunnen eisers daarover klagen bij de daartoe geëigende instantie. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ8719.