Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21823

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.41422_42130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.41422_42130
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Maatregel 591a Vw en beroep tegen een TKB. Uit de niet betwiste gronden bij het TKB blijkt dat sprake is van een risico op onderduiken. Gelet hierop kon de minister eiser een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden. Gronden niet betwist. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen of om detentie als onevenredig bezwarend voor eiser te beschouwen. Ambtshalve beoordeling leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.402 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.41422 en NL26.42130

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen


[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en de maatregel van vreemdelingenbewaring en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van het terugkeerbesluit en van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit 1 van 22 juli 2026 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring (bestreden besluit 2) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en heeft tegen het terugkeerbesluit beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit



Had eiser een termijn voor vrijwillig vertrek moeten worden gegeven?

3. Eiser voert aan dat hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden gegeven, eiser verblijft al 26 jaar in Nederland en heeft nooit eerder een terugkeerbesluit opgelegd gekregen. Eiser had daarom gelegenheid moeten krijgen om zelfstandig te vertrekken. Ook bij de aanwezigheid van gronden die een onderduikrisico aantonen kan de minister ervoor kiezen om een termijn voor vertrek te bieden. Nu dat niet is gebeurd, is volgens eiser zowel het terugkeerbesluit als het inreisverbod niet rechtmatig waardoor er geen grondslag bestond om hem in vreemdelingenbewaring te stellen.



3.1.

In het terugkeerbesluit heeft de minister hierover vermeld dat een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.5, eerste en derde lid, van het Vb, als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.




3.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit deze gronden blijkt in dit geval voldoende dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser heeft de gronden ook niet betwist. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen geven hier anders over te oordelen. Gelet hierop kon de minister eiser een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden.





Beoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring



Toetsingskader


4. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.


5.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden in beginsel voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.



Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?


7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische omstandigheden.

8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.


8.1.

De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarnaast heeft de minister in de motivering bij de belangenafweging terecht opgenomen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven dat hij gezond is, geen medicijnen gebruikt en niet onder doktersbehandeling staat. Eiser wilde graag in vreemdelingenbewaring zodat hij gezien kon worden door een tandarts voor de pijn aan zijn tanden. Eiser heeft verder gewezen op pijn in zijn elleboog en knie en op hartkloppingen waar hij last van heeft. De minister heeft erop gewezen dat er een medische dienst is in het detentiecentrum tot wie eiser zich kan wenden en dat ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Het is de rechtbank niet gebleken dat detentie voor eiser onevenredig bezwarend is of dat de zorg voor hem niet toereikend is. De beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van de maximale duur van de vreemdelingenbewaring
9. Eiser voert aan dat hij in totaal mogelijk langer dan zes maanden in bezwaring heeft gezeten. Volgens eiser had er dan ook een verlengingsbesluit moeten worden genomen op grond van het arrest Aroja.




9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Hof verklaart in het arrest Aroja onder meer voor recht dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Nu aan eiser een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd op 22 juli 2026, betekent dat dat enkel de periode van bewaring van de voorliggende maatregel meetelt voor de berekening van die termijn. Van een overschrijding van de zes maandentermijn (180 dagen) waarbij de minister gehouden is om een verlengingsbesluit te nemen, is daarom op dit moment nog (lang) geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen


11. De beroepen tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond.
Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.


Het Hof van Justitie van de Europese Unie.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022,
ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.