Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21822

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.41662
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.41662
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Maatregel van vreemdelingenbewaring 59a Vw. De niet bestreden gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De minister heeft aanleiding hoeven zien voor de toepassing van een lichter middel en ook is niet gebleken van detentieongeschiktheid. Ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.192 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.41662


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant onderduikrisico bestaat.


4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.



Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?


5. Eiser betwist de grond t.



5.1.
De minister heeft de grond t op zitting laten vallen.



5.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de grond t is komen te vervallen zijn de overblijvende gronden voldoende om de maatregel in beginsel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico aanwezig is.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel omdat zijn zwangere vriendin uit Zwitserland hem kan komen ophalen. Daarnaast wil eiser graag naar Zwitserland waardoor geen sprake is van een risico op onderduiken.




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft, naar het oordeel van de rechtbank, in de enkele stelling van eiser dat zijn vriendin hem zou willen komen ophalen geen aanleiding hoeven zien voor de toepassing van een lichter middel. Eiser heeft dit namelijk niet met een onderbouwing aannemelijk kunnen maken. Het telefoonnummer dat volgens eiser van zijn vriendin zou zijn, bleek niet in werking.



6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de vrijheidsontneming voor eiser onevenredig bezwarend is. Deze stelling is door eiser niet met documenten onderbouwd en ook in het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser detentieongeschikt zou zijn. De medische omstandigheden waar eiser naar verwijst, namelijk dat hij last heeft van zijn tanden en oren, zijn door de minister kenbaar betrokken in de maatregel. De minister heeft hierover in de maatregel opgenomen dat deze omstandigheden de maatregel niet onevenredig bezwarend maken. Er is meegenomen dat er een medische dienst aanwezig is tot wie eiser zich te allen tijde kan wenden en dat er geen andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat eiser om medische redenen niet in staat is om bewaring te ondergaan of dat zijn klachten zijn verergerd in detentie.







Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen


8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:











































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.


Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Zie de uitspraken van de Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.