Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21820

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.41402
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.41402
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring 591a Vw. De niet betwiste gronden reeds voldoende om een onderduikrisico aan te nemen. Zicht op uitzetting ontbreekt niet in algemene zin voor Somalië en ook niet voor eiser specifiek. Dat er vertraging in het proces zit door eisers niet meewerkende houding komt voor zijn risico. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.003 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.41402


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.


4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.



Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?


5. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Eiser betwist de gronden a, b, c en p inhoudelijk en stelt ten aanzien van de grond h dat terugkeer voor eiser gelijkstaat aan een doodvonnis. Ten aanzien van grond g stelt eiser dat deze grond feitelijk juist is maar dat zijn belangen in het kader van artikel 3 en 8 EVRM dienen te prevaleren.



5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat een deel van de gronden aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat. Zo staat bijvoorbeeld vast dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen medewerking zal verlenen aan terugkeer, dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De rechtbank hecht hierbij tevens belang aan het feit dat eiser in ieder geval vanaf de in rechte vaststaande beschikking van 25 november 2025, waarin is vastgesteld dat zijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken met ingang van 24 januari 2016, onrechtmatig in Nederland heeft verbleven zonder gevolg te geven aan zijn vertrekverplichting. De rechtbank ziet geen aanleiding om de inhoud van het besluit van 25 november 2025 ambtshalve te toetsen aan de artikelen 3 en 8 EVRM. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit, zo hij al niet op de hoogte is geweest van dit besluit, dan komt dit voor rekening en risico van eiser.


Is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering?

6. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, er worden namelijk slechts incidenteel laissez-passers afgegeven ten behoeve van Somalië en documenten ontbreken. Daarnaast spreekt eiser de taal niet en verblijft hij al lange tijd in Nederland.




6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt bestaat er wel een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank is allereerst van oordeel dat zicht op uitzetting naar Somalië in algemene zin niet ontbreekt, en verwijst daarvoor naar het standpunt zoals ingenomen in de uitspraak op het beroep van eiser tegen een voorgaande maatregel van bewaring van deze rechtbank en zittingsplaats, van 2 juni 2026. De rechtbank wijst er op dat een mogelijke vertraging in het proces, doordat eiser weigert om medewerking te verlenen aan presentaties en vertrekgesprekken, voor zijn eigen rekening en risico komt. De minister heeft daarom ten tijde van het opleggen van de maatregel terecht aangenomen dat zicht op uitzetting voor de vreemdeling niet ontbrak.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


7. Eiser heeft de rechtbank tot slot verzocht om de beschikking van 25 november 2025 ambtshalve te toetsen aan de artikelen 3 en 8 van het EVRM.

8. Uit het arrest Adrar volgt dat een nationale rechter die de rechtmatigheid moet toetsen van de inbewaringstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit, verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen die verwijdering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de motivering van de maatregel voldoende onderbouwd waarom er geen aanwijzingen zijn dat daar in het geval van eiser sprake van is. Eiser weigerde namelijk om in gesprek te gaan tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling en heeft geen omstandigheden aangedragen die kunnen wijzen op een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank ziet in dit beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring geen aanleiding voor een meer vergaande ambtshalve toets aan artikel 3 en 8 van het EVRM.

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


ECLI:NL:RBDHA:2026:14800.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022,
ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026 ECLI:EU:C:2026:148.