Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21817

2026-08-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.41424
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.41424
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring 591a Vw. De minister heeft de maatregel kunnen baseren op het terugkeerbesluit van 18 juni 2026 dat in rechte vaststaat. De motivering ten aanzien van het lichter middel zoals die is opgenomen in de maatregel voldoet niet. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk gebrek niet te herstellen met een aanvullend proces-verbaal. Beroep gegrond. Maatregel van meet af aan onrechtmatig.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.716 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.41424


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.

Partijen hebben ingestemd met het schriftelijk uitwisselen van standpunten. Eiser heeft op 26 en 27 juli 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 29 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 30 juli 2026.

Beoordeling door de rechtbank





Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



Ten aanzien van het terugkeerbesluit


4. Eiser voert aan dat hij in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor Frankrijk, om welke reden hem op 18 juni 2026 geen terugkeerbesluit voor Marokko had mogen worden opgelegd en verzoekt de rechtbank om het terugkeerbesluit nietig te verklaren.

5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat eiser geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 18 juni 2026. Daarmee staat dit besluit in rechte vast en heeft de minister de bewaring hierop kunnen baseren. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2026 en 6 mei 2026 volgt dat de bewaringsrechter ook na het arrest Adrar van het Hof van Justitie van 4 september 2025 niet mag oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. Ook niet door te beoordelen of de minister bij de vaststelling van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.



Ten aanzien van het lichter middel


6. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de beroepsgrond over de ontbrekende motivering in de maatregel van vreemdelingenbewaring over de mogelijkheid tot toepassing van een lichter middel.



6.1.
Eiser voert aan dat in de maatregel van vreemdelingenbewaring niet staat vermeld of is gemotiveerd waarom niet volstaan kan worden met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel. Eiser wijst er op dat er pas na het opleggen van de maatregel een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt door de minister waarin deze motivering wel is opgenomen. Eiser stelt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring volledig gemotiveerd moet zijn en dat een gebrek in de motivering niet kan worden gecorrigeerd door een later proces-verbaal.



6.2.
De minister betwist dat sprake is van een motiveringsgebrek en stelt dat dit een ambtelijke misslag betreft die op juiste wijze is gecorrigeerd. De minister wijst in dit kader op het volgende. Op 22 juli 2026 is direct een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin is aangegeven dat abusievelijk twee maal de gronden zijn opgevoerd in plaats van de tekst voor een lichter middel. Deze wordt alsnog gegeven in het proces-verbaal dat op dezelfde dag nog is opgemaakt als de opgelegde maatregel van bewaring. Ook is aangegeven dat een afschrift van de maatregel van bewaring en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen aan eiser is uitgereikt. De daarin gegeven motivering onderbouwt afdoende waarom niet is volstaan met een lichter middel.

7. De beroepsgrond slaagt. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.


De minister heeft in de maatregel het volgende overwogen over de mogelijkheid van het toepassen van een lichter middel:




“ Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door betrokkene is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, te weten





Opmerking verbalisant: Voor de volledige verklaring wordt verwezen naar het opgemaakte proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.





welke zouden moeten leiden tot (het voortzetten van) een minder dwingende maatregel maken diens inbewaringstelling niet onevenredig bezwaarlijk omdat”




En:




“Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor betrokkene onredelijk bezwarend maken.”




In het proces-verbaal van 22 juli 2026 merkt de minister hierover het volgende op:




“op 22 juli 2026 heb ik verbalisant [verbalisant], in de maatregel van bewaring van de vreemdeling; [eiser], geboren op [geboortedatum] 2026 te Marokko en van Marokkaanse nationaliteit, bij de motivering ibs waarom geen lichter middel is toegepast heb ik verbalisant abusievelijk het zelfde tekst ingevuld als bij "nadere motivering". dit is niet


juist.” Vervolgens geeft het proces-verbaal een overzicht van hoe de motivering had moeten luiden in de maatregel.


8. Vaststaat dat de motivering van het achterwege laten van een lichter middel in de maatregel van 22 juli 2026 ontbreekt. Dit is ook niet in geschil. De rechtbank is van oordeel dat de minister er met de overweging zoals die is opgenomen in de maatregel onvoldoende blijk van heeft gegeven dat de mogelijkheid tot het opleggen van een lichter middel zorgvuldig is onderzocht. De minister heeft niet laten zien dat hij een lichter middel heeft onderzocht of overwogen en dat de verklaringen die eiser in dit kader mogelijk naar voren heeft gebracht daarbij kenbaar zijn meegewogen. Anders dan de minister stelt is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk gebrek niet te herstellen valt met een aanvullend proces-verbaal, te meer niet omdat daaruit niet blijkt dat aan eiser bij het opleggen van de maatregel wel een deugdelijke motivering zou zijn gegeven door de minister. De motivering bij het lichter middel betreft een wezenlijk deel van de motivering van de maatregel van vreemdelingenbewaring die kenbaar moet blijken uit de maatregel zelf. Nu de minister dit heeft nagelaten is het besluit daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende kenbaar gemotiveerd. Het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel is gegrond vanwege voornoemd gebrek. De vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.



9.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 13 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.720,-.



9.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en voor de schriftelijke behandeling. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.








Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.720,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.







Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2026:329.


ECLI:NL:RVS:2026:2537.


ECLI:EU:C:2025:647.


De rechtbank wijst op ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).