Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21810

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.42095
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.42095
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring. 59b. Ongegrond. De minister heeft op de zitting de bewaringsgrondslag zoals deze volgt uit artikel 59b, eerste lid, sub b, Vw,8 laten vallen. Paspoort overgelegd. Ex-nunc toets. Lichter middel.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.740 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.42095


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. De minister heeft eiser op 23 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Tevens is daar een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.





De opgelegde maatregel

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat (i) de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en (ii) omdat deze noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw. Bovendien is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t) verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.


3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.



3.2.
De minister heeft op de zitting de bewaringsgrondslag zoals deze volgt uit artikel 59b, eerste lid, sub b, Vw, laten vallen. De grondslag die volgt uit artikel 59b, eerste lid, sub a, Vw blijft gehandhaafd.



3.3.
De minister heeft op de zitting ook grond t) laten vallen.





Beoordeling door de rechtbank



Verzoek om heropening


4. Eiser heeft op 3 augustus 2026 verzocht om het onderzoek te heropenen. Naar mening van eiser heeft de minister onvoldoende voortvarend de grondslag van de bewaring gewijzigd. De rechtbank wijst het verzoek af. Niet ter discussie staat dat de termijn voor het omzetten van de bewaringsmaatregel tijdens de behandeling op zitting nog niet verlopen was en van een onvolledig onderzoek is daarom geen sprake. Daaruit volgt dat er geen aanleiding bestaat om het onderzoek te heropenen. Indien eiser van mening is dat de voortduring van de maatregel na het sluiten van het onderzoek in deze procedure onrechtmatig is, ligt het op zijn weg om beroep tegen die voortduring in te stellen.



Voortraject


5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.



Grondslag


6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel op de juiste grondslag heeft gebaseerd. Eiser valt onder de in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen, nu de identiteit van eiser bij gebrek aan identificerende documenten, met onvoldoende zekerheid bekend is. Uit de maatregel volgt dat eiser niet in het bezit is van identificerende documenten, dan wel geen actie heeft ondernomen om zijn documenten te overhandigen aan de Nederlandse autoriteiten. Hoewel eiser op 30 juli 2026 zijn paspoort overgelegd heeft was op het moment van de behandeling op van de zaak op zitting de termijn voor een eventuele grondslagwijziging nog niet verlopen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de grondslag voor de bewaringsmaatregel op enig moment gedurende de inbewaringstelling ontbrak dan wel onjuist was.



Gronden


7. De rechtbank stelt vast dat de maatregel is gemotiveerd en er ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb, aanwezig zijn. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.



Lichter middel


8. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Voorts oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen betrekken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken.


8.1.
Op de zitting heeft eiser betoogd dat met het intrekken van het beroep in zijn asielprocedure en het overleggen van zijn originele paspoort, voldoende duidelijk is dat hij wil meewerken aan zijn vertrek naar Georgië. Hoewel de gronden als bedoeld in artikel 5.6. Vb aanwezig zijn, kan gelet op hetgeen bepaald in artikel 59, derde lid, Vw de bewaring niet gehandhaafd worden en had de minister moeten overgaan tot het opleggen van een lichter middel.



8.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Op het moment van de behandeling van de zaak op zitting zijn nog geen twee dagen verstreken sinds de minister het paspoort van eiser heeft ontvangen. Omdat de minister enige tijd gegund moet worden om zich te beraden op de gevolgen die het overleggen van het paspoort heeft voor de inbewaringstelling, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister al voor het onderzoek op zitting had moeten overgaan tot het opleggen van een lichter middel. De rechtbank ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.



Voortvarendheid


9. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen, dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De minister heeft op dag 7 van de inbewaringstelling een vertrekgesprek gehouden met eiser, waarbij het overleggen van zijn paspoort en de mogelijke intrekking van zijn rechtsmiddelen in de asielprocedure zijn besproken. Gelet op de omstandigheid dat eiser in afwachting was van de behandeling van het ingestelde beroep in de asielprocedure, kon de minister geen verdere handelingen verrichten. Voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend tewerk is gegaan, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding



Conclusie


10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Hierna: de bewaring.


Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000.


Vreemdelingenwet 2000.


Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de minister om een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan als bedoeld in artikel 28 Vw, in bewaring te stellen indien dit noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan die aanvraag.


Centrale Raad van Beroep, 6 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:260, r.o. 6.1.9.


Artikel 96, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.