Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21808
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.41411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring. Artikel 59 tweede lid. Ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:667 Raad van State 07-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.598 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41411
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 22 juli 2026 op grond van artikel 59, tweede lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
Eiser is op 31 juli 2026 aan Duitsland overgedragen.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van eiser en de minister zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd zoals bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Vw. Deze maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zullen zijn.
3.1.
De rechtbank overweegt dat uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Verder volgt uit de maatregel dat de voor de terugkeer naar Duitsland noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat de minister op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd. Dat in het proces-verbaal van gehoor individuele gronden uit artikel 5.6. Vb zijn genoemd en dit niet het geval is in de uiteindelijke maatregel, kan dan ook geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van die maatregel nu deze op goede grondslag is opgelegd.
3.2.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: de bewaring.
Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41411
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 22 juli 2026 op grond van artikel 59, tweede lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
Eiser is op 31 juli 2026 aan Duitsland overgedragen.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van eiser en de minister zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd zoals bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Vw. Deze maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zullen zijn.
3.1.
De rechtbank overweegt dat uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Verder volgt uit de maatregel dat de voor de terugkeer naar Duitsland noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat de minister op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd. Dat in het proces-verbaal van gehoor individuele gronden uit artikel 5.6. Vb zijn genoemd en dit niet het geval is in de uiteindelijke maatregel, kan dan ook geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van die maatregel nu deze op goede grondslag is opgelegd.
3.2.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: de bewaring.
Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.
Vreemdelingenbesluit 2000.