Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21806
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
26.17008
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel, Syrië, AMV, politiek activisme, vrees voor ronseling, Koerd, 15c, buitenschuldbeleid, adequate opvang onvoldoende kenbaar onderzocht, gegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23466 Rechtbank Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:EU:C:2021:9
- ECLI:NL:RVS:2022:1530 Raad van State 08-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1532 Raad van State 08-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.178 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17008
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verstrekken en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat hij binnen vier weken moet vertrekken.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt te behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij is eerst vanuit Aleppo gevlucht naar Afrin en in 2014 vanuit Afrin gevlucht naar Turkije met zijn ouders, broer en zussen. Ze zijn gevlucht vanwege de oorlog in Syrië en vanwege een conflict in de familie. Eiser stelt niet te kunnen terugkeren naar Syrië omdat het er niet veilig is voor Koerden, en omdat hij bang is gerekruteerd te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. De minister acht dit asielmotief geloofwaardig, maar stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het enkele feit dat hij uit Syrië komt is niet genoeg om een vluchteling te zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Tot slot stelt de minister dat de belangen van het kind zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK niet in de weg staan aan terugkeer naar het land van herkomst. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen.
Herhaling zienswijze
5. Voor zover eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Vrees voor vervolging
6. Eiser stelt dat de minister niet tot de conclusie kon komen dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Eiser is namelijk actief op sociale media, en zijn uitingen zouden moeten worden gezien als politiek activisme. Met de verwijzing van de minister naar de EUAA kan niet worden uitgesloten dat eiser in de problemen kan komen en slachtoffer van geweld kan worden. Eiser verwijst hierbij naar het Ambtsbericht van januari 2026, waaruit blijkt dat er wekelijks wraakacties en gerichte moorden plaatsvinden op (voormalige) aanhangers van het vorige regime.
6.1.
Ten aanzien van de vrees van eiser voor rekrutering door de Koerdische strijdende partijen stelt eiser dat hij niet kan terugkeren naar het deel van Syrië dat onder controle van de nieuwe overheid staat, en dat hij in het deel dat onder controle van de Koerden staat vreest voor ronseling. Om deze reden is dit een reële vrees.
6.2.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging. Volgens de EUAA lopen Koerden die worden verdacht van banden met SDF wel risico op vervolging. Door eisers activiteit op sociale media valt hij binnen deze categorie. In ieder geval heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser vanwege zijn afkomst geen risico loopt.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van de vrees voor vervolging overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn activiteit op sociale media. Hierbij is van belang dat eiser zelf geen posts heeft geplaatst, maar dat zijn activiteit slechts reacties betreft op anderen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit moet worden aangemerkt als politiek activisme. Voor zover eiser stelt dat er niet voldoende landeninformatie beschikbaar is om te kunnen stellen dat eiser geen gevaar loopt, overweegt de rechtbank dat het in het kader van zijn asielaanvraag aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij dit gevaar loopt. Eiser is hierin niet geslaagd.
7.1.
Ten aanzien van de vrees voor rekrutering stelt de rechtbank vast dat eiser deze vrees niet met objectieve documenten of landeninformatie heeft onderbouwd. Uit de landeninformatie volgt dat er in Syrië geen sprake meer is van een dienstplicht. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor rekrutering door de Koerdische strijdende partijen overweegt de rechtbank dat eiser afkomstig is uit Afrin, en dat dit niet valt onder de DAANES-regio. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor ronseling door de Koerdische strijdende partijen.
7.2.
Voor zover eiser stelt te vrezen voor vervolging vanwege zijn Koerdische afkomst overweegt de rechtbank dat uit de landeninformatie volgt dat er een risico bestaat voor Koerden die gelieerd worden aan SDF of banden hebben met SDF. Hiervan is in het geval van eiser niet gebleken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de reacties van eiser op sociale media onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat eiser hierdoor zal worden gelieerd aan SDF.
Ernstige schade
8. Eiser stelt dat de minister de individuele risico’s voor eiser in verband met artikel 15c van de Definitierichtlijn onvoldoende heeft beoordeeld. Eiser meent dat zijn persoonlijke omstandigheden in samenhang met het toenemende algemeen gericht geweld voldoen aan de norm van artikel 15c. Hij verwijst hierbij naar de uitspraken van de meervoudige kamers van de rechtbank Den Haag en zittingsplaats Haarlem, waarin is geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden in Syrië door de minister onvoldoende zijn betrokken bij de 15c-beoordeling. Ook wijst eiser op een citaat van mr. Khalaf, waarin wordt gesteld dat een te strikte uitleg van het actor-vereiste een onevenredige bewijsopgave creëert voor de vreemdeling die strijdig is met de samenwerkingsplicht en de doelstelling van de Definitierichtlijn.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie.
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden maken dat hij extra risico loopt op willekeurig geweld. Voor zover eiser stelt dat de persoonlijke omstandigheden zijn gelegen in zijn activiteit op sociale media en zijn vrees om te worden geronseld, overweegt de rechtbank dat zij onder 7 heeft geoordeeld dat deze vrees niet aannemelijk is.
8.3.
Voor zover eiser stelt dat de humanitaire omstandigheden niet voldoende zijn meegewogen en het actor-vereiste te strikt wordt uitgelegd, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. Daarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict. Hoewel kan worden betoogd dat de humanitaire omstandigheden die ten tijde van het regime van Assad zijn ontstaan nog altijd voortduren, is van belang dat Assad geen actor meer is in het gewapende conflict. Een deel van de op dit moment strijdende partijen was mogelijk ook actor in de periode van Assad, maar de enkele stelling dat de huidige humanitaire omstandigheden (in)direct voortkomen uit handelen of nalaten van een van die op dit moment strijdende partijen, is onvoldoende om doel te treffen. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd met objectieve landeninformatie. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen
9. Voorts stelt eiser dat het de verantwoordelijkheid van de minister is om zeker te stellen dat de terugkeerplicht die hij aan eiser oplegt niet leidt tot een deplorabele situatie. Daarom dient verweerder een concrete plaats aan te wijzen in het terugkeerbesluit. Eiser stelt onder verwijzing naar een nota van Nidos dat door het instellen van voogdij aan Nidos het gezag van de ouders en daarmee de zorgplicht van de ouders vervalt. De Staat moet onderzoeken of de zorgplicht bij terugkeer van de minderjarige vreemdeling zorgvuldig kan worden overgedragen aan de ouders. Eiser stelt dat zijn ouders niet in staat zijn om vanuit Turkije te zorgen voor adequate opvang in Syrië.
10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb, in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc, volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
10.1.
In de onderhavige zaak heeft de minister in het voornemen kenbaar gemaakt een terugkeerbesluit Syrië en Turkije op te leggen. In het bestreden besluit wordt aangegeven dat de zienswijze niet tot wijziging van dat voornemen leidt, al lijkt het terugkeerbesluit vervolgens alleen te zien op Syrië. Ter zitting heeft de minister zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat het (alleen) gaat om Syrië en dat er sprake is van adequate opvang voor eiser in Syrië, omdat hij hier familieleden heeft. Bovendien stelt de minister dat eiser contact heeft met zijn ouders die in Turkije verblijven, en dat zijn ouders verantwoordelijk zijn voor het regelen van adequate opvang van eiser in Syrië.
10.2.
Uit Informatiebericht (IB) 2025/13 volgt dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Een adres is traceerbaar als de amv een concreet adres noemt (straatnaam, naam van de wijk, huisnummer etc.) of als de amv – bij het ontbreken van adresgegevens omdat de ouders/verzorgers in een dorp verblijven – specifieke informatie kan geven over de locatie in het dorp.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of er sprake is van adequate opvang voor eiser is in Syrië. Niet is gebleken dat de minister bekend is met een concreet adres of specifieke informatie over de verblijfplaats van familieleden van eiser, en evenmin van de bereidheid van deze familieleden om voor eiser te zorgen. Eiser geeft in het nader gehoor, in de zienswijze en ter zitting aan dat zijn familie in Syrië niet bereid is om voor hem te zorgen. Dit maakt dat er niet is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in IB 2025/13, en dat de minister niet zonder nader onderzoek heeft kunnen besluiten dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt. 10.4. Het voorgaande maakt dat ook het terugkeerbesluit geen stand kan houden.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft gelet op wat onder 10 is overwogen, de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28 juli 1951, Tractatenblad 1951, 131.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, New York 20 november 1989, Tractatenblad 1995, 92.
Het Asielagentschap van de Europese Unie.
De Syrische Democratische Strijdkrachten, een door Koerden geleide militaire alliantie in Syrië.
De Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië (DAANES) (https://www.google.com/url?sa=i&source=web&rct=j&url=https://daanes.org/en/homepage/&ved=2ahUKEwi7xf7n7YaWAxU78bsIHVWpJ0EQy_kOegoIAggACAAICBAB&opi=89978449&cd&psig=AOvVaw2m7nSMPQXzoDpMWLolFz-o&ust=1785928919483000) is een bestuur dat grotendeels door Koerden wordt geleid.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
NL25.28503.
NL25.27567.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Brief van 12 maart 2026 met enkele vragen over de zorgplicht van ouders van kinderen die bij Nidos onder voogdij staan. Nidos is de landelijke organisatie in Nederland voor de voogdij, opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De vragen zijn beantwoord door prof. T.Liefaard en prof. K.A.M. van der Zon van de Universiteit Leiden.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Arrest van 14 januari 2021, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
Zie eerst p. 10 en vervolgens p. 11 van het bestreden besluit.
Alleenstaande minderjarige vreemdeling.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17008
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verstrekken en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat hij binnen vier weken moet vertrekken.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt te behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij is eerst vanuit Aleppo gevlucht naar Afrin en in 2014 vanuit Afrin gevlucht naar Turkije met zijn ouders, broer en zussen. Ze zijn gevlucht vanwege de oorlog in Syrië en vanwege een conflict in de familie. Eiser stelt niet te kunnen terugkeren naar Syrië omdat het er niet veilig is voor Koerden, en omdat hij bang is gerekruteerd te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. De minister acht dit asielmotief geloofwaardig, maar stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het enkele feit dat hij uit Syrië komt is niet genoeg om een vluchteling te zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Tot slot stelt de minister dat de belangen van het kind zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK niet in de weg staan aan terugkeer naar het land van herkomst. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen.
Herhaling zienswijze
5. Voor zover eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Vrees voor vervolging
6. Eiser stelt dat de minister niet tot de conclusie kon komen dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Eiser is namelijk actief op sociale media, en zijn uitingen zouden moeten worden gezien als politiek activisme. Met de verwijzing van de minister naar de EUAA kan niet worden uitgesloten dat eiser in de problemen kan komen en slachtoffer van geweld kan worden. Eiser verwijst hierbij naar het Ambtsbericht van januari 2026, waaruit blijkt dat er wekelijks wraakacties en gerichte moorden plaatsvinden op (voormalige) aanhangers van het vorige regime.
6.1.
Ten aanzien van de vrees van eiser voor rekrutering door de Koerdische strijdende partijen stelt eiser dat hij niet kan terugkeren naar het deel van Syrië dat onder controle van de nieuwe overheid staat, en dat hij in het deel dat onder controle van de Koerden staat vreest voor ronseling. Om deze reden is dit een reële vrees.
6.2.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging. Volgens de EUAA lopen Koerden die worden verdacht van banden met SDF wel risico op vervolging. Door eisers activiteit op sociale media valt hij binnen deze categorie. In ieder geval heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser vanwege zijn afkomst geen risico loopt.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van de vrees voor vervolging overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn activiteit op sociale media. Hierbij is van belang dat eiser zelf geen posts heeft geplaatst, maar dat zijn activiteit slechts reacties betreft op anderen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit moet worden aangemerkt als politiek activisme. Voor zover eiser stelt dat er niet voldoende landeninformatie beschikbaar is om te kunnen stellen dat eiser geen gevaar loopt, overweegt de rechtbank dat het in het kader van zijn asielaanvraag aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij dit gevaar loopt. Eiser is hierin niet geslaagd.
7.1.
Ten aanzien van de vrees voor rekrutering stelt de rechtbank vast dat eiser deze vrees niet met objectieve documenten of landeninformatie heeft onderbouwd. Uit de landeninformatie volgt dat er in Syrië geen sprake meer is van een dienstplicht. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor rekrutering door de Koerdische strijdende partijen overweegt de rechtbank dat eiser afkomstig is uit Afrin, en dat dit niet valt onder de DAANES-regio. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor ronseling door de Koerdische strijdende partijen.
7.2.
Voor zover eiser stelt te vrezen voor vervolging vanwege zijn Koerdische afkomst overweegt de rechtbank dat uit de landeninformatie volgt dat er een risico bestaat voor Koerden die gelieerd worden aan SDF of banden hebben met SDF. Hiervan is in het geval van eiser niet gebleken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de reacties van eiser op sociale media onvoldoende aanleiding geven om aan te nemen dat eiser hierdoor zal worden gelieerd aan SDF.
Ernstige schade
8. Eiser stelt dat de minister de individuele risico’s voor eiser in verband met artikel 15c van de Definitierichtlijn onvoldoende heeft beoordeeld. Eiser meent dat zijn persoonlijke omstandigheden in samenhang met het toenemende algemeen gericht geweld voldoen aan de norm van artikel 15c. Hij verwijst hierbij naar de uitspraken van de meervoudige kamers van de rechtbank Den Haag en zittingsplaats Haarlem, waarin is geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden in Syrië door de minister onvoldoende zijn betrokken bij de 15c-beoordeling. Ook wijst eiser op een citaat van mr. Khalaf, waarin wordt gesteld dat een te strikte uitleg van het actor-vereiste een onevenredige bewijsopgave creëert voor de vreemdeling die strijdig is met de samenwerkingsplicht en de doelstelling van de Definitierichtlijn.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie.
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden maken dat hij extra risico loopt op willekeurig geweld. Voor zover eiser stelt dat de persoonlijke omstandigheden zijn gelegen in zijn activiteit op sociale media en zijn vrees om te worden geronseld, overweegt de rechtbank dat zij onder 7 heeft geoordeeld dat deze vrees niet aannemelijk is.
8.3.
Voor zover eiser stelt dat de humanitaire omstandigheden niet voldoende zijn meegewogen en het actor-vereiste te strikt wordt uitgelegd, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. Daarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict. Hoewel kan worden betoogd dat de humanitaire omstandigheden die ten tijde van het regime van Assad zijn ontstaan nog altijd voortduren, is van belang dat Assad geen actor meer is in het gewapende conflict. Een deel van de op dit moment strijdende partijen was mogelijk ook actor in de periode van Assad, maar de enkele stelling dat de huidige humanitaire omstandigheden (in)direct voortkomen uit handelen of nalaten van een van die op dit moment strijdende partijen, is onvoldoende om doel te treffen. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd met objectieve landeninformatie. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen
9. Voorts stelt eiser dat het de verantwoordelijkheid van de minister is om zeker te stellen dat de terugkeerplicht die hij aan eiser oplegt niet leidt tot een deplorabele situatie. Daarom dient verweerder een concrete plaats aan te wijzen in het terugkeerbesluit. Eiser stelt onder verwijzing naar een nota van Nidos dat door het instellen van voogdij aan Nidos het gezag van de ouders en daarmee de zorgplicht van de ouders vervalt. De Staat moet onderzoeken of de zorgplicht bij terugkeer van de minderjarige vreemdeling zorgvuldig kan worden overgedragen aan de ouders. Eiser stelt dat zijn ouders niet in staat zijn om vanuit Turkije te zorgen voor adequate opvang in Syrië.
10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb, in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc, volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
10.1.
In de onderhavige zaak heeft de minister in het voornemen kenbaar gemaakt een terugkeerbesluit Syrië en Turkije op te leggen. In het bestreden besluit wordt aangegeven dat de zienswijze niet tot wijziging van dat voornemen leidt, al lijkt het terugkeerbesluit vervolgens alleen te zien op Syrië. Ter zitting heeft de minister zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat het (alleen) gaat om Syrië en dat er sprake is van adequate opvang voor eiser in Syrië, omdat hij hier familieleden heeft. Bovendien stelt de minister dat eiser contact heeft met zijn ouders die in Turkije verblijven, en dat zijn ouders verantwoordelijk zijn voor het regelen van adequate opvang van eiser in Syrië.
10.2.
Uit Informatiebericht (IB) 2025/13 volgt dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Een adres is traceerbaar als de amv een concreet adres noemt (straatnaam, naam van de wijk, huisnummer etc.) of als de amv – bij het ontbreken van adresgegevens omdat de ouders/verzorgers in een dorp verblijven – specifieke informatie kan geven over de locatie in het dorp.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of er sprake is van adequate opvang voor eiser is in Syrië. Niet is gebleken dat de minister bekend is met een concreet adres of specifieke informatie over de verblijfplaats van familieleden van eiser, en evenmin van de bereidheid van deze familieleden om voor eiser te zorgen. Eiser geeft in het nader gehoor, in de zienswijze en ter zitting aan dat zijn familie in Syrië niet bereid is om voor hem te zorgen. Dit maakt dat er niet is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in IB 2025/13, en dat de minister niet zonder nader onderzoek heeft kunnen besluiten dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt. 10.4. Het voorgaande maakt dat ook het terugkeerbesluit geen stand kan houden.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft gelet op wat onder 10 is overwogen, de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève 28 juli 1951, Tractatenblad 1951, 131.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, New York 20 november 1989, Tractatenblad 1995, 92.
Het Asielagentschap van de Europese Unie.
De Syrische Democratische Strijdkrachten, een door Koerden geleide militaire alliantie in Syrië.
De Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië (DAANES) (https://www.google.com/url?sa=i&source=web&rct=j&url=https://daanes.org/en/homepage/&ved=2ahUKEwi7xf7n7YaWAxU78bsIHVWpJ0EQy_kOegoIAggACAAICBAB&opi=89978449&cd&psig=AOvVaw2m7nSMPQXzoDpMWLolFz-o&ust=1785928919483000) is een bestuur dat grotendeels door Koerden wordt geleid.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
NL25.28503.
NL25.27567.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Brief van 12 maart 2026 met enkele vragen over de zorgplicht van ouders van kinderen die bij Nidos onder voogdij staan. Nidos is de landelijke organisatie in Nederland voor de voogdij, opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De vragen zijn beantwoord door prof. T.Liefaard en prof. K.A.M. van der Zon van de Universiteit Leiden.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Arrest van 14 januari 2021, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
Zie eerst p. 10 en vervolgens p. 11 van het bestreden besluit.
Alleenstaande minderjarige vreemdeling.