Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21801

2026-07-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39725
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39725
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

grensdetentie. 6, derde lid. Minderjarig? Bewaringsrechter gaat niet over of asielverzoek in grensprocedure kan worden behandeld. Echt bevonden Keniaans paspoort. Lichter middel. Uitspraken rb A'dam 17 juli 2026 niet gevolgd. Werkwijze in werkinstructie 2026/23 niet in strijd met nieuwe Unierecht. Grensbewakingsbelang. Ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.526 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.39725


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),


en


de ambtenaar belast met de grensbewaking (ambtenaar),
(gemachtigde: mr. E. Özel).




Procesverloop


Bij besluit van 15 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister van Asiel en Migratie (de minister) heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.



Had de asielgrensprocedure niet toegepast mogen worden vanwege de minderjarigheid van eiser?


3. Eiser voert aan dat hij 16 jaar oud is en dus minderjarig. Dit betekent dat in zijn geval de asielgrensprocedure niet toegepast had mogen worden en dus ook de maatregel van grensdetentie niet was aangewezen. In de Werkinstructie Asielgrensprocedure 2026/23 (werkinstructie) van de minister staat ook dat aanvragen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen niet worden behandeld in de grensprocedure. Eiser erkent dat hij heeft gereisd met een Keniaans paspoort waaruit volgt dat hij 25 jaar oud is, maar hij heeft van meet af aan gezegd dat hij dit paspoort heeft gekocht en dat de daarin vermelde nationaliteit en geboortedatum niet bij hem horen. Hij is minderjarig en heeft de Somalische nationaliteit. Eiser heeft op 22 juli 2026 een kopie van zijn Somalische geboorteakte overgelegd waaruit dit ook blijkt. Bovendien wijst reeds een oppervlakkige schouw uit dat eiser niet de leeftijd van 25 jaar kan hebben. Hij ziet er jonger uit. Het verbaast daarom dat hierover in de stukken door de Koninklijke Marechaussee (KMar) niets wordt gezegd. Dit geldt temeer omdat de senior van dienst van de IND, waar de gemachtigde op 18 juli 2026 contact mee heeft gehad, heeft gezegd dat bekend was dat eiser gezegd heeft dat hij 16 jaar is en hij daarover ook geïnformeerd is door de KMar, maar dat zij uitgaan van de gegevens op het Keniaanse paspoort. Verwacht had mogen worden dat dit een onderwerp zou zijn geweest van de belangenafweging bij het al dan niet opleggen van de maatregel.


3.1.
De rechtbank stelt vast dat in de werkinstructie inderdaad staat dat aanvragen van alleenstaande minderjarigen niet behandeld worden in de grensprocedure, tenzij er indicaties zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat de onderhavige procedure gaat over de vraag of de maatregel van grensdetentie rechtmatig is opgelegd. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) dat de bewaringsrechter bij grensdetentie moet beoordelen of de procedure om een beslissing te nemen over het recht om het grondgebied te betreden met de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid wordt uitgevoerd en dat hij zich in beginsel niet inhoudelijk mag uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld. Dit is hier niet anders. Eiser heeft gereisd met een echt bevonden Keniaans paspoort, zodat de KMar niet aanstonds hoefde te twijfelen aan de daarin opgenomen gegevens. De vraag naar de juistheid van de opgegeven nationaliteit, identiteit en herkomst van een vreemdeling, is een vraag die wordt beantwoord in de asielprocedure zelf. In die procedure kan ook verder onderzoek worden gedaan naar de waarde van de overgelegde Somalische geboorteakte. In paragraaf C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat verder dat de IND tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voortdurend toetst of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de IND uiterlijk na het persoonlijk onderhoud op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is. Dit betekent dat de minister op elk moment in de procedure kan concluderen dat het asielverzoek zich niet leent voor een behandeling in de asielgrensprocedure.



3.2.
Voor zover eiser nog stelt dat reeds een vluchtige schouw uitwijst dat hij niet de in het paspoort vermelde leeftijd van 25 jaren kan hebben, kan hij ook hierin niet worden gevolgd. Ook hier geldt dat voorop staat dat eiser een geldig Keniaans paspoort heeft overgelegd en dat de KMar in beginsel mag uitgaan van de daarin opgenomen gegevens. Verder geldt dat een schouw niet te lichtvaardig mag worden verricht en dat daarvoor een zekere deskundigheid is vereist. Die schouw vindt plaats in de asielprocedure en wordt gedaan door medewerkers die een schouwopleiding hebben gedaan. Dat kan anders zijn als de minderjarigheid zodanig evident is, dat voor de vaststelling daarvan geen deskundigheid is vereist, maar die situatie doet zich niet voor. Overigens blijkt uit de stukken niet dat eiser bij de KMar direct heeft gemeld dat hij minderjarig was. Op het screeningsformulier van 15 juli 2026 staan dezelfde identiteits- en nationaliteitsgegevens opgenomen als op het Keniaanse paspoort van eiser en daarop staat ingevuld dat eiser heeft aangegeven dat de informatie in het formulier klopt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.



Lichter middel

4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of met een lichter middel had kunnen worden volstaan. Eiser wijst daartoe ten eerste naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. In de nieuwe Europese regelgeving staat dat detentie ultimum remedium is en hiertoe pas wordt overgegaan als andere opties zijn onderzocht. De werkinstructie van de minister is hiermee in strijd, omdat daarin een automatische koppeling wordt gelegd in die zin dat als de grensprocedure wordt toegepast, ook grensdetentie wordt opgelegd. Eiser heeft daarbij met name gewezen op artikel 10 van de hernieuwde Opvangrichtlijn en de considerans overweging 49 (de rechtbank begrijpt: overweging 69) bij de Procedureverordening waaruit juist niet blijkt van een dergelijke noodzakelijke koppeling.




4.1.
In de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of met een lichter middel had kunnen worden volstaan, geoordeeld dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. Daartoe is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Volgens de rechtbank zit die onrechtmatigheid verweven in de manier waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Allereerst trekt de minister volgens de rechtbank een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. In de werkinstructie staat dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. De noodzaak tot het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, ziet de minister in het grensbewakingsbelang. Maar de Procedureverordening verplicht alleen om de grensprocedure toe te passen in de gevallen genoemd in artikel 45, eerste lid, van die verordening. Als de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is volgens de rechtbank dan ook op zichzelf onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is namelijk ultimum remedium. Ten tweede legt de minister volgens de rechtbank een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang aan de ene kant en het opleggen van grensdetentie aan de andere kant. Juist omdat de minister niet verplicht is om het asielverzoek in de grensprocedure te behandelen, is het enkele grensbewakingsbelang onvoldoende om de noodzaak van de maatregel van grensdetentie te motiveren. Er moeten ook andere belangen zijn die daartoe nopen en die zwaarwegend genoeg zijn, zoals bijvoorbeeld het risico op onttrekking Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister door de wijze van bevraging categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit, aldus zittingsplaats Amsterdam.



4.2.
De rechtbank volgt dit oordeel niet. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat in de werkinstructie inderdaad staat vermeld dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling die vanaf de buitengrens een asielaanvraag doet en die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. Verder staat ook vermeld dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is in een noot toegelicht dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. In de werkinstructie staat echter ook opgenomen welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Eén van die uitzonderingen is dat grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 (inmiddels artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000), waarin dit ook zo staat. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten).



4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht. De minister heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, voor zover hier van belang, de bevoegdheid bestaat om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Verder heeft de minister terecht gewezen op artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de (destijds geldende) Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Het is ook vaste rechtspraak dat veel gewicht toekomt aan het grensbewakingsbelang omdat toepassing van een lichter middel dan grensdetentie in de regel tot toegangsverlening zal leiden. Daarmee is de noodzaak van de maatregel van grensdetentie in beginsel gegeven. Nu de werkwijze vervolgens inhoudt dat steeds wordt bezien of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die er toe nopen dat een lichter middel wordt opgelegd, kan niet worden gezegd dat het opleggen van een lichter middel categorisch wordt uitgesloten. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de Procedureverordening in een aantal gevallen de grensprocedure verplicht stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaste rechtspraak thans niet meer geldt.




4.4.
Eiser heeft verder aangevoerd dat in zijn geval niet voldoende is onderzocht of een lichter middel kon worden toegepast, althans dat de maatregel op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Eiser wijst in dit verband op zijn gestelde minderjarigheid. In de maatregel is op dit punt niets overwogen. Uit de screeningsformulieren blijkt ook overigens niet dat eiser is gevraagd of er redenen zijn om een lichter middel op te leggen. Daar is ook geen onderzoek naar gedaan.


4.4.1.
Ook dit betoog slaagt niet. Zoals hiervoor al is geoordeeld heeft de ambtenaar (nog) niet uit hoeven gaan van de minderjarigheid van eiser. Hij hoeft daar dan ook nog geen verdere afweging in te maken. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel staat vermeld dat eiser in de gelegenheid is gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van zijn asielaanvraag in het detentiecentrum. Daartoe zijn hem verschillende vragen gesteld. Daaruit bleek dat zich dergelijke omstandigheden niet voordeden. Op het eind van het gehoor is eiser ook meegedeeld dat er geen redenen zijn voor het toepassen van een lichter middel en is hij in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt. Nu ook anderszins niet is gebleken van omstandigheden die de grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend maken, heeft de ambtenaar niet hoeven volstaan met toepassing van een lichter middel.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.



Conclusie


6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.








Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Paragraaf 2.1.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:315.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 en 19758.


Verordening (EU) 2024/1346.


Verordening (EU) 2024/1348.


Paragraaf 2.1.1.


Paragraaf 1.1.


Paragraaf 2.1.2.


Verordening (EU) 2016/399.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5224.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.